Bijna alle scholen gebruiken de computer om kinderen te laten oefenen met de rekenstof. Dat kan met software bij de methode, maar het kan ook met losse oefenprogramma’s. Veel scholen beschikken bovendien over remediërend materiaal voor rekenen en wiskunde, met bijbehorende software.
Een interessante vraag is, hoe het zou zijn als leerlingen al hun oefenwerk (of bijna al hun oefenwerk) op de computer zouden doen. OBS Piet Mondriaan in Abcoude begon een experiment in één groep en breidt dat nu uit naar andere groepen. Het team is enthousiast, maar het rekenschrift wordt niet helemaal aan de kant gezet.

Oefenen op de computer

Voordelen

Oefenen op de computer heeft grote voordelen:
– Kinderen zijn vaak meer geconcentreerd, wanneer ze op de computer werken en ze houden het ook langer vol.
– Bovendien laat de computer direct weten of iets goed gedaan is. (En dat werkt beter dan rode streepjes bij foute antwoorden in het schrift.)
– De computer biedt ook voordelen voor de leerkracht. Het saaie en tijdrovende nakijken van schriftjes verdwijnt. En de computer kan bovendien helpen bij de beslissing of een kind een bepaald onderdeel voldoende beheerst.

Experiment

Vera Melkman en Ronald Jansen – samen de directie vormend van OBS Piet Mondriaan in Abcoude – wilden graag experimenteren met intensief gebruik van de computer in de rekenles. Ze vroegen bij de Kennisrotonde van ICT op school subsidie voor taakuren en begeleiding. Op eigen kosten schafte de school twintig laptops voor leerlingen aan.
Bij de start van het experiment beschikte de school al over de programma’s bij de rekenmethode Pluspunt en over het remediërende pakket Maatwerk rekenen. Samen is deze software redelijk dekkend voor de oefenstof in de lagere leerjaren. Een voordeel voor de school was, dat beide pakketten worden uitgegeven door Malmberg en daardoor een zeer vergelijkbare leerkrachtenmodule hebben. Ook konden de digitale toetsen van Pluspunt worden gebruikt.

Laptops voor de zwakke rekenaars

Ervaringsverslag (1)

In januari 2007 werd begonnen in één groep 5 (van de twee) op de school. Inge Veen was de leerkracht. Ik spreek met haar over haar ervaringen.

“Jij was de eerste, Inge. Hoe vond je het dat jij het spits moest afbijten?”
“Wel spannend. Maar ik had toen kinderen, die rekenen heel moeilijk vonden. En ik dacht dat het wel zou werken. Voor deze kinderen is het ook echt heel goed geweest.
We hadden twee keer een groep 5 op onze school. En bij het rekenen wisselden we kinderen uit. Ik had de 19 zwakke kinderen. En in de andere groep zaten de goede rekenaars, 25 kinderen.”

“Moesten de kinderen wennen aan het werken op de laptops?”
“Dat viel wel mee. De kinderen vonden het meteen heel erg leuk. Eigenlijk hielden ze niet zo van rekenen, omdat ze het vaak niet snapten. Dat was overigens op zich al beter geworden, omdat ik heel gestructureerd met hen werkte en ook voor afwisseling zorgde. Maar met die laptops was het een feest.
Toch hoorde ik op een gegeven moment wel kinderen zuchten, want de computer zei bij hen steeds: “Ben je er nog?” Het waren van die dromertjes. Of de computer zei te vaak: “Het is niet goed. Probeer het nog een keer.” Sommige opdrachten zijn ook best pittig.
Maar dat was in het begin. De kinderen hebben geleerd, ook door die laptops, om veel meer door te werken. Om zich beter te concentreren.”

“Hoe vaak werkten de kinderen op de computers?”
“Bijna elke dag. Maar ik liet ze nooit de hele les op de laptop werken, omdat dat te lang is. Dus ik deed meestal eerst een inleiding, daarna werkten ze op de laptop en dan was er een afsluiting. Ik eindigde bijvoorbeeld met een instructie voor de hele groep of we deden iets gezamenlijk. En om het werken op de laptop niet te lang te laten duren, gaf ik de kinderen de opdracht om eerst een opdracht uit het boekje te doen en dan pas op de laptop te beginnen.
Ondertussen werkte ik dan met kleine groepjes aan de instructietafel. Ik had binnen mijn 19 leerlingen twee niveaugroepen. Want er waren ook kinderen, die nog de stof van groep 4 deden. En daarnaast waren er dan natuurlijk nog de leerkrachtgebonden lessen.”

“Kon iedereen de opgaven aan?”
“Soms was het voor kinderen wel eens moeilijk om ergens doorheen te komen. Maar als het dan lukte, waren ze heel blij. “Ik heb hem nu wel op slot,” vertelden ze dan. Als zo’n 75 procent van de sommen goed gemaakt is, gaat er namelijk een slotje op de oefening.
Ik pas mijn eisen ook aan het kind aan. Bij deze kinderen vond ik 60 procent vaak al goed genoeg. Dus dan deed ik de opdracht gewoon op slot.
Nu moet het andersom, want ik heb nu goede rekenaars. Er zijn bijvoorbeeld opdrachten met de getallenlijn, die heel goed voor de kinderen zijn. Als ik dan zie dat ze 80 procent van de opgaven goed hebben, dan weet ik dat ze het heus wel beter kunnen. In zo’n geval haal ik het slotje er gewoon weer af en dan moeten ze nóg een keer.”

Dit jaar een gemengde groep

Ervaringsverslag (2)

Inge Veen vertelt verder over haar ervaringen.

“Inge, jij hebt dit jaar wéér groep 5. Doe je het nu anders?”
“Dit jaar is er maar één groep 5. Ik heb nu 29 kinderen in de groep en die kunnen behoorlijk rekenen. Als ik zo veel zwakke rekenaars zou hebben als vorig jaar, dan weet ik niet hoe ik het zou moeten organiseren. Nu heb ik maar vijf zwakke rekenaars. En die kan ik regelmatig aan de instructietafel nemen.
De andere kinderen zijn ondertussen geconcentreerd bezig. Ik loop wel rond om te kijken of ze goed bezig blijven, maar dat is eigenlijk niet eens nodig. Ik hoef in ieder geval nooit meer te zeggen dat ze stil moeten zijn.
Ik heb nu vijftien laptops voor mijn groep. Ik heb twee groepen gemaakt – groep 1 en groep 2 – en elk kind werkt de helft van de tijd op de computer. Ik zeg vooraf hoeveel minuten iedereen heeft. Ze zitten met vier kinderen bij elkaar: twee kinderen die op de laptop werken en twee kinderen die in hun schrift werken. Wisselen gaat heel soepel. Binnen een paar minuten zitten ze allemaal weer te werken. En de concentratie is beter dan ooit.
Ik heb ook elke week een of twee lessen, waarbij we de laptops niet gebruiken. Dan laat ik de kinderen samenwerken en zorg ik ervoor dat er veel interactie is.”

“Je hebt dus nu maar laptops voor de halve klas?”
“Ja, maar als ik meer laptops zou hebben, zou ik het nog zo doen. De kinderen wisselen halverwege en daardoor duurt het minder lang. Er is meer afwisseling. Organisatorisch is het ook onhandig om tegelijk 29 laptops op te laten starten. Soms doet er eentje het niet goed en dan moet je toch even kijken.
We hadden laatst een dag, dat alle laptops wel vier keer opnieuw moesten opstarten, voordat ze het deden. Dat heeft te maken met de wireless verbinding. Toen heb ik tegen de kinderen maar gezegd, dat ze de laptops aan de kant moesten zetten. Zoiets komt gelukkig niet vaak voor. De kinderen weten bovendien zelf precies hoe ze de laptop opnieuw moeten opstarten, als hij het niet goed doet.”

“En de software werkt goed?”
“Af en toe zitten er foutjes in. Dan zegt de computer bijvoorbeeld: “Jammer. Dit is het goede antwoord.” En dan is dat het antwoord, dat het kind net heeft gegeven. Er zijn ook een paar opdrachten, die de kinderen niet af kunnen krijgen, omdat de tijd te kort is. Maar dat soort dingen komt maar af en toe voor. We zullen het doorgeven aan de uitgever.
Ik voer tegenwoordig zelf eerst alle opdrachten uit, voordat ik de kinderen eraan laat beginnen. Dat deed ik vorig jaar nog niet. Het was voor mij toen allemaal nog nieuw en ik had er geen tijd voor. Toen was ik nog heel druk bezig met nakijken, maar daar ben ik nu efficiënter in geworden. Ik heb nu tien kinderen meer, maar ik heb niet het gevoel dat het me veel meer tijd kost.
Wat ik met zo veel leerlingen in de klas wél jammer vind, is dat ik niet altijd genoeg tijd heb om met elk kind apart de toets door te kijken. Ik laat de kinderen altijd op het scherm zien hoe ze hun toets hebben gemaakt.”

“Jullie gebruiken de software van Pluspunt en van Maatwerk rekenen. Heb je daar genoeg aan?”
“Vorig jaar wel, al zou ik bij bepaalde typen sommen graag nog veel meer opdrachten willen hebben. Sommen op de getallenlijn bijvoorbeeld. Dit jaar heb ik vooral behoefte aan verrijkingsstof. Maar daar gaan we het Rekenweb voor inzetten.”

“Laatste vraag: hoe gebruik jij de toetsen, Inge?”
“Een paar dagen vóór de toets laat ik inschrijven voor extra instructie. KinderPOP noemen we dat: persoonlijk ontwikkelingsplan voor kinderen. De kinderen beslissen dan zelf of ze nog extra instructie nodig hebben. De helft van de kinderen schrijft zich nooit in voor die instructie. Terecht, want die kinderen halen dan 95 procent of zo. Zij mogen de toets een dag eerder doen, terwijl ik met de andere kinderen werk aan de instructietafel.
Alles bij elkaar is het een heel georganiseer, maar het is niet ingewikkeld.”

Nota bene. Zie in dit verband ook het artikel KinderPOP: persoonlijk ontwikkelingsplan voor kinderen (van Tjeerd Mijnster), dat is opgenomen in Praxisbulletin, 22ste jaargang, nummer 6 (februari 2005).

De ICT moet wél goed op poten staan!

Ervaringsverslag (3)

Ronald Jansen is directeur van de Piet Mondriaanschool en de drijvende kracht achter het project. Ik spreek met hem over zijn ervaringen.

“Ronald, vertel eens iets over de voorgeschiedenis.”
“Ik kwam uit het bedrijfsleven. En het viel mij meteen op dat ICT in het onderwijs anders gebruikt werd dan in een bedrijf. Het werd haast nooit als hulpmiddel gebruikt, dat je werk uit handen neemt. Op onze school was het vooral een aardigheidje, een beloning voor kinderen die klaar waren met hun normale werk. Daarnaast gebruikten ze de computer voor het opzoeken van informatie voor spreekbeurten.
We wilden de computer echt inzetten als hulpmiddel bij het onderwijs. En met leerkrachtgebonden software, zoals die van Maatwerk en Pluspunt, kan dat ook.”

“Hoe loopt de organisatie?”
“Het aantal laptops op de school is nu zo groot, dat groep 5, de combinatiegroep 5/6 én groep 6 tegelijkertijd de computers kunnen gebruiken. Dus tussen kwart voor negen en kwart voor tien wordt er gerekend. En elke klas heeft zo veel laptops, dat er een halve groep aan de slag kan.
Het loopt allemaal vrij soepel. Alleen was het lastig, dat de laptops soms uitvielen. Elke computer heeft een wireless verbinding met de server. En dat betekent, dat er bij het begin van de rekenles wel vijftig laptops contact met de server kunnen zoeken. Om dat hele systeem op te zetten, heeft nogal wat voeten in de aarde gehad. Gelukkig hebben we een van de ouders als systeembeheerder, die dat soort dingen allemaal kan. De ICT moet natuurlijk wél goed op poten staan.
De laptops staan in een kar. En de kinderen kunnen ze zelf pakken. De muizen en de koptelefoons zitten in een kunststof bakje. Je moet de kinderen wel leren hoe je met de spullen om moet gaan. Bijvoorbeeld eerst de laptop terugbrengen en dan het bakje halen. En dus niet lopen met de laptop in je ene hand en met het bakje in je andere hand.”

“Wat kun je zeggen over het effect van het werken met de computers?”
“Daar kun je natuurlijk nog niet zo veel over zeggen. De kinderen van vorig schooljaar waren vooruitgegaan op de Cito-toets, maar je weet niet hoeveel daarvan door de laptops komt. We hebben gevraagd aan Kennisrotonde of iemand bij ons onderzoek kon doen, maar dat is afgewezen, omdat een dergelijk onderzoek al eens was gedaan. Oefenen op de computer lijkt een positief effect op de prestaties te hebben.
Wat we zelf zien, is dat de concentratie van de kinderen veel beter wordt. Ze werken langer, met meer plezier en heel geconcentreerd. Bovendien krijgen ze direct feedback. Het is teleurstellend als je je schrift terugkrijgt en je hebt een heleboel rode strepen. Wat natuurlijk ook heel belangrijk is, is dat de kinderen zeggen dat ze rekenen nu leuker vinden. Vooral zwakke rekenaars. En dat is heel positief, omdat die niet snel enthousiast te maken zijn voor rekenen.”

“Dus wat is jullie oordeel?”
“Wij zijn ervan overtuigd dat met gericht inzetten van laptops veel winst te behalen valt. Iedereen ziet de voordelen, zowel de kinderen, de ouders als de leerkrachten. Leerkrachten die nog niet met laptops werken, vragen wanneer zij aan de beurt zijn. Ons streven is om het werken met laptops dit jaar uit te breiden naar groep 4 en groep 7. Daarna komen de laatste groepen aan de beurt.”

Laptops voor de halve klas

Bescheidener inzet

Het project op OBS Piet Mondriaan lijkt geslaagd. De leerlingen hebben meer plezier in het rekenen en ze werken geconcentreerder. Een belangrijke factor daarbij is waarschijnlijk, dat ze direct feedback krijgen op wat ze doen.
Ook de leerkrachten hebben voordeel van de laptops, want zij kunnen groepjes (of individuele) leerlingen instructie geven, terwijl de andere kinderen zelfstandig bezig zijn. Bovendien hebben ze minder nakijkwerk en houden ze beter zicht op welke instructie een kind nodig heeft.
Interessant is, dat de school dit tweede jaar gekozen heeft voor een iets bescheidener inzet van de computer: niet meer een laptop voor elk kind, maar voldoende laptops voor de halve klas. Dat betekent, dat de leerlingen – naast het oefenwerk op de computer – ook werken uit hun rekenboek.
Voordelen

Zo’n bescheidener inzet heeft een paar belangrijke voordelen:

• De computer dwingt namelijk tot veel concentratie. En dat maakt twintig minuten oefenen op de laptop al behoorlijk lang. In eigen tempo uit het boek werken is dan een goede afwisseling.

• Het betekent bovendien, dat er niet voor elk onderdeel van de stof een computerprogramma hoeft te zijn. De computer kan vooral worden ingezet voor basisvaardigheden, die veel oefening nodig hebben.

• De computer heeft overigens niet alleen oefenstof te bieden. Op het Rekenweb (www.rekenweb.nl) staan bijvoorbeeld allerlei taken en opdrachten, die meer in de sfeer van probleemoplossend werken liggen. Eén laptop per twee kinderen is daarbij geen probleem, want het is goed om kinderen dat soort opgaven in tweetallen te laten doen.
In de toekomst wil OBS Piet Mondriaan ook het Rekenweb systematisch gaan inzetten. Maar voorlopig ligt de nadruk nog op het oefenen. En of laptops daar nuttig bij zijn, daar zijn ze op OBS Piet Mondriaan van overtuigd!

Veel succes!