Het is eind september. Trekvogels langs de kust van Nederland worden onrustig. Zodra er één vogel opvliegt, vliegt de hele groep erachteraan. Nog niet zo lang geleden zijn ze aangekomen uit de broedgebieden in het noorden. Nu vliegen ze alweer verder naar het zuiden. Op weg naar warmere streken om te overwinteren.
Het leven van een trekvogel heeft alles in zich om mooie lessen natuuronderwijs en wereldoriëntatie te geven: verwondering over de natuur, kennis van landen en gebieden, bewustwording van aanpassingen van een dier aan de omgeving, ervaringen met activiteiten in de natuur… Bovendien is het voor leerlingen herkenbaar en dicht bij huis. Via de lessen wordt het belang van de Nederlandse kust duidelijk. Daarbij worden de leerlingen zich bewust van al het leven in en op het slik. En er ontstaat waardering voor de kleine vogels, die tot zo’n grote reis in staat zijn.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Project

Vogeltrackers is een project, uitgevoerd door natuurcentra langs de Nederlandse kust (van de Waddeneilanden tot aan Zeeland). Het project bestaat uit:
– de website www.vogeltrackers.nl (met informatie, spelletjes en lesmateriaal);
– een leskrant (met een bordspel en trekvogelweetjes);
– en een gratis veldwerkprogramma bij een kustcentrum in het leefgebied van de trekvogel.
Via het project wordt het wetenschappelijk onderzoek naar trekvogels in beeld gebracht en uitgelegd.
In dit artikel zijn twee kant-en-klare lessen uitgewerkt voor de bovenbouw. Meer informatie is te vinden op de website www.vogeltrackers.nl.

Doelen

De doelen van het project zijn als volgt samen te vatten:
– Leerlingen krijgen zicht op het leven van de trekvogel, de trektocht en de gebieden waar de trekvogels voorkomen.
– Leerlingen kunnen na afloop aangeven waarom het waddengebied en de Zeeuwse delta belangrijke gebieden zijn voor de trekvogel. (Trekvogels kunnen hier namelijk uitrusten en vinden er eten tijdens hun trektocht.)
– Leerlingen maken kennis met het begrip voedselketen. Ze zijn zich ervan bewust dat alle onderdelen in een gebied met elkaar verbonden zijn. (De trekvogel is een belangrijk eindpunt van de voedselketen van het slik.)
– Leerlingen leren naar vogels te kijken en ze te herkennen in hun directe omgeving. Ze worden zich ervan bewust dat eigenschappen heel vaak aanpassingen zijn aan de omgeving (om optimaal te kunnen overleven).

Achtergrondinformatie bij de lessen

De trektocht

De grote tocht door trekvogels – van overwinteringsgebied naar broedgebied (en terug) – roept nog altijd verwondering op. Veel van de kusttrekvogels overwinteren voor de kust van Mauritanië (West-Afrika). In het voorjaar vliegen ze dan via West-Europa naar de broedgebieden.
De Nederlandse kust is een belangrijke tussenstop, op zowel de heen- als de terugreis. In de slikrijke gebieden vinden veel kustgebonden trekvogels hun voedsel. (Bijvoorbeeld: wadpieren, vissen, kreeftachtigen en schelpdieren.) Ook zijn deze gebieden uitgestrekt en rustig, zonder veel menselijke invloed, zodat trekvogels er kunnen uitrusten.
Nota bene. In de internetuitbreiding bij dit artikel zijn in dit verband twee afbeeldingen opgenomen: een kaart van de vogeltrek én een doorsnede van de wadbodem (met bodemdieren).
Na een korte rustpauze trekken de vogels naar de broedgebieden in het noorden. Dit zijn vaak plekken, waar het ijs net weg is. Op het moment dat de eieren uitkomen, zijn daar zeer veel insecten. En die vormen belangrijk voedsel voor de groei van de jongen. Opvallend is dat sommige soorten trekvogels alleen maar insecten eten in het broedgebied. Voor de kust van Nederland en West-Afrika eten ze iets anders, namelijk bodemdieren van het slik.
Vogels kijken

Vogels kijken is mooi en interessant, zeker als je iets meer over de achtergrond van de vogels weet. Vogels zijn heel geschikt om het verschil tussen soorten te zien. Ook kun je aan de hand van kenmerken van vogels heel goed uitleggen dat elke eigenschap een aanpassing van de soort is aan de omgeving.
Zo heeft elke vogelsoort een eigen soort prooi. De snavel heeft zo’n vorm (of lengte), dat de vogel precies die prooi te pakken kan krijgen. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de wulp, die met een lange, kromme snavel wadpieren uit de diepe modder omhoog kan halen. Of naar de lepelaar, die met zijn (of haar) karakteristieke snavel visjes en kreeftachtigen uit het ondiepe water kan halen. Door de lange poten houdt de lepelaar de veren droog.
Een heel bijzondere aanpassing is ook de maag van de kanoetstrandloper (kortweg: kanoet). De grootte van die maag wisselt namelijk. In het broedgebied eet de kanoet insecten, die makkelijk verteerbaar zijn. (En dan is de maag klein.) In Nederland en in Afrika eet de kanoet hele schelpdieren, die met de maag gekraakt worden. (En dan is de maag groot en sterk.) Op reis is de maag van de kanoet niet nodig. (En dan is de maag ook heel klein.)
Andere, duidelijke aanpassingen zijn: zwemvliezen aan de poten, klauwen, camouflagekleuren, de vorm van de vleugels en de snavelvorm.

Les 1: vogels kijken

Doelen

Les 1 heeft de volgende doelstellingen:
– Leerlingen leren (met en zonder verrekijker) naar vogels te kijken. Ze kunnen minstens drie verschillende soorten vogels van elkaar onderscheiden en ook vertellen aan welke eigenschap ze de verschillende soorten kunnen herkennen. (Bijvoorbeeld: de vorm van de snavel, de poten, de vleugels, de kleuren, de grootte.)
– Leerlingen kennen de begrippen trekvogel, wintergast, zomergast, doortrekker en standvogel.
Materialen

Voor les 1 zijn de volgende materialen nodig:
– pen en/of potlood;
– (eventueel) een verrekijker;
– vogelboekjes (of computers met internetaansluiting);
– werkbladen (te downloaden via de website www.vogeltrackers.nl).

Tijdsduur

Voor les 1 hebt u ongeveer 45 minuten nodig: inleiding (5 minuten), buitendeel (30 minuten) en nabespreking (10 minuten).

Inleiding

• In de inleiding peilt u welke vogels de leerlingen herkennen. (“Wie denkt er meer dan drie vogels te kunnen herkennen?” “Wie kan er meer dan vijf herkennen?” “Wie kan er een vogelnaam noemen van een vogel die je herkent?”)

• Dan noemt u een aantal namen. De leerlingen steken hun hand op, als ze denken een naam te herkennen. Ga van eenvoudige soorten naar steeds moeilijkere. Leg uit dat het eigenlijk helemaal niet zo belangrijk is om per se te weten hoe een vogel heet, maar dat het wél leuk is om op de verschillen tussen vogels te letten.
“Waar kun je op letten om vogels te herkennen?” Als antwoord kunnen de volgende zaken genoemd worden:
– De kleur. (Als voorbeeld van een duidelijk verschil in kleur kunnen het roodborstje en de koolmees worden genoemd.)
– De snavel. (Bijvoorbeeld het verschil tussen een snavel van een valk en een eend. Er is verschil in lengte én vorm.)
– De grootte van de vogel. (Bijvoorbeeld een meeuw en een mus.)
– Het geluid. (Denk aan de koekoek, de uil, de grutto en de specht.)
– Het gedrag. (Merels zie je vaak tussen de bladeren op de grond scharrelen, terwijl je spreeuwen vaker in een groep door de boomtoppen ziet vliegen.)

• “Kunnen jullie aan een vogel ook zien of het een wintergast is?” “Wat is dat eigenlijk, een wintergast?” En: “Wat is dan een standvogel? En wat is een trekvogel?” U legt de principes uit. (Zie het kader hieronder.)

Principes

– Trekvogels zijn vogels, die zich over grotere afstanden verplaatsen in verschillende seizoenen. Ze broeden en overwinteren op verschillende plekken.
– Standvogels blijven het hele jaar door in hetzelfde gebied.
– Winter- en zomergasten zijn vogels, die alleen in de winter (of alleen in de zomer) in een bepaald gebied aanwezig zijn.
– Doortrekkers zijn vogels, die gedurende hun trektocht maar kort aanwezig zijn in een gebied (of zelfs alleen maar langs vliegen).

• Na de inleiding geeft u uitleg over het kijken met een verrekijker. (Zie het kader hieronder.) Daarna gaan de leerlingen naar buiten met een invulformulier, een verrekijker en een potlood.
Nota bene. In de internetuitbreiding bij dit artikel is het vogeltrackersveldwerkboekje eenvoudig te downloaden en te vermenigvuldigen voor uw groep.

Instructie bij het kijken met een verrekijker

Manier van scherpstellen

• Richt de verrekijker op een voorwerp op ongeveer 50 m afstand.
• Sluit je rechteroog en draai met de middenschroef tot je met je linkeroog het voorwerp
scherp ziet.
• Sluit vervolgens je linkeroog en draai aan de ring vlak voor het rechteroog tot je ook dan scherp ziet.
• Vervolgens kun je met beide ogen kijken en scherpstellen via de schroef in het midden.
Voorwerp in beeld krijgen

• Kijk eerst zonder verrekijker naar het voorwerp dat je wilt zien. (Bijvoorbeeld een
poster in het lokaal.)
• Houd je blik daarop gericht en zet de verrekijker voor je ogen terwijl je blijft kijken. Dan zie je hetzelfde voorwerp vergroot.

Oefenen

• Noem iets waar de leerlingen op moeten scherpstellen (veraf en dichtbij, buiten en
binnen het lokaal).
• Leerlingen proberen dat dan zo snel mogelijk scherp in beeld te krijgen.

Afronding

Terug in het lokaal kunt u de volgende vragen gebruiken om de les af te ronden:
– Hoeveel verschillende vogels hebben de leerlingen gezien? (Namen zijn daarbij niet het belangrijkste.)
– Vonden de leerlingen de vogels mooi (of lelijk, raar of bijzonder)?
– Waaraan hebben ze een vogel herkend?
– Waarom heeft een vogel een bepaalde kleur? Is die hetzelfde bij het mannetje als bij het vrouwtje?
– Kon je aan de snavel zien wat de vogel at?
– Hebben de leerlingen verschillende soorten poten gezien? Waarom hebben vogels verschillende poten?
– Hebben de leerlingen een idee of de vogels die ze gezien hebben trekvogels (of wintergasten of standvogels) waren? Gebruik eventueel internet of een vogelboek om dit op te zoeken.
Nota bene. Op de website www.vogeltrackers.nl kunnen de leerlingen de waargenomen vogels invoeren. Ze zien dan meteen hoe vaak een bepaalde vogel de afgelopen periode is gezien.

Les 2: wadvogels, wat eten ze?

Doelen

Les 2 heeft de volgende doelstellingen:
– Leerlingen weten waarom het wad belangrijk is voor trekvogels.
– Leerlingen kennen een aantal prooisoorten van trekvogels en de voedselketen waar ze onderdeel van uitmaken.

Materialen

Voor les 2 zijn de volgende materialen nodig:
– pen en/of potlood;
– werkblad Voedselweb.

Tijdsduur

Voor les 2 hebt u ongeveer 45 minuten nodig.

Inleiding

Leg uit dat er in de lente (en in de herfst) heel veel vogels langs de kust van Nederland landen. Ze komen uit het noorden (of uit het zuiden) en trekken na een paar dagen weer verder. Stel vragen als:
– Waar trekken de vogels in de lente naartoe: naar het noorden of naar het zuiden?
– Wat gaan ze daar doen?
– En in de herfst?

Vervolg

• Voor de leerlingen is er daarna het werkblad Voedselweb, dat u eenvoudig kunt downloaden in de internetuitbreiding bij dit artikel, waarna u het kunt vermenigvuldigen voor uw groep.
• Als afsluiting van de les kan met de hele klas de Wadtwister worden gespeeld. (Zie voor werkwijze en aandachtspunten het kader hieronder.)

Wadtwister

• Het is het eenvoudigst om een Twisterspel te gebruiken.
• Plak papiertjes op de cirkels van het Twisterkleed, met daarop een aantal namen van organismen uit de voedselketen (of beter: energieketen) van de Waddenzee (geel = zon, groen = plantjes, blauw = nonnetjes, rood = kanoet).
• Als er geen Twisterspel aanwezig is, kunnen de namen op A4’tjes (of papieren cirkels) worden geschreven en stevig op de grond worden geplakt.
• De draaischijf van het spel kan uiteraard gebruikt worden. Maar ook die kan eenvoudig zelf gemaakt worden. (Zie de internetuitbreiding bij dit artikel. De pijl wordt van dikker karton gemaakt dan de draaischijf en wordt met een splitpen bevestigd.)

200809wadtwisterschijf-klein

• Let op! De leerlingen op de speelvloer mogen de kleuren op de draaischijf niet zien. Degene die draait, roept alleen het organisme dat bij de kleur hoort. De leerlingen op de vloer bedenken dan welke prooi erbij hoort. (Leg uit dat de zon natuurlijk niet echt gegeten wordt, maar wél de energiebron is voor de planten.)
• Werkwijze
– Een leerling draait zijn (of haar) linkerhand bijvoorbeeld op rood en zegt: “De linkerhand moet op wat de slechtvalk eet.” (Het antwoord is: kanoeten. De kinderen op de vloer moeten op de kanoeten gaan staan/hangen, enzovoort.)
– Als de leerling blauw draait, is de vraag: “Wat eten de kanoeten?” (Antwoord: nonnetjes.)
– Als de leerling groen draait, is de vraag: “Wat eten de nonnetjes?” (Antwoord: plantjes.)
– En als de leerling geel draait, is de vraag: “Wat “eten” de plantjes?” (Antwoord: zon.)

Tot slot

Ik hoop dat u na deze twee voorbeeldlessen nog steeds niet genoeg hebt van trekvogels. Veel begeleidend materiaal, werkbladen en suggesties voor uitbreiding van dit thema vindt u nog in de internetuitbreiding bij dit artikel en op www.vogeltrackers.nl.

Veel plezier met dit project!