Slakken zijn bijzondere dieren. Tweeslachtig, zonder poten, maar wél met een aantal organen, die mensen ook hebben. Je komt ze, met en zonder huisje, op veel plekken tegen. Ook in de groene omgeving van de school. Wat voor invloed heeft het weer op de aanwezigheid van slakken? Waar blijven ze als de zon schijnt? Hoe bewegen ze zich voort? Hoe snel zijn ze? Waar dient dat slijm voor? En wat lusten ze het liefst?
We kíjken in dit artikel niet alleen naar slakken, maar we gaan er ook mee aan de slag! Dat kan buiten de school. Maar slakken zijn ook heel goed in een oude aquariumbak te houden. Leerlingen krijgen veel informatie over slakken, maar daarnaast kunnen ze ook aan de slag met opdrachtkaarten en proefkaarten.

27-07-05-01

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Uitbreidingen

Slakken in de school

Slakken zijn dieren, die gemakkelijk een tijdje in de school gehouden kunnen worden. Bijvoorbeeld in accubakken of in oude aquariumbakken.
Vul twee bakken met potgrond (een laagje van 10 cm is voldoende) en maak de grond vochtig. In feite is daarmee de basisopstelling klaar. Doe in iedere bak een laag tuinafval (bladafval). Gebruik één bak voor proefkaart 1 (Slakken: wat eten ze?) en één bak om te kijken wat de (huisjes)slakken doen als het droog is.
Leg in elke bak een groot blad (bijvoorbeeld een stuk van een rabarberblad), waar de slakken onder kunnen wegkruipen. Laat groepjes kinderen de zorg op zich nemen voor “hun” bak. En om te voorkomen dat de slakken de wijde wereld in trekken, kunnen de bakken worden afgesloten met een stuk vitrage of een deksel (met gaatjes).

Werken met slakken: opdrachtkaarten en proefkaarten

In de internetuitbreiding bij dit artikel vindt u vijf opdrachtkaarten en vijf proefkaarten. Afhankelijk van het aantal leerlingen dat u in uw groep hebt, kunt u de kaarten downloaden en daarna meerdere malen kopiëren, waardoor verschillende groepjes (van 2-4 leerlingen) met dezelfde kaart aan de slag kunnen gaan. Aan iedere opdracht- en proefkaart kunt u een bepaalde tijd koppelen. Als opdrachten of proefjes zijn uitgevoerd, worden de kaarten aan de volgende groepjes doorgegeven. Of een groepje gaat verder met de kaart, die op dat moment beschikbaar is.

Inleiding: natuurles over slakken

Als inleiding op de opdrachten en de proefjes kunt u tijdens een natuurles (delen van) de volgende informatie met de kinderen bespreken. De opdrachtkaart of proefkaart, die gekoppeld is aan een bepaald stuk informatie, staat steeds bij het betreffende informatieblokje vermeld.

Tuinweer: slakkenweer!

Informatie

De twintigste mei was een mooie zaterdag met lekker lenteweer. De IJsheiligen met hun koude nachten waren voorbij. En eindelijk kregen de mensen het heerlijke gevoel, dat de jassen uit konden. Het gevoel, dat bij de lente hoort.
In het tuincentrum was het druk. Mensen waren blij. Blij, omdat het zulk mooi weer was. Dozen vol plantjes verhuisden van het tuincentrum naar de kofferbak van de auto.
In de nacht van zaterdag op zondag bleef het zacht weer. Het miezerde alleen een beetje.De tuinliefhebbers wreven zich in de handen: heerlijk, die motregen en zo goed voor de pas geplante plantjes, want die houden wel van een lekker buitje!
Maar zij niet alleen! De volgende morgen waren in veel tuinen de net gekochte afrikaantjes, dahlia’s en slaplantjes verdwenen! Je kon soms niet eens meer zien waar ze gestaan hadden! Slakken, slakken!

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: proefkaart 1 (Slakken: wat eten ze?).

IJsheiligen

Informatie

In maart en april kun je nog te maken hebben met stevige nachtvorst. Maar in mei is dat al een stuk minder. Naarmate de maand mei vordert, worden de nachten over het algemeen warmer. Alleen in de tweede week van mei komen vaak een aantal nachten voor, die kouder zijn. Die dagen (11, 12, 13 en 14 mei) worden daarom de IJsheiligen genoemd. Genoemd naar de heiligen Sint Mamertus, Sint Pancratius, Sint Servatius en Sint Bonifatius, die respectievelijk op 11, 12, 13 en 14 mei hun naamdag hebben. Vaak poten mensen daarom planten die vorstgevoelig zijn pas ná de IJsheiligen!

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: proefkaart 2 (Slakken en het weer).

Slakken zijn weekdieren

Informatie

Zoogdieren – zoals konijnen, leeuwen, vleermuizen en eigenlijk ook mensen – hebben een inwendig skelet. Een flink aantal botten en botjes, die zorgen dat hun lichaam niet als een pudding in elkaar zakt.
Zo’n 95 procent van alle dieren heeft helemaal geen inwendig skelet. En tóch kunnen ze zich voortbewegen. Soms kunnen ze dat, omdat de buitenkant van hun lichaam stevig is (zoals bij kevers en schildpadden). Je zou dat een uitwendig skelet kunnen noemen.
Slakken hebben een stevige huid, die hun organen bij elkaar houdt. Het zijn weekdieren en behoren tot de 95 procent van de dieren, die géén inwendig skelet hebben. Slakken zijn de enige weekdieren, waarvan er een aantal op het land leven. Maar de meeste weekdieren – waaronder ook veel slakken – leven in zoet, brak of zout water.

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 1 (Dieren mét en dieren zónder inwendig skelet).

Naaktslakken en huisjesslakken

Informatie

Naaktslakken hebben géén huisje, maar een stevige huid en een gespierde voet, waarmee ze kruipen. Huisjesslakken dragen wél een huisje op hun rug mee. Dat huisje, dat beschouwd wordt als een uitwendig skelet, is voor het grootste deel gemaakt van kalk.
Als je twintig huisjes vindt, dan zijn ze bijna allemaal verschillend. Maar ondanks die verschillen gaat het toch steeds om dezelfde slak! Je kunt een slakkenhuisje vergelijken met de schelpen van andere weekdieren (zoals oesters en mosselen).

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 2 (Slakkenhuisjes verzamelen).

Naaktslakken en huisjesslakken

Informatie

Naaktslakken hebben géén huisje, maar een stevige huid en een gespierde voet, waarmee ze kruipen. Huisjesslakken dragen wél een huisje op hun rug mee. Dat huisje, dat beschouwd wordt als een uitwendig skelet, is voor het grootste deel gemaakt van kalk.
Als je twintig huisjes vindt, dan zijn ze bijna allemaal verschillend. Maar ondanks die verschillen gaat het toch steeds om dezelfde slak! Je kunt een slakkenhuisje vergelijken met de schelpen van andere weekdieren (zoals oesters en mosselen).

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 2 (Slakkenhuisjes verzamelen).

Kijken naar slakken

Informatie

Veel mensen vinden slakken maar vieze beesten, terwijl ze eigenlijk heel bijzonder zijn. Op hun kop zitten twee “lange” tentakels, met aan de uiteinden de ogen. Daaronder zitten twee kleinere tentakels. Voelen en tasten is voor een slak belangrijker dan kijken. De lange en de korte tentakels zijn heel gevoelig. Al bij een heel lichte aanraking trekt de slak zijn tentakels in en stopt met kruipen. Als de slak denkt dat de kust veilig is, komen de tentakels weer naar buiten en vervolgt hij zijn route.
Slakken zijn zowel man als vrouw: ze hebben een penis én een vagina. Tijdens de paring worden beide slakken bevrucht! Na de paring worden de bleke, ronde en doorzichtige eitjes (met een doorsnede van een paar millimeter) afgezet, vaak in de grond of verstopt tussen afval. Als je een tuinliefhebber bent, kom je regelmatig hoopjes eitjes tegen. Die eitjes vormen weer een smakelijk hapje voor padden en kevers. En dat vinden tuinliefhebbers prima. Want als die eitjes niet zouden worden opgeruimd, dan zouden er nóg meer slakken in hun tuin komen!
Achter de kop van de slak zitten twee kleine ademhalingsopeningen. En verder heeft een slak – net als de mens – een maag en een hart. Hij heeft overigens nog meer “menselijke” organen. Maar misschien vindt u dat geen prettige gedachte!

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 3 (Slakken van binnen en van buiten).

Kruipen en klimmen

Informatie

Als je een slak oppakt, dan voelt die plakkerig. De huid is bedekt met een laagje slijm. Het slijm kun je moeilijk van je handen wassen. En dat is voor de slak maar gelukkig ook! Het slijm zorgt namelijk voor houvast. Bovendien fungeert het als glijmiddel: want als je géén poten hebt, moet je wat anders bedenken! Dankzij het slijm én de sterke, gespierde voet van de slak, waarmee golvende bewegingen gemaakt worden, kan de slak zonder problemen over ruwe en scherpe oppervlakken kruipen!

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie horen: proefkaart 3 (Slakken: hoe bewegen ze?) en proefkaart 4 (Op een slakkengangetje).

Eten en gegeten worden

Informatie

Slakken houden vooral van plantenafval. Oud blad, een afgebroken stengeltje, blaadjes van uitgebloeide bloemen: slakken smullen ervan. Ze nemen overigens geen happen zoals wij. Hun mond bestaat uit een groot aantal raspjes, waarmee ze telkens een rand van een blad “afschrapen”. Ook algen (de groene aanslag die je ziet op tegels, stenen en andere materialen) worden gegeten. Slakken eten soms algen en dan zie je daarna een “schoon spoor” over stenen, die verder groen zijn!
Slakken zijn echte afvalopruimers in de tuin en in de natuur. Ze verkleinen het afval, waardoor het geschikt wordt als voedsel voor andere, kleinere organismen (zoals schimmels en bacteriën). Slakken kunnen cellulose afbreken: een stof, waaruit planten opgebouwd zijn en die moeilijk afbreekbaar is. Je zou het niet zeggen als je ze ziet, maar slakken vormen een onmisbare schakel in het totale afbraakproces in de tuin en in de natuur!
De slak is eigenlijk dus ontzettend nuttig! Maar desondanks is hij toch geen vriend van de tuinliefhebber. Want slakken eten ook graag wat anders dan afval. En geef ze eens ongelijk. Verandering van spijs doet eten. En dat geldt niet alleen voor mensen!
Slakken eten graag jonge sierplantjes en malse groenten (zoals sla). Maar ook van een hosta (een tuinplant, die vooral vanwege zijn mooie blad gekweekt wordt) blijft na een paar vochtige dagen niets over. En juist daarom hebben tuinliefhebbers zo’n hekel aan slakken. Ze bedenken van alles om ze uit de tuin te houden. Ze maken slakkenvallen met bier. (In het bier verdrinken de slakken!) Ze rapen slakken, als het vochtig weer is, om ze vervolgens uit te zetten in het openbare groen of in de natuur, ver van de tuin. Ze strooien gif of milieuvriendelijke slakkenkorrels…
Niet alle slakken eten (alleen maar) planten. Rond een platgetrapte slak zie je vaak meerdere andere slakken, die wel een hapje van hun zo jammerlijk verongelukte soortgenoot lusten! En ook opvallend is, dat slakken, die van giftige paddenstoelen eten, geen hinder van dat gif ondervinden!
Slakken hebben nogal wat vijanden. Maar die hebben meestal behoorlijk wat moeite om het aantal slakken in een tuin in de hand te houden. Egels, padden, kikkers, lijsters en sommige andere vogels (zoals reigers) smullen van slakken. Als een egel ’s avonds een slak pakt, hoor je het huisje kraken. En even later smakt de egel dan de slak naar binnen…

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 4 (Slakken en hun vijanden).

Gif

Informatie

Waarom moet je oppassen met het strooien van giftige slakkenkorrels? De slak eet ervan, wordt trager en is dan een gemakkelijke prooi voor slakkeneters. Die krijgen het gif vervolgens ook binnen. En als ze genoeg vergiftigde slakken eten, gaan ze zelf ook dood. Of ze leggen daarna onvruchtbare eieren, waar geen jongen meer uitkomen…
Een slak is een onderdeel van een voedselketen. En met gif kun je die voedselketen verstoren!

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: opdrachtkaart 5 (Slakken: eten en gegeten worden).

Warmte, droogte, kou en vocht

Informatie

Zonnewarmte en droogte: slakken kunnen er niet tegen. Ze drogen uit en verschrompelen. Ook zout heeft dat effect. Het zout onttrekt vocht aan de huid en aan het lichaam. (De slak bestaat voor het grootste deel uit water.) Het diertje verschrompelt tot een zielig slakkenhoopje. En het gevolg is een wrede, pijnlijke dood voor de slak! Het gezegde Op alle slakken zout leggen is hiervan afgeleid. Mensen die dat doen, hebben op alles wat aan te merken.
Slakken houden niet van zon. De zonnewarmte droogt, ondanks het slijm, uiteindelijk hun huid uit. Op warme, droge dagen houden ze zich daarom schuil. Naaktslakken zoeken een beschaduwde plek op. Ze kruipen onder een groot blad, tussen wat afval, onder een oude dakpan, die in de tuin is blijven liggen. Huisjesslakken trekken zich terug in hun huisje en sluiten de ingang af met een laagje slijm, dat opdroogt en taai wordt. Zo houdt de huisjesslak de warmte en de droogte buiten de deur. Tijdens een bui wordt het opgedroogde, taaie slijm dan weer zacht, waardoor de slak zijn huisje kan verlaten…

Aan de slag!

Bij bovenstaande informatie hoort: proefkaart 5 (Slakken: waar vind je ze?).

Tot slot: eet smakelijk!?

Sommige slakken zijn eetbaar. En er zijn dus mensen, die ervan smullen. De meeste eetbare slakken leven niet op het land, maar in het water. Er is één landslak, die erg in de smaak valt: de wijngaardslak. Die leefde wellicht ooit in wijngaarden, maar leeft nu op veel meer plekken en wordt in sommige landen zelfs speciaal gekweekt voor consumptie.
Dus voor degene, die nog wil: eet smakelijk! En veel plezier met dit spannende, maar o zo slijmerige slakkenproject!

Meer informatie

• KNNV (Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging), vereniging voor veldbiologie, Postbus 19320, 3501 DH Utrecht, www.knnv.nl.
• Nederlandse Malacolische Vereniging, Venuslaan 2, 3721 VG Bilthoven, www.spirula.nl.
• Informatief boekje: Frank Bos, Slakken in beeld, Uitgeverij KNNV, 2005 (ISBN 90 5011 205 6).
• Lesbrief: Reneé den Besten, Jakkes… Slakken!, op aanvraag te verkrijgen bij: KNNV, Postbus 19320, 3501 DH Utrecht.
• Zoekkaart: Landslakken van Nederland, uitgave: Nederlandse Malacolische Vereniging (ISBN 978 3 933922 65 6).
• Website: www.naturalis.nl/megalab.
• Leskist: Slakken, te leen bij IVN-consulentschappen.