Vierdelige serie over het maken van beeldende lessen rond prentenboeken. Interactief voorlezen, met een beeldend vervolg. Aflevering 1: over kleur, nuance, patroon en contrast. Met lessuggesties voor elke bouw.

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Artikel
Uitbreidingen

Inleiding

Wie denkt dat prentenboeken alleen geschikt zijn voor kleuters, die doet dit genre onrecht aan. De verhalen nemen ook oudere kinderen mee naar een wereld, waarin alles kan. De illustraties mag je gerust kunstwerken noemen, die uitnodigen om te onderzoeken. En er zitten vaak prachtige beeldende lessen in verstopt.
In een serie van vier artikelen – die allemaal zullen verschijnen in deze jubileumjaargang van het Praxisbulletin – ontdekt u welke prentenboeken geschikt zijn voor de midden- en bovenbouw en hoe u ermee aan de slag kunt. De serie start met: Ik voel een voet! *, van schrijfster Maranke Rinck en illustrator Martijn van der Linden.

Les 1 Midden in de nacht…

INTERACTIEF VOORLEZEN

Schildpad hoort iets ritselen. Hij is meteen klaarwakker. Wat zou het zijn? Hij maakt zijn vrienden wakker en een voor een gaan ze op onderzoek uit. Allemaal denken ze, dat het iets anders is wat ze horen…
U leest het verhaal niet in één keer helemaal uit. Stop met lezen bij de pagina, waar kinderen zélf kunnen bedenken wat er ritselt in het donker. Hoe ziet een Schild-muis-octo-vogel-bok eruit?

KLEUREN EN PATRONEN

Kijk samen goed naar de kleuren van de dieren en naar de patronen.
– Patronen
Wat is een patroon eigenlijk? Een patroon is een ordening van vormen. Het bestaat uit figuren, die regelmatig (of onregelmatig) geordend zijn op een grondvlak. Kinderen komen patronen dagelijks tegen. Bijvoorbeeld in kleding, gordijnen of op cadeaupapier. Wanneer is een patroon mooi?
– Kleuren
– Vertel, dat kleuren elkaars tegengestelde kunnen zijn en elkaar kunnen versterken, als je ze naast elkaar zet. Rood naast groen, geel naast blauw.
– Vertel ook over kleurnuances. Vleermuis bestaat bijvoorbeeld uit kleurnuances. Net als het schild van schildpad. De roodoranje tinten vormen wél weer een mooi contrast met zijn groene poten en blauwgroene kop. Welke nuances en contrasten zien de kinderen in de illustraties? Bespreek contrasten als licht-donker, warm-koud of veel-weinig (een stipje rood in een blauw vlak).
– Introduceer in de bovenbouw de begrippen kleurencirkel en complementaire kleuren. Geel en paars zijn complementair: zij liggen in de kleurencirkel tegenover elkaar. Naast elkaar vormen zij een complementair contrast.

BEELDEND VERVOLG

Na deze uitgebreide impressie gaan de kinderen aan de slag. Ze gaan zélf patronen maken. Hun fantasiedier krijgt in les 2 alle mogelijke kleurencombinaties. De kinderen experimenteren met oliepastel op kleine vellen wit papier. Ze vullen die geheel met eenvoudige patronen. Denk aan stippen, strepen en ruiten. Ze maken minstens vijf varianten voor de verschillende lichaamsdelen.

Les 2 Dieren maken

SPECIFIEKE VRAGEN

Alle patronen liggen in het midden van de klas. Samen kijkt u terug op de vorige les. U stelt specifieke vragen als:
– Welk patroon valt op?
– Waar komt dat door?
– Welke kleurencombinatie valt op? En waardoor?
– Welk patroon heeft bijzondere vormen?
– Welk patroon heeft complementaire kleuren?

VORM

Vervolgens richt u de aandacht van de kinderen op de vorm van de dieren in het boek. Op het digitale schoolbord laat u voorbeelden zien van een échte geit, een échte octopus enzovoort. Welke lichaamsdelen zijn kenmerkend voor het dier? Hoeven, klauwen of tentakels? Trouwens, de vleermuis in het boek heeft sokken aan!

LICHAAMSDELEN

De kinderen gaan lichaamsdelen knippen. Met die lichaamsdelen gaan ze een dier maken. Ze hoeven de lichaamsdelen dus niet eerst te tekenen! Direct knippen kan onverwacht mooie vormen opleveren. De losse lichaamsdelen leggen ze op zwart papier.
Hoe staat het dier op het vel? Kan het nog spannender? Kloppen de vormen en de verhoudingen? Denken de kinderen nog aan kleurcontrast? Al uw vragen helpen de kinderen om kritisch te zijn en zélf oplossingen te vinden.
Zijn ze tevreden? Dan mogen de kinderen de lichaamsdelen gaan opplakken. Ze bedenken een naam voor hun dier en schrijven die op een naamkaartje.

Ontknoping en reflectie

Vragen

Het is nu tijd geworden, om het boek verder uit te lezen! De kinderen zullen genieten van de grappige wending in het verhaal. Daarna bespreekt u het zelfgemaakte werk. U stelt vragen als:
– Welk dier valt op? En waarom?
– Welk werkstuk valt op door het gebruik van patronen?
– Welk dier is bijzonder fantasievol?
– Welk dier valt op door zijn vorm?
Over elk werkstuk wordt iets positiefs gezegd.

Werkproces

Ook het werkproces komt aan bod:
– Hoe heb je gewerkt?
– Wat vond je makkelijk? Of: wat vond je moeilijk?
– Wat doe je een volgende keer anders?
Reflecteren en elkaar complimenteren maakt het voor de kinderen tot een zeer waardevolle activiteit. U voldoet hiermee aan kerndoel 55: de leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen reflecteren.

Tot slot!

Tot slot moet ik u nog twee dingen melden:
– Ik voel een voet! is ook verkrijgbaar in een tactiele uitgave met brailleschrift. Deze editie is handgemaakt in India en elk exemplaar is uniek.
– In dit bladartikel is beschreven hoe u met het prentenboek aan de slag kunt gaan in de midden- en bovenbouw. Op praxisbulletin.nl vindt u de lessuggesties voor de onderbouw: maak met de kinderen een voelboek of een materieschilderij. Dus hier staat het beeldaspect textuur centraal.
Veel plezier met deze eerste aflevering!

Materiaallijst

– 5 vellen tekenpapier (niet te dun) per kind (2x A5-formaat, voor kop en romp; 3x A6-formaat, voor poten, oren, enzovoort);
– oliepastels
– zwart papier (A3-formaat, 200 grams);
– schaar en lijm.

Prentenboek

Maranke Rinck (tekst) & Martijn van der Linden (illustraties), Ik voel een voet!, Lemniscaat, Rotterdam, 2008. (ISBN 978 90 477 0026 5.)

Materieschilderij en Voelboek voor kleuters

Prentenboeken zijn betekenisvol. Niet alleen voor kleuters. In vier artikelen in Praxisbulletin leest u over prentenboeken die ook oudere kinderen aanspreken. U krijgt praktische tips om na het lezen beeldend met uw leerlingen aan de slag te gaan. In aanvulling op het artikel “Ik voel een voet” van Maranke Rinck en Martijn van der Linden, volgt hier een verdiepingsles voor de bovenbouw en een beeldende activiteit voor kleuters.

Materieschilderij

Kleur was het voornaamste beeldaspect in de eerste les. In deze les is dat textuur. Elk dier bestaat uit verschillende texturen en een fantasiedier al helemaal. Wat vindt u van een zachte vacht, gladde horens, ruwe poten en ribbelige hoeven? Het kan gekker, kijk maar naar deze afbeelding.

b4411179-d2b3-4197-9b86-5f9fe1c85898_pb-3001-dagvoet-1

Benodigdheden

Nodig (dure variant):
– Schildersdoek 30×40 centimeter
– Acrylverf met gel medium

School-alternatief:
– Karton 30×40 centimeter
– Boekbinderslijm
– Plakkaatverf
– Divers tactiel materiaal (zie ook opsomming bij de kleuteractiviteit).

243660c3-c1e9-4c34-add4-7c6dea249d48_pb-3001-dagvoet-2

Kleuren en patronen

Het is heel logisch om bij “Ik voel een voet” een tactiel spel te bedenken. Met deze les koppelt u beeldende vorming aan spel en geeft het zo nog meer betekenis voor de leerlingen.

????????????????????????????????????

Voelboek

De kinderen bedenken wat er zou kunnen ritselen in het donker. Zij maken een fantasiedier. Geef ieder kind ander materiaal. Zo ontstaan er unieke dieren. Zachte, gladde, ribbelige, korrelige of ruwe beesten. U voegt alle bladen samen tot een boek, waarmee u in de kring een voelspel kunt doen.

BENODIGDHEDEN

– Zwarte multomapbladen
– Stevige lijm die kleurloos opdroogt
– Multomap
– Materialen: rijst, macaroni, schuurpapier, plukwol, breiwol, gladde en ruwe stoffen, zachte stoffen, veren, zilverfolie, plasticfolie, isolatiemateriaal, ribbelkarton, ribbelpapier van beschuit, bubbeltjesplastic, kussenvulling, verpakkingsmateriaal, papieren kanten onderzetters, verf met zand, chenilledraad in korte stukken, lijm om mee te tekenen, restanten leer, binnenband, jute, foam, zeil, crêpepapier, materiaal uit de natuur, plakplastic, raamfolie enzovoort.

????????????????????????????????????

Begeleiding

In kleine groepen besteedt u aandacht aan dieren en hun kenmerken. Ze hebben soms twee poten, soms vier of acht! Anderen hebben poten en vleugels. U tekent de dieren die besproken worden voor op een groot vel. De namen van de lichaamsdelen schrijft u er bij. Leg uit waarom dieren ogen, oren en een neus nodig hebben. Als de leerlingen werken vraagt u regelmatig waar de oren zitten en of het dier ook een staart heeft.

d08e890d-5428-4fcc-bd02-c46c36ee7fbb_pb-3001-dagvoet-5

Als het boek af is, spelen de kinderen een tijd met het voelboek en leren alle nieuwe woorden die erbij horen. De oudste kleuters kunnen daarna een dier maken met al die verschillende materialen. Zo ontstaat er een dier met zachte oren, een gladde huid en een ruwe staart.

Serie: Beeldend werken met prentenboeken

Lees ook de andere artikelen uit deze serie:

Cantecleir

Boem