Bewegen in de breedste zin van het woord – namelijk het doen en ervaren – is inzetbaar bij alle vakken en zorgt voor een beter leerresultaat. Als kinderen handelend kunnen leren (bijvoorbeeld in thematische hoeken), dan krijgen ze de kans om in een betekenisvolle situatie met concreet materiaal te leren.

In de onderbouw is dit meer spelgeoriënteerd, in de bovenbouw meer onderzoeksgeoriënteerd. Door het werken in een themahoek (zoals een schoenenwinkel) komen de kinderen in hun rollenspel (dat gestuurd kan worden door de leerkracht) bijvoorbeeld allerlei reken- en taalproblemen tegen. (Hoeveel moet de klant betalen? Hoeveel schoenen heb je als je acht dozen hebt? Hoe schrijf je laarzen?)

In dit artikel treft u een aantal voorbeelden aan, die gemakkelijk te vertalen zijn naar lessen in de middenbouw. De voorbeelden zijn gerubriceerd per vak, maar zijn (met aanpassingen) natuurlijk onderling uit te wisselen. Sommige zullen u zeker inspireren.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Meer bewegen in de lessen

Meer beweging in de lessen kan al met kleine aanpassingen. Veel oefeningen, die in de reken- en taalmethodes staan, kun je gewoon maken op papier. Maar je kunt ze met een kleine aanpassing ook laten uitvoeren. De woorden uit het woordpakket kun je bijvoorbeeld (met behulp van woordstroken) letterlijk laten samenvoegen, de betekenis erbij laten zoeken of laten rubriceren. En sommen zijn vaak uit te beelden met doosjes, blokjes of potloden (rekenen in “geheimtaal”).
Soms is het streven om naast een specifiek les- of leerdoel óók een motorisch doel te bereiken, zoals het knippen van een kleedje of springen en zingen (in plaats van hakken en plakken). Meestal is het motorische doel ondergeschikt. Maar het speelt op de achtergrond vaker een rol dan we ons in eerste instantie realiseren.
Bewegen om plezier te maken – ter afwisseling of bij wijze van energizers – gebruiken we vaak ook als “tussendoortje”. De Fysio-kalender geeft bijvoorbeeld goede suggesties. (Deze kalender is onderdeel van: De klas beweegt! Fysio Educatief, Groenburgwal 59, 1011 HT Amsterdam, tel. 020 626 57 57, www.fysio-educatief.nl.)

Rekenen

Handelend bezig zijn

Om te kunnen rekenen, heb je eerst het begrip van de rekenvoorwaarden nodig. Aan deze rekenvoorwaarden wordt veel aandacht besteed in de eerste twee jaren van de basisschool. Dit gebeurt tijdens de gymlessen of in de klas, als de kinderen bezig zijn met ontwikkelingsmateriaal of het “spelen in de hoeken”.
Dit handelend bezig zijn kun je ook doortrekken in de andere groepen van de basisschool. Bijvoorbeeld door buiten op het schoolplein met z’n allen een geometrische figuur of een grafiek te maken. Ik geef u nu enkele voorbeelden om handelend met rekenen bezig te zijn.

Tafel van 2

Het is handig om deze activiteit in een speellokaal te doen. Voor uitvoering in de klas kunt u de activiteit iets aanpassen. (U kiest dan bijvoorbeeld voor: samen hetzelfde geluid maken, in plaats van: samen op dezelfde manier lopen.)

• Werkwijze
– De kinderen vormen tweetallen en beslissen samen hoe ze voortbewegen door de klas.
– Als alle tweetallen op hun speciale manier rondlopen, roept u: “Maal twee!” Elk paar moet zich dan aansluiten bij een ander paar. De twee paren zijn dan een viertal geworden. Samen beslissen ze dan weer hoe ze verder lopen.
– Zo gaat het door. Komt het helemaal uit? Waarom wel? Of waarom niet? En wat gebeurt er als u “Splits!” roept?

Hoeveel vingers?

• Werkwijze
– De kinderen vormen groepjes van drie (of vier) personen en gaan met de gezichten naar elkaar toe staan. Ze houden één hand op de rug en de andere hand voor zich uit (met gesloten vuist).
– U telt: “Eén, twee, drie!” En bij “drie” steekt elk kind een aantal vingers uit. De uitdaging is, om – zonder afspraken te maken – per groepje (gezamenlijk) tot een bepaald, van tevoren afgesproken getal (bijvoorbeeld: 13) te komen.

Puzzelen

• Tot het tiental
– Alle kinderen lopen door de klas.
– U “klapt” een som. Bijvoorbeeld (tot het tiental): hoeveel is 2 (twee keer klappen) en 3 (drie keer klappen)?
– De kinderen vormen zo snel mogelijk een groepje (in dit geval een groepje van vijf) en houden elkaars handen vast.
– Kinderen die overblijven, gaan in de “spaarpot”.
– Bij de volgende opdracht moeten de kinderen die in de “spaarpot” staan in ieder geval aan bod komen.

• Tot het honderdtal
– Bij sommen tot het honderdtal kunt u afspreken dat stampen een tiental is en dat klappen een eenheid is. (Drie keer stampen en acht keer klappen is dan 38.)
– Voor sommige kinderen is het moeilijk om te horen hoe vaak u klapt en/of stampt. Let daar op!

Ballen in de soep

• Werkwijze
Deze activiteit gaat over het tellen van ongestructureerde hoeveelheden:
– Alle kinderen gaan door elkaar in de klas staan. (Hoe kun je nu snel tellen hoeveel “ballen er in de soep zitten”?)
– De kinderen vormen – op aanwijzing van een leerling – groepjes van bijvoorbeeld vijf personen. De leerling telt hoeveel groepjes van vijf er zijn en hoeveel losse ballen er dan nog over zijn.
– Kan iemand ook andere groepjes vormen?

Lijfgrafiek

• Werkwijze
– Kinderen nemen plaats in een van de twaalf rijen, die ze op het schoolplein met krijt getekend hebben (en die de maanden van het jaar voorstellen). Ze gaan in de rij staan van de maand waarin ze jarig zijn. Zo ontstaat een grafiek, een lijfgrafiek. Het is nu gemakkelijk te zien in welke maanden de meeste/minste kinderen jarig zijn.
– Als de achterste kinderen een lijn (touw) vasthouden, ontstaat een lijngrafiek.
– Maak een foto (van bovenaf) van deze lijngrafiek. Dan kunt u die later met de kinderen nog eens goed bekijken. (Want als kinderen bezig zijn om de lijngrafiek te maken en dus in de rijen staan, is de lijngrafiek niet voor iedereen te zien. Een foto verduidelijkt een en ander dan achteraf heel goed.)

Reken het juiste antwoord uit

• Werkwijze
– U geeft twee, drie of vier keuzemogelijkheden als antwoord.
– De kinderen staan in het midden (of aan de kant) van het lokaal.
– De antwoordmogelijkheden staan aan beide kanten van het schoolbord (of hangen in diverse hoeken).
– De vraag wordt gesteld, de kinderen bedenken welk antwoord erbij hoort en lopen naar het goede antwoord (op het bord of in de hoek).

• Voorbeeld
– In elke hoek hangt een getal: in hoek 1 hangt het getal 11, in hoek 2 het getal 15, in hoek 3 het getal 13 en in hoek 4 het getal 17.
– U laat de som 7 + 6 = … zien. (Of u leest de som op.)
– De kinderen rekenen de som uit en kiezen in welke hoek ze horen. (In dit geval is dat hoek 3.) U bespreekt het goede antwoord en (eventueel) hoe de kinderen de som uitgerekend hebben.
– Daarna laat u de volgende som zien (of horen).

Rekenen, anders dan anders

• Werkwijze
– Zet in de computer tien gemakkelijke, tien “gemiddelde” en tien moeilijke sommen. (Gebruik een forse letter. Bijvoorbeeld: Arial, 48-punts.)
– Kopieer voor elk kind de sommen, die u het kind wilt laten maken. Knip vervolgens de sommen los van de antwoorden. Van elk blad met sommen houdt u steeds één blad intact (dus met de sommen plus de antwoorden, niet losgeknipt).
– Leg de antwoorden die hetzelfde zijn op een stapel op een plek in de klas. (Er komen dus maximaal dertig verschillende stapeltjes met antwoorden te liggen. Het kunnen er natuurlijk ook minder zijn, als antwoorden op verschillende sommen hetzelfde zijn.) Leg de antwoorden wél op volgorde, zodat ze makkelijk te vinden zijn als je gewoon verder telt of terug telt.
– Elke leerling krijgt één rij sommen op zijn (of haar) niveau. Hij (of zij) rekent de eerste som uit, zoekt het antwoord op en legt dit achter de som. Daarna rekent hij (of zij) de volgende som uit, zoekt het antwoord weer op en legt dit weer achter de som. Enzovoort.
– Snelle rekenaars kunt u een tweede rij met sommen geven. Na bijvoorbeeld tien minuten stopt iedereen met rekenen en gaat zitten. Met behulp van de “hele” bladen (dus de bladen met de sommen plus de antwoorden, die niet losgeknipt zijn) kunt u samen met de kinderen de rijtjes nakijken.

Taal

Zingend leren

Ook sommige taalactiviteiten kun je al bewegend leren. Denk maar eens aan het alfabet, dat kinderen vaak al lopend (en/of zingend) leren, voordat ze het kunnen opzeggen. Zingend iets leren geeft soms ook een saamhorigheidsgevoel, het is gezellig en het werkt ontspannend. Ik geef u nu een aantal ideeën om tijdens de taalles meer te bewegen.

Sneeuwbaleffect

• Werkwijze
Deze activiteit is een alternatief voor een woordveld. Het gaat als volgt:
– Elk kind schrijft op een stukje papier een woord over een nieuw te leren (of reeds geleerd) onderwerp en frommelt het papiertje daarna op tot een prop.
– Op het teken “Het sneeuwt!” mogen alle kinderen hun “sneeuwbal” (prop papier) door de klas gooien.
– Elk kind pakt daarna een andere “sneeuwbal” van de grond, strijkt het papiertje glad, leest het woord en frommelt het papiertje weer op. Op het teken “Het sneeuwt!” worden de “sneeuwballen” opnieuw door de klas gegooid.
– Als dat een aantal keren is gedaan, worden alle “sneeuwballen” verzameld. De kinderen mogen dan om de beurt een woord noemen, dat ze op een “sneeuwbal” hebben gelezen.

Gelijk/ongelijk

• Werkwijze
– Verdeel de kinderen in tweetallen. Beide kinderen van een tweetal krijgen een zelfde soort voorwerp, maar wél verschillend. (Bijvoorbeeld: roos/anjer, laars/schoen, prentenboek/leesboek, glas/mok of eikenblad/kastanjeblad.)
– De kinderen van een tweetal kunnen elkaars voorwerp niet zien. (Ze hebben bijvoorbeeld een boek rechtop, in het midden van hun tafel staan.)
– Elk kind heeft een blaadje voor zich, met daarop een kolom voor gelijk (overeenkomsten) en een kolom voor ongelijk (verschillen).
– Door elkaar vragen te stellen, komen de kinderen achter de overeenkomsten en de verschillen van hun voorwerpen. Die noteren ze in de kolommen.

Springen en zingen

• Werkwijze
Deze activiteit kan in de plaats van hakken en plakken. Het gaat als volgt:
– Elke letter van een nieuw te leren woord heeft een eigen kleur hoepel.
– Het hele woord bestaat uit de hoepels op elkaar.
– Bijvoorbeeld het woord IK: de I is een blauwe hoepel, de K is een gele hoepel en IK is een blauwe op een gele hoepel.

 

26-01-06-01

 

– De kinderen springen in de blauwe hoepel en zeggen I. Dan springen ze in de gele hoepel en zeggen K. En tot slot springen ze in de twee hoepels (de blauwe op de gele) en zeggen IK. Om de vaart erin te houden, kun je het een beetje zingend zeggen.

Alfabet gooien

• Werkwijze
– De kinderen gooien in een groepje van twee (of drie of vier) een bal over.
– Als ze de bal vangen, noemen ze de volgende letter van het alfabet.
Nota bene. Deze activiteit kan ook gedaan worden met het spellen van nieuwe woorden of het oefenen van lettergrepen.

“De” en “het”

• Werkwijze
– Geef de leerlingen een aantal plakbriefjes in twee kleuren.
– De ene kleur staat voor: het. En de andere kleur staat voor: de.
– De plakbriefjes mogen in de klas (of op een andere plek in de school) worden opgeplakt.
– Hierna wordt bekeken (en besproken) of de plakbriefjes op de juiste plekken zijn opgeplakt.
Nota bene. Deze activiteit kan ook gedaan worden met vormen, kleuren, zelfstandige naamwoorden, enzovoort.

Rugverhaal

• Werkwijze
– Typ (of schrijf) de zinnen van een verhaaltje op strookjes papier.
– Verdeel de groep in kleine groepjes (Het aantal regels van het verhaal komt overeen met het aantal kinderen.)
– Plak elke zin op de rug van een kind.
– De kinderen lezen elkaar de zinnen voor, zodat ieder kind weet wat er op zijn (of haar) rug geplakt is.
– Geef aan wie de eerste zin heeft.
– De kinderen zoeken daarna zelf de volgorde van de zinnen uit.
– De kinderen gaan op de juiste volgorde achter elkaar staan. (Het eerste kind staat achter het laatste kind, zodat er een kring gevormd wordt.)
– Dan lezen de kinderen de zinnen voor, die ze op de rug voor zich zien. Dat doen ze ieder om de beurt, te beginnen bij de eerste regel.

Lettergrepen zingen

• Werkwijze
– Vorm groepjes en laat ieder groepje een bekend kinderliedje kiezen.
– De kinderen van elk groepje zingen om de beurt één lettergreep van het liedje, in het juiste ritme, alsof het door één persoon gezongen wordt.
– Geef de kinderen wat tijd om te oefenen en laat ze dan hun liedje opvoeren voor de rest van de klas.

• Voorbeeld
Een groepje bestaat uit vier kinderen. Zij hebben gekozen voor het liedje Onder moeders parapu. Het zingen gaat dan als volgt:
– Kind 1 zingt: on-.
– Kind 2 zingt: der.
– Kind 3 zingt: moe-.
– Kind 4 zingt: ders.
– Kind 1 zingt: pa-.
– Kind 2 zingt: ra-.
– Kind 3 zingt: plu.
Enzovoort.

Kies het juiste antwoord

• Werkwijze
Deze activiteit is ook al bij rekenen aan bod geweest:
– U geeft twee, drie of vier keuzemogelijkheden als antwoord.
– De kinderen staan in het midden (of aan de kant) van het lokaal.
– De antwoordmogelijkheden staan aan beide kanten van het schoolbord (of hangen in diverse hoeken).
– De vraag wordt gesteld, de kinderen bedenken welk antwoord erbij hoort en lopen naar het goede antwoord (op het bord of in de hoek).

• Voorbeelden
Dit kun je doen met:
– woorden die eindigen op d of t;
– woorden met ou of au.
Nog meer ideeën kunt u uit een spellingmethode halen. Het wordt spannend, als u de klas in twee groepen verdeelt. (U geeft bijvoorbeeld rode linten aan één helft van de klas en u geeft dan twee opdrachten: één voor elke helft.) De “meelopers” krijgen het dan moeilijker. Of: bedenk opdrachten, waarbij meerdere antwoorden mogelijk zijn. (U laat bijvoorbeeld het juiste lidwoord kiezen: de, het, een. Later laat u een weg.)

Zinnen maken

• Werkwijze
– Geef onderdelen van een zin aan een kind (of aan een groepje kinderen).
– De zin wordt op een goede manier neergelegd.

Verhaal maken

• Werkwijze
– Geef de zinnen van een verhaal aan een kind (of aan een groepje kinderen).
– De zinnen wordt op een goede manier neergelegd, zodat het een kloppend verhaal wordt. Als de zinnen lekker groot geschreven zijn, dan kunnen de kinderen de zinnen neerleggen en eromheen lopen.

Schrijven

Schrijven is een motorische bezigheid bij uitstek. Maar omdat kinderen hierbij vaak wat langer in één houding zitten en omdat er soms sprake is van krampachtige arm-, hand- en vingerhoudingen, zijn ontspanningsoefeningen tijdens de schrijfles hard nodig. Ik geef u hiervan nu enkele voorbeelden. Maar raadpleeg vooral ook uw schrijfmethode!

Ontspannen maar (1)!

• Werkwijze
Tijdens schrijfoefeningen kunt u een kleine ontspanningsoefening inbouwen:
– “Doe maar mee! Handen omhoog (of opzij of naar voren)!”
– “Kietel de lucht (of de juf hiernaast of de kinderen in het lokaal onder ons)!”

Ontspannen maar (2)!

• Werkwijze
– Kinderen gaan naast hun stoel staan en raken met hun handen hun tenen aan.
– U telt tot tien. Iedereen komt langzaam overeind en strekt de handen omhoog.
– Doe dit nóg een keer en vraag aan de kinderen om te onthouden waar hun handen bij elke tel (elk getal) zijn.
– Daarna roept u getallen tussen 1 en 10 (door elkaar) en nemen de kinderen de houding aan, die ze bij dat getal hadden.

Zingen/muziek

Bewegen, klappen, swingen

Zingend iets leren is al een keer genoemd. Maar ook bij muziek zou er veel meer gebruikgemaakt kunnen worden van bewegen.
Leer de kinderen bijvoorbeeld een lied uit het hoofd te zingen, zodat ze erbij kunnen klappen en (als het nummer ervoor geschikt is) erbij kunnen swingen (in plaats van strak op een blaadje te kijken hoe de tekst is). Laat ze een dansje bedenken op het geleerde lied. Verder is er in elke muziekmethode aandacht voor bewegen op muziek en zijn er praktische voorbeelden opgenomen. En natuurlijk is er de uitbreiding naar dans en dansexpressie, waar ook (veel) meer gebruik van gemaakt zou kunnen worden.

Motoriek als missie

De missie van onze school Caleidoscoop (Almere) is te zorgen voor een prettige afwisseling tussen lichamelijke en geestelijke inspanning. We hebben daarbij als uitgangspunten, dat een kind plezier moet hebben en wordt uitgedaagd tot actieve betrokkenheid bij het leren. Duidelijk is dat motoriek, bewegen past bij onze school. Wij hebben motoriek als missie!
We streven er bij ons op school naar om – naast het (ver)werken in schriften en dergelijke – ook handelend en bewegend bezig te zijn binnen schoolse vakken als rekenen en taal. Dat is vooral voor de kinderen die al bewegend makkelijker leren een voordeel. En kinderen die te weinig beweging krijgen, hebben bij ons op school zo de gelegenheid om iets vaker lichamelijk bezig te zijn. Voor onze school geldt dan ook zeker het bekende, aloude Chinese spreekwoord:

Ik hoor en ik vergeet.
Ik zie en ik onthoud.
Ik doe en ik begrijp.