De Dramatheek is een nieuwe rubriek op de website van het Praxisbulletin. Elke maand vindt u hier een nieuwe spelsuggestie, waarbij we ons dit schooljaar op emoties richten.

Toneelspelen, maar ook het kijken naar toneel heeft alles te maken met emoties. Als we ons in de situatie en de gevoelens van een personage kunnen inleven, dan komt dat, omdat we de emoties herkennen, ook al hebben we wellicht zelf nooit de problemen meegemaakt, die we op het toneel zien.
De spelsuggesties in de Dramatheek bieden een invalshoek, van waaruit u kunt toneelspelen met de klas. Tegelijkertijd bieden ze een mooie manier voor het kweken van meer wederzijds begrip. In dit inleidende artikel wordt een spelsuggestie uitgewerkt rondom pesten. Een complex onderwerp, waar meerdere emoties meespelen. Zo krijgt u een beeld van wat u elke maand op de website kunt verwachten.

Opbouw verhaal, aan de hand van een voorbeeld

DRIE PERSONAGES
Tjibbe
U vertelt aan de kinderen dat ze een toneelstuk gaan maken én spelen over Tjibbe: een jongen, die het niet zo leuk heeft op school. U bespreekt eerst dat Tjibbe een beetje buiten de boot valt. Hij is net van een andere school gekomen en dus in een «vreemde» klas beland. Daarna bedenkt u samen met de kinderen kenmerken van Tjibbe. Hij heeft bijvoorbeeld heel veel gel in zijn haar en hij draagt heel oude gympies. Hij is erg goed in rekenen, maar zijn handschrift is onleesbaar. Tjibbe lijkt zich niet veel aan te trekken van wat er in de mode is. Op het bord schrijft u een aantal van de kenmerken op.
Kirsten
Daarna vertelt u aan de kinderen dat er in de klas een heel pittig meisje zit: Kirsten. Zij is erg geliefd bij iedereen. Bedenk met de klas kenmerken van Kirsten. Ze is bijvoorbeeld brutaal. Ze heeft altijd veel snoep bij zich en kan meezingen met veel Engelse popliedjes. Bespreek met de kinderen de kenmerken van Kirsten en schrijf die ook op het bord.
Tip. Zorg ervoor, dat Tjibbe en Kirsten niet per ongeluk lijken op een écht kind uit uw klas!
Mo
Kirsten heeft veel vrienden. Bijvoorbeeld Mo: een jongen, die goed mee kan op school en ook nog eens goed kan voetballen.

VIJF SCÈNES
Scène 1
– U vertelt hoe de eerste schooldag van Tjibbe verloopt. De meester vraagt of Tjibbe voor de klas wat wil vertellen over zijn oude school. Tjibbe is verlegen en vertelt stotterend waar hij heeft gewoond en dat hij daar in de schaakvereniging zat. Hij vertelt nog een paar dingen, die de andere kinderen vreemd vinden. Ze zeggen onaardige dingen over Tjibbe. Dat doen ze fluisterend en stiekem, als de meester niet kijkt.
– U schrijft op het bord wat de leerlingen allemaal zeggen over Tjibbe.
Scène 2
– U vertelt vervolgens hoe de derde schooldag van Tjibbe verloopt. Tijdens het speelkwartier roept Kirsten een paar kinderen bij zich. Ze vertelt dat ze met haar mee moeten, om eens een praatje met Tjibbe te gaan maken. De kinderen gaan in een kring om Tjibbe heen staan en maken hem belachelijk.
– Laat de leerlingen zelf bedenken wat Kirsten en haar vrienden zeggen en doen. Ook dit schrijft u allemaal op het bord.
Scène 3
– Daarna vertelt u hoe Tjibbe een week later wordt opgewacht buiten het schoolplein. Kirsten en haar vrienden en vriendinnen schelden en lachen hem uit. Ze laten hem huilend achter.
– Laat de leerlingen bedenken wat ze doen om Tjibbe te intimideren en schrijf weer op het bord wat u met de leerlingen hebt besproken over dit stukje van het verhaal.
Scène 4
– Nu vertelt u dat Tjibbe op een dag niet op school is gekomen. De dag daarna vertelt de meester dat Tjibbe ziek thuis is. Het schijnt ernstig te zijn, maar de meester weet niet precies wat er aan de hand is. Misschien weet een van de kinderen wat er is? Niemand reageert.
– Bespreek met de leerlingen hoe de meester dit gesprek aangaat met de klas en hoe Kirsten en de andere kinderen reageren.
Scène 5
– U vertelt dat Mo na schooltijd naar de meester gaat om te vertellen wat er is gebeurd. Hij vertelt ook hoe bang hij is voor Kirsten, die er op los slaat als hij niet met haar meedoet. Eigenlijk vindt hij Tjibbe erg aardig. Maar hij durft dat niet te zeggen, uit angst voor Kirsten. En daarom deed hij mee met haar.
– Bespreek met de leerlingen hoe het gesprek tussen Mo en de meester gaat. Wat vindt Mo van zijn eigen gedrag? Wat vindt de meester ervan? Schrijf in steekwoorden op het bord wat u met de leerlingen hebt bedacht.

SLOTSCÈNE
Op het bord staan nu de eerste vijf scènes van uw toneelstuk. U vraagt de leerlingen om in kleine groepjes te bedenken hoe het verhaal afloopt. Wat gaat de meester doen? Wat gaat Mo doen? En wat gaan alle andere kinderen uit de klas doen? Wordt Tjibbe weer beter? Komt hij weer in de klas terug? Hoe gaat dat? En wat gebeurt er met Kirsten?
Als in de groepjes is besproken hoe het toneelstuk zou kunnen eindigen, dan kunnen de kinderen voor de klas komen vertellen wat ze bedacht hebben. Maar u kunt ze de slotscène ook laten voorspelen.
Uiteindelijk kiest u met de klas het beste einde van het verhaal, de beste slotscène. Of u maakt een combinatie van de verschillende ideeën. Ik geef u – als voorbeeld – een tweetal mogelijkheden:
Mogelijkheid 1
De meester en Mo gaan op bezoek bij Kirsten thuis. Ze praten met haar en haar moeder. Ze maken afspraken. Daarna gaan de meester, Mo en Kirsten op bezoek bij Tjibbe. Ze vragen hem of hij weer op school wil komen. Kirsten zal hem voortaan niet meer dwarszitten, maar helpen!
Mogelijkheid 2
Kirsten moet twee weken lang buiten de klas, in de gang, haar schoolwerk doen. De meester heeft een gesprek met de klas. Mo wordt min of meer de nieuwe «leider». Hij kiest ervoor om Tjibbe op te nemen in de groep. Want iedereen is immers wel een beetje raar. En dat Tjibbe goed kan puzzelen en schaken, kan ook wel eens handig zijn. Kirsten komt uiteindelijk met hangende pootjes terug in de klas. Zij is niet meer de onbetwiste leider en moet bewijzen dat ze op een positieve manier mee kan doen met de klas. Uiteindelijk komt dat goed.

Emoties in de scenes

Voordat u het hele toneelstuk door de leerlingen laat spelen, moet u bespreken hoe de personages zich in de verschillende scènes voelen:
– Tjibbe is bijvoorbeeld in de eerste scène heel erg verlegen en zenuwachtig. In de tweede en de derde scène is hij bang. Misschien zelfs wel doodsbang. En in de zesde scène (de slotscène) is hij waarschijnlijk erg opgelucht.
– Ook Mo laat een aantal emoties zien. Als hij in de vijfde scène met de meester praat, is hij beschaamd. Maar in de zesde scène (de slotscène) zou hij blij en opgetogen kunnen zijn, want dan is er een last van zijn schouders gevallen.
– En zo valt er natuurlijk ook van alles over Kirsten te zeggen: van heel onaardig en zelfingenomen tot vriendelijk en poeslief.

Spelaanwijzingen: adem, houding en stem

VOORBEELD: TJIBBE
Op het toneel kunnen we verschillende emoties laten zien, door gebruik te maken van onze «instrumenten». Die instrumenten zijn ons lichaam en onze stem. Als voorbeeld bekijken we Tjibbe:
– Tjibbe zal een in elkaar gedoken houding hebben tijdens scène 1. Iemand die verlegen is, zal letterlijk minder ruimte proberen in te nemen. Zijn stem zal zacht klinken en hij zal waarschijnlijk meer stotteren dan in het vervolg van het verhaal.
– Als Tjibbe bang is (in scène 2 en scène 3), zal hij letterlijk proberen weg te kruipen. Hij zal misschien helemaal niets meer zeggen. Of hij zal juist schreeuwen en roepen, om te proberen zijn belagers weg te jagen. Zijn ademhaling zal heel snel en oppervlakkig zijn.
– Als hij zich meer op zijn gemak voelt (in scène 6 en daarna), zal hij rustiger ademen, harder praten en minder stotteren. Hij zal ook rechtop staan en zichzelf meer durven laten zien.
Bespreek met de leerlingen wat we aan elk personage zullen zien in de verschillende situaties. Tijdens het oefenen van de scènes kunnen ze hier dan extra op letten.

OEFENEN
U kunt rondlopen om de leerlingen te coachen. Let daarbij op het gebruik van adem, stem en houding, maar ook op de gezichtsuitdrukking en het tekstgebruik. Laat de leerlingen goed nadenken over wie wat zegt in de scènes.
De beschrijving van de scènes staat op het bord. U kunt die laten overschrijven op kaartjes. Zo heeft elk groepje de beschikking over eigen speelkaarten, die gebruikt kunnen worden als u de volgende les opnieuw wilt oefenen of als u de scènes wilt laten voorspelen. De leerlingen kunnen op die kaartjes ook hun eigen aantekeningen kwijt.
Als alle scènes apart zijn geoefend, kunt u ze «aan elkaar plakken». U kunt elk groepje het hele stuk laten spelen, maar u kunt ook de scènes verdelen over de groepjes. Groepje 1 speelt dan scène 1 en scène 2, groepje 2 speelt scène 3 en scène 4, enzovoort.

Vervolgactiviteiten in de klas
Kringgesprek

Nadat u met uw groep het toneelstuk hebt bedacht en geoefend, kunt u met de leerlingen een aantal dingen bespreken. U kunt vragen stellen als:
– Hoe kwam het dat Tjibbe zo’n gemakkelijk slachtoffer was?
– Hoe zou Tjibbe zich op dat moment hebben gevoeld?
– Waarom zou Kirsten zich zo gedragen als ze deed? Is ze onzeker? Heeft ze problemen thuis? Is ze gewoon graag de baas?
– Wanneer had Mo moeten reageren op wat Kirsten deed? Hoe had hij dat kunnen doen? Hoe zagen we dat Mo eigenlijk liever niet meedeed aan het pesten?
– Waarom zou Mo zo laat iets hebben gezegd tegen de meester?
– Had de meester eerder iets moeten doen? Hoe had hij eerder kunnen zien wat er aan de hand was?

AANDACHTSPUNTEN
– Het is veiliger om over dit soort onderwerpen te praten, als u enige afstand schept. Die afstand is er, als u bespreekt wat er met de personages gebeurt, zónder al te duidelijk een link te leggen naar de situatie in uw eigen klas. Zorg ervoor, dat uw personages geen naam hebben, die ook in uw klas voorkomt. Als u dus een kind in de klas hebt dat Tjibbe heet, dan zult u de Tjibbe uit het verhaal een andere naam moeten geven.
– Natuurlijk zullen leerlingen veel herkennen van wat er in het toneelstuk gebeurt. Het is dan ook de bedoeling, dat ze hierdoor aan het denken worden gezet. Maar ze mogen niet het gevoel krijgen, dat ze «en plein public» worden aangevallen of veroordeeld.
– Als er een pestsituatie in uw klas gaande is, die uit de hand dreigt te lopen, is het niet handig om open en bloot sommige leerlingen te vergelijken met Tjibbe, Kirsten of Mo. Wél zou u eventueel in een een-op-eengesprekje hier wat over kunnen zeggen.

LEZEN
Via de website boekenjeugd.nl kunt u op trefwoord zoeken naar geschikte kinder- en jeugdboeken over het thema, dat u in de klas wilt behandelen, zoals in het geval van pesten.
U krijgt een groot aantal aanbevelingen en een korte inhoudsbeschrijving van de aanbevolen boeken. Er zijn boeken op verschillende AVI-niveaus en boeken voor kinderen met leesproblemen.

SCHRIJVEN
Laat de leerlingen een brief schrijven aan een van de hoofdpersonages. Misschien willen ze Tjibbe een paar tips geven. Of aan Kirsten uitleggen waarom ze zich anders moet opstellen in de klas. Of misschien willen ze Mo wel aansporen om meer actie te ondernemen.
Veel succes!