Dit artikel gaat over kijken. Kijken en zien. Zien en weten. Over het kijken naar leerlingen en het kijken van leerlingen. Over de manier waarop u naar uzelf kijkt en de manier waarop u naar kinderen kijkt. Over observeren. Kortom: het gaat over kijken, vanuit verschillende invalshoeken en betekenissen…

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding.

Doorkijkje

POTLOOD
Twintig minuten nadat er gezongen is voor de jarige collega kom ik de personeelskamer binnen. Ik voel me gefrustreerd, omdat ik te laat ben op het feestje van Carin. En omdat ik de speech van de directrice heb gemist. Barbara heeft er een traditie van gemaakt je toe te spreken als je jarig bent. Dat kan ze heel erg goed. Je wordt in het zonnetje gezet. Tegelijkertijd houdt ze je op een aardige, maar rake manier een spiegel voor. Jouw onhebbelijkheden worden door haar niet vermeden. Niemand wil haar verhaal missen. Ik ook niet. Het zijn ware portretten. Ik feliciteer Carin gauw.

‘Waarom ben je zo laat?’ vraagt juf Jeannette. En ik vertel dat drie kinderen uit mijn klas de hele ochtend aan het bakkeleien waren. Om een potlood, geloof ik. Maar dat weet ik nog steeds niet zeker. Ook niet na het gesprek, dat ik in de pauze met ze heb gehad, waardoor ik dus te laat kwam op het verjaardagsfeestje. Ik word daar zo moe van…
Jeannette kijkt me aan met grote, vragende ogen. ‘Besteed jij daar tijd aan?’ vraagt ze. ‘Uitpraten van ruzies doen ze bij mij zélf.’
Ik stort me op mijn taartpunt.

Kwartje

GEKWETST
Dus ik doe mijn best om de lieve vrede te bewaren, om leerlingen te helpen conflicten uit te praten, in plaats van uit te vechten. En dan weet de juf van de kleutergroep het weer beter! Laat juf Jeannette het lekker bekijken! Dat is wat ik in eerste instantie denk.
Ik voel me duidelijk in mijn wiek geschoten. Maar juist deze houding maakt me ongelukkig. Want ik weet, dat Jeannette misschien, mogelijk, waarschijnlijk wél een punt heeft. Allerlei vragen schieten door mijn hoofd. Waarom voel ik me eigenlijk zo aangevallen door Jeannette? En waarom reageer ik zo nukkig?

INZICHT
Kunnen mijn leerlingen een probleem niet zélf oplossen? Was het bakkeleien zó heftig, dat ik wel moest ingrijpen? Waar bemoeide ik me eigenlijk mee?
Mijn leerlingen van groep 8 mogen toch ook in conflict met elkaar zijn, waardoor ze elkaar en zichzelf leren kennen? Hoe kunnen ze anders ontdekken waar ze zelf staan in relatie tot de ander? Ze moeten toch ook wel eens kunnen ruziemaken, om het eigen terrein te verkennen en te ontdekken waar de grenzen liggen? Ze moeten toch ook wel eens kunnen ruziemaken, om te laten zien wie ze zijn? Ruzie en conflicten zijn overigens veel te grote woorden. Het is meer bakkeleien, kibbelen, plagen, uitproberen, reageren op…
Wie moet het hier bekijken? Nee, niet Jeannette. Ik natuurlijk! Het kwartje valt.

Glimlach

OPRECHT
Gelukkig gun ik mezelf het «plezier» om even bij mezelf stil te staan. Met taart in mijn handen. Al kan ik nu nog even niet genieten van waar ik mee bezig ben.
Ik wil een hap nemen. Jeannette knipoogt. Ik glimlach als een boer met kiespijn. We kijken elkaar aan. Het vorkje met gebak blijft hangen tussen mond en schoteltje. Wat heb ik toch lieve, betrokken en wijze collega’s. Jeannette reageert oprecht.
Plonk! Daar valt wéér een kwartje. Waarom ben ik toch zo streng naar mezelf toe?

ENDORFINE
Glimlachen werkt als medicijn. Glimlachen is een teken dat je meester bent over jezelf.1 Ik ben meester!
Ik weet dat door te glimlachen er in de hersenen onmiddellijk endorfine wordt aangemaakt. Dat stofje zorgt voor een geluksgevoel. Het stofje is pure dope. Ik denk: ik moet meer glimlachen! En ik moet dan glimlachen om het woord «moeten».

Doorkijkje

MEESTER HANS
Ik loop stage in groep 5 bij meester Hans. Meester Hans is een oude meester. Hij wil niet met pensioen. Meester Hans is wat stijf. Zijn gewrichten en zijn spieren zijn niet meer zo soepel. Hij is altijd gekleed in pak. Een broek van ribfluweel. En altijd hetzelfde jasje. Het jasje, dat «slorderig» is geworden.

We zitten in de kring. Ik weet niet meer waar de kring over gaat. Ik weet alleen dat de groep, inclusief de stagiair, indut.
Meester Hans staat ineens op en gaat op de grond zitten. Midden in de kring. Alleen deze daad al trekt alle aandacht naar hem toe. ‘Weten jullie wel dat we de hele dag op kunst zitten?’ vraagt meester Hans aan de groep. Hij kijkt vanaf zijn lage positie naar de kinderen. ‘Wat is kunst eigenlijk?’

Verbaasde blikken van de kinderen! Hier gebeurt iets, dat onvoorspelbaar is. Bij meester Hans kun je het onverwachte verwachten. Dat weten de kinderen. Hij verrast écht. Altijd!

Meester Hans haalt een stukje bordkrijt uit de zak van zijn colbert. Hij zingt zachtjes ‘…teken ik, dat lukt altijd…, gauw een pop, prik in het lijf, kom er af, doe niet zo stijf…’ 2 en tekent met het krijtje op de linoleumvloer. Meester Hans heeft de volle aandacht. Waar het naartoe gaat, is voor mij volstrekt onduidelijk. Dit is spannend!

Het krijt «pakt» niet op de gladde vloer. Er is niets te zien. De kinderen mopperen. Meester Hans likt aan het krijtje en zegt duidelijk en met kracht: ‘Wat ik niet allemaal voor jullie doe! Ik lik aan het gif… O, maagkrampen! Krampen!’ Meester Hans rolt op zijn rug. En zijn benen spartelen in de lucht. ‘Kramp! Kramp!’ kermt meester Hans.
Het is ineens doodstil. Dan vallen de eerste leerlingen van hun stoel en «krampen» mee, op de manier van hun meester. Een puinhoop wordt het! Opgeroepen door meester Hans!

Meester Hans gaat stram in kleermakerszit zitten. Je hoort bij wijze van spreken zijn botten protesteren. Alle kinderen om hem heen gaan als vanzelf ook in kleermakerszit zitten. Er is géén opdracht gegeven. Er is géén brul gehoord. Er is niet om aandacht gevraagd! Meester Hans ging zitten. En als vanzelf volgden de kinderen. Dat is toveren!

Meester Hans likt weer aan het krijtje en tekent een rechthoek op de vloer. ‘Dit is een schilderijlijst,’ zegt hij. ‘We hebben een stukje vloer in de rechthoek «gevangen». Is dat kunst?’ vraagt hij, wijzend op de patronen in het linoleum.
Er volgt een prachtig filosofisch gesprek. Een half uur lang, zittend op de grond. Discussiërend, zoekend naar verbeelding, zoekend naar de definitie van kunst. We vinden geen definitie. Maar de gerichtheid en de aandacht zijn tastbaar. Wat een betrokkenheid!

Dit kan toch niet

Ik weet niet wat ik zie. Die oude meester Hans doet dingen, die niet kunnen. Hij staat voor gek met zijn gekronkel op de vloer. Dit kun je toch niet maken als meester? Dit hoort toch niet?
Ik zit vast in mijn mentale modellen. In mijn denken mag een meester niet raar doen. In mijn denken bestaan beelden van hoe meesters zich behoren te gedragen. En hoe juffen zich behoren te gedragen. Net zoals ik beelden heb van hoe ik mezelf moet gedragen als meester. En hoe leerlingen zich behoren te gedragen. Kloppen mijn beelden wel? Door meester Hans moet ik ze onderzoeken, bekijken…

Leermomenten

Meester Hans heeft daar duidelijk geen boodschap aan. In het nagesprek zegt hij: ‘Ik word betaald om les te geven. Lesgeven is: de hersenen van de kinderen tot kraken aanzetten. Slapen doen ze thuis maar. Is het gelukt – denk je – dat de leerlingen gingen nadenken?’

Ruimte en vertrouwen

«Voor gek staan» als middel. Een ingedutte groep opschudden, door het onverwachte te doen. Fysiek en in gedachten. Niet braaf. En dan zonder een woord te zeggen de georganiseerde chaos weer tot orde brengen…
Dat wil ik ook kunnen! Zo’n samenspel, zo’n gerichtheid op elkaar, zo’n vertrouwen. Leerlingen kijken naar de meester. De meester kijkt naar de leerlingen. Hij ziet wat ze nodig hebben en doet wat nodig is. Doelgericht, effectief en zonder stemverheffing. Ik erken mijn meester!
Weten hoe het werkt, is nog iets anders dan het doen. Dat geeft niets, want ik ben nog maar stagiair. Meester Hans verwacht dit soort hoogstandjes niet van mij. Ik moet het (van hem) op mijn eigen wijze doen. ‘Zoek het maar uit, jongen!’ zegt hij vaak. Hij geeft me alle ruimte en vertrouwt erop, dat ik mijn eigen antwoorden vind.

Doorkijkje

KOEKELOEREN
Jaren later geef ik les in de kleutergroep. Ouders brengen hun kinderen en hangen nog wat in de gang rond, als ik begin met lesgeven. We zingen het ‘Koekeloerenlied’, als inleiding op het televisieprogramma. Natuurlijk doe ik als meester mee. We koekeloeren hier en daar en overal en samen…
Ineens zie ik grijnzende gezichten van ouders, die door het raam koekeloeren. Ik voel me uitgelachen en voel schaamte opkomen. Ik sta voor gek! En op dat moment is meester Hans even bij me.
Ouders, bekijken jullie het maar! Ik doe mijn werk!

Lachen

De positieve energie van meester Hans slaat over op de leerlingen. Positieve energie roept energie op. Een glimlach roept een glimlach op. Goed voorbeeld doet volgen. Leerlingen weten dit onmiddellijk. Ze voelen het, ze ruiken het, ze zien het. Als ik me gedraag zoals ik ben (als professional), dan accepteren de kinderen mij volledig. Dan mag ik zelfs – graag zelfs! – een beetje raar zijn.
‘En lachen…, lachen is belangrijk,’ zegt de twaalfjarige Chantall in een interview met mij, als ik vraag naar wat belangrijk voor een meester of een juf is. Lachen met elkaar, lachen om elkaar. Plezier hebben met elkaar. Chantall is daar duidelijk in: ‘Jij bent meester van de juffen. Waarom leer jij ze niet lachen?’

Doorkijkje

GUM
Mijn groep 8 is aan het werk. De kinderen schrijven een verslag over een onderwerp naar keuze. ‘De Gouden Eeuw’ is het vertrekpunt. Ik loop rond. Ik beantwoord wat vragen en probeer kinderen op gang te helpen. Geen spectaculaire les, gewoon het «handwerk».

Het moet stil zijn in de school. Werkuren zijn afgesproken. In rust kan er gewerkt worden, is de filosofie. Ik ben persoonlijk niet zo van verplichte rusturen. Maar, loyaal aan de afspraak, doe ik tóch wat er van me gevraagd wordt.
Kinderen weten dat in deze uren mijn lontje wat kort is. Ze accepteren het. ‘Het moet van Barbara, hè?’

Er rolt een bal over de grond. Kneedgum. ‘Het is nu geen moment om te spelen, jongens! roep ik. ‘Sanne!’ Ik kijk diep in haar ogen. Rust en orde graag! Knipoog. Ik pak de bal op.
‘Gedoe met kneedgumballen, daar houd ik niet van!’ zeg ik. Demonstratief gooi ik de kneedgumbal in de prullenbak. Die haal ik er straks wel weer uit. Het gaat nu even om het gebaar.

Een sliert meisjes komt de volgende dag op het schoolplein arm in arm naar me toe gehuppeld. In het midden loopt Sanne. De sliert staat om me heen. Sanne kijkt me indringend aan. Ze knipoogt. ‘Krijg in mijn kneedgum nog terug?’ vraagt ze. Ik weet niet wat ik moet zeggen. De prullenbakken zijn al geleegd. Ik hoef overigens niets te zeggen, want de sliert is al weer weg.
Ik leg na de pauze met een rood hoofd uit dat ik gisteren een kneedgumbal heb weggegooid en dat ik daarna vergeten ben om de bal weer uit de prullenbak te halen. Weggooien was natuurlijk niet de bedoeling. Het was werkuur, dat weten jullie…
‘Komt ervan, hè mees, als je naar Barbara luistert.’ We lachen. Ze verrassen me nog altijd met hun uitspraken. Plechtig beloof ik aan Sanne om morgen hoogstpersoonlijk een nieuw pakje kneedgum aan haar te geven. Ik moet vanmiddag dus even langs de winkel! Niet vergeten!

Op de fiets naar de winkel bedenk ik dat het een prachtige zet was van Sanne om me na haar vraag alleen te laten staan op het plein. Ze vertrouwde er kennelijk op dat ik tot bezinning zou komen. Wat zijn kinderen toch wijs!

Noten
1 Thich Nhat Hanh, Iedere stap is vrede, Uitgeverij Ankh-Hermes BV, Deventer, 2007.
2 Wim Meuldijk (tekst) & Joop Stokkermans (muziek), Pip en Zip. (Begintune uitgezonden door de NOS, van 27 juni tot 26 september 1971.) Zie voor meer informatie en audiofragment de website: kindertv.net. (Zoek: pip en zip.)

Andere bronnen
– Peter H. Reynolds, De stip, Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 2008.
– Bernabé Tierni, Optimisme als levenselixer. Over positieve psychologie, Uitgeverij Schouten & Nelissen, Zaltbommel, 2008.