Ouders voelen zich terecht hoofdverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Dat geldt ook voor u, wanneer u behalve leerkracht tevens ouder bent. Desalniettemin bent u als leerkracht en interne begeleider (IB’er) partner in de opvoeding en bij uitstek geschikt om aanvullende informatie te verzamelen over het kind. Samenwerkend met de ouders hebt u meer potentie om tot oplossingen te komen, die bij de vraag van het kind passen. Dit artikel gaat hierover.

Kinderen, die tussen wal en schip dreigen te vallen

Sophie

Sophie heeft een grote ontwikkelingsvoorsprong. Ze is versneld naar groep 3 gegaan. Ondanks haar mogelijkheden is ze bang om “fouten” te maken en past ze zich extreem aan. Sophie weet niet hoe ze zich op het onderwijsaanbod en haar leeftijdgenoten af moet stemmen en voelt zich verre van gelukkig. Ze zegt: “Ik zou het liefst naar een onbewoond eiland gaan.
Mijn buik zit vol tranen.”
Haar ouders schrikken enorm van deze woorden. Hun gevoelens buitelen over elkaar heen: verdriet, boosheid, machteloosheid, zich niet begrepen voelen, enzovoort.

Doordat kinderen als Sophie ervaren niet aan de (hoge) verstandelijke en sociale verwachtingen te voldoen, worden ze onzeker. Ze raken in de war. En er ontwikkelt zich makkelijk faalangst, vaak in een perfectionistische vorm.
Wanneer een kind vele potentiële talenten heeft, dan verwacht je een rooskleurige toekomst voor dat kind. Maar dat perspectief blijkt niet vanzelfsprekend te zijn. Want niet ieder kind weet zijn/haar mogelijkheden in de schoolse omgeving een plaats te geven en verder te ontwikkelen.

Rogier

Ook Rogier verliest ieder gevoel van zelfvertrouwen. Hij zegt: “Ik zal jullie een geheim vertellen. Je denkt dat ik slim ben, maar dat is helemaal niet zo. Integendeel zelfs. Ik ben de stomste van de hele wereld. Waar ik ben, zijn problemen.”

Niet alleen hoogbegaafde kinderen als Sophie en Rogier, maar ook leerlingen die als minder (school)begaafd gezien worden, komen op school niet altijd tot hun recht. Deze leerlingen voelen zich onvoldoende gezien en begrepen. En dan wordt het moeilijk om een goed zelfbeeld op te bouwen en om vol vertrouwen de eigen toekomst tegemoet te zien.

Een label

Als leerkracht merkt u dagelijks dat niet elk kind vanzelfsprekend meedoet met de les, contact met medeleerlingen maakt en lekker in zijn/haar vel zit. Een toenemend aantal kinderen ontvangt gedurende de schoolloopbaan vroeg of laat een diagnose, in de sfeer van een
leer- of gedragsprobleem. Of erger: een zogenoemde gedragsstoornis.

Joey

Op een dag zegt Joey, op weg naar school: “Ik wil nog liever dood dan dat ik naar school ga.” Volgens de onderzoekster, die door de school wordt ingeschakeld, wijst alles in de richting van het syndroom van Asperger. Moeder: “Nu weten we wat er aan de hand is. Hij heeft Asperger!”

Niet zelden wordt een etiket voorbarig verstrekt. Problemen met betrekking tot school worden al gauw gezien als het probleem van het kind. Verondersteld wordt dan, dat het gaat om een defect bij de leerling, eventueel versterkt door de opvoeding van de ouders. Nader onderzoek lijkt vanzelfsprekend. Zeker ook, omdat er dan – mogelijk middels een “rugzakje” – financiële middelen komen, om het kind extra begeleiding te bieden.
Een diagnose stellen is niet eenvoudig. De vraag is daarbij of een (gegeneraliseerde) diagnose werkelijk altijd het antwoord is op de vraag, die het kind ons stelt. En ook of die diagnose de ouders en de leerkrachten handvatten biedt, om dit specifieke kind de begeleiding te geven, die het nodig heeft.

Overlevingsstrategieën

Reactieve patronen

Joey merk je nauwelijks op in de les en hij komt niet meer tot spelen. Sanne stoot haar medeleerlingen van zich af, door haar claimende gedrag. Berend verzet zich op “ludieke” wijze. Robin gaat teruggetrokken en lijdzaam zijn weg. Bente is extra gevoelig voor prestatiedruk, dwang, een overdaad aan prikkels en onrechtvaardigheid en schiet regelmatig uit zijn slof.
Het ene kind zal zich – als overlevings- of verdringingsstrategie – eerder in zichzelf terugtrekken (“vluchten”) en internaliserende gedragskenmerken ontwikkelen, die lijken op symptomen binnen het autistische spectrum. En het andere kind zal meer neigen tot “vechten”, externaliserend gedrag (zoals druk doen, de clown uithangen, brutaal zijn, dwarsliggen of ernstiger, oppositioneel gedrag).
Een combinatie van deze reactieve patronen komt ook veel voor. Veel (jonge) kinderen tonen uit angst, onzekerheid of lijfsbehoud hun pijn en eenzaamheid (aanvankelijk) niet in de klas. Maar de remmen gaan los in minder gestructureerde situaties (zoals op het schoolplein of op de trap). Dan is het kind mogelijk ook thuis nauwelijks meer hanteerbaar. Dat hoeft niet te betekenen dat de oorzaak vooral thuis ligt.
Het lijkt erop, dat meisjes eerder neigen tot aanpassen en onderdrukken, waardoor het met hen aanvankelijk wel goed lijkt te gaan in de schoolse sfeer. Kleine signalen worden dan mogelijk niet opgepakt. De innerlijke worsteling kan echter later – in de vorm van allerlei, soms ernstige symptomen – tot uitdrukking komen. Wanneer een meisje bijvoorbeeld overspannenheid, een negatief zelfbeeld, faalangst, depressie, een eetprobleem of zelfmutilatie ontwikkelt, dan kan de factor “school” een rol spelen.

Onderzoek en gesprekken

De hierboven genoemde kinderen handelen niet uit onwil. Maar ze brengen het niet meer op om zich eindeloos in allerlei bochten te moeten wringen, om maar te voldoen aan van buitenaf gestelde verwachtingen. Ze worden er (school)ziek van.
School en ouders zijn samen aan zet om een “passend” antwoord te vinden op het appèl van een kind, dat buiten de boot dreigt te vallen. Ervaart men een “gedragsprobleem” of sluit men zelfs een “gedragsstoornis” bij een kind niet uit, dan is het zaak om eerst te onderzoeken wat dit kind ons wil vertellen met zijn/haar gedrag. Het kind, ook het jonge kind, kan daarbij aansluitend – door middel van open, respectvolle gesprekken – gestimuleerd worden om te vertellen wat hem/haar zo dwarszit, zo belemmert.
Behalve mogelijke schoolfactoren dienen ook andere, eventueel belemmerende factoren de revue te passeren, voordat men het kind de zwartepiet toespeelt en concludeert dat er sprake is van een psychiatrisch (onomkeerbaar?) ziektebeeld. Als er eenmaal een etiket ligt ter “verklaring” van het gedrag, dan is het lastiger om de ware achtergrond van de problemen te achterhalen.

De grens bereikt

Sophie

Sophie ging met steeds meer tegenzin naar school. Vaak met buikpijn en hoofdpijn. Op school en thuis raakte ze snel geïrriteerd. Toen Sophie de overstap naar de bovenbouw maakte, was er helaas minder begrip dan in de onderbouw. En moeders “bemoeienis” werd niet meer zo op prijs gesteld.

Angst

Ouders kijken naar hun kind en zien hoe het worstelt, twijfelt en lijdt. Als ouders zien dat het met hun kind bergafwaarts gaat, aarzelen ze vaak (te) lang, voordat ze de relatie tussen kind en school aan de orde durven te stellen. Angst houdt hen tegen. Angst voor de confrontatie, voor een eventueel psychologisch onderzoek en de mogelijke juridische en kinderbeschermende maatregelen, waarmee ze bedreigd (kunnen) worden, wanneer ze andere wegen in willen slaan.

“Lastige” ouders

Samenwerken en communiceren

Ouders, die aan de bel trekken, zijn in veel gevallen niet bij voorbaat “lastige” ouders, maar wórden dat door de tijd heen, vaak in een combinatie van kwetsbaarheid en kracht, als ze zich onvoldoende gehoord voelen. Ze zijn bezorgd, willen graag samenwerken en willen bovenal dat de schoolbegeleiders zien dat hun kind geen “verkeerd” kind is, maar dat het zijn/haar best doet om, ja, zo is het dan, te “overleven” op school.
Wil een kind zich op school op zijn/haar plek voelen, dan is het in de eerste plaats van groot belang dat schoolteam en ouders samenwerken en goed communiceren. Helaas is dat lang niet altijd het geval. Juist als het met een kind niet goed gaat op school!
Ouders, die zien dat hun kind steeds ernstigere symptomen gaat ontwikkelen, worden vaak als “lastig”, “eigenzinnig” en “ondeskundig” beschouwd, als ze met hun eigen interpretaties en oplossingen komen. Men verwijt de ouders dan dat ze overbezorgd zijn, dat ze met een te roze bril naar hun kind kijken en dat ze zich aan “hulp” onttrekken.
Zo kunnen leerkrachten en ouders tegenover elkaar, in plaats van naast elkaar, komen te staan. Niemand wil het, maar het kan elke leerkracht, interne begeleider of schooldirectie overkomen, dat de communicatie met ouders strandt.

Verschillende perspectieven

“Lastige” ouders maken zich uiteraard zorgen om hun kind. Maar als ze hun kind in de loop der tijd hebben zien veranderen, zijn ze vaak heel huiverig om de weg van onderzoek, dossiervorming, etikettering en speciaal onderwijs in te slaan, uit angst om hun kind voor het leven te “tekenen”.
De boodschap van de ouders is: “Zie toch de ware aard van mijn kind, zie wat er mis gaat en doe er wat aan! Dan hoeft mijn kind zich niet te vervelen, op de tenen te lopen, zich te verzetten, zich terug te trekken. Dan gaat mijn kind wél met plezier naar school!” Maar deze boodschap uiten ze, de wanhoop nabij, niet altijd even handig.
Wanneer je als schoolbegeleider aangeeft dat nader onderzoek noodzakelijk is, dan hoop je vooral meer handvatten te ontvangen om het kind goed te kunnen begeleiden, gegeven het gebrek aan tijd, financiële middelen en wellicht knowhow. Het leerlinggebonden budget biedt gewoon meer armslag.

Aanbevelingen

Actief luisteren

• Sta open voor de ouders en wees bereid de situatie vanuit het perspectief van de ouders te bekijken. Benut hun informatie en inzichten. Vraag om concretisering en vat zaken samen, om te checken of u een en ander goed begrepen hebt.
• Toon begrip voor de waarden en de gevoelens van de ouders, hoe vreemd die u ook voorkomen of hoe verschillend ze ook zijn van de uwe.
• Geef ruimte aan vaak opgekropte emoties. Benoem die emoties. En besef dat de boosheid en de eventuele verwijten van ouders vaak voortkomen uit hun verdriet om het kind, hun zorg, hun gevoel van machteloosheid, enzovoort. Ga niet in de verdediging, vermijd de schuldvraag en blijf actief luisteren.
• Wanneer sprake is van een botsing, neem dan – om erger te voorkomen – direct het initiatief om het communiceren zélf te bespreken.

Informatie ontvangen: afstemmen

• Waar liggen de vragen en de zorgen van de ouders? Wat hebben de ouders zoal meegemaakt met het kind? Wat signaleren ze op dit moment? En hoe interpreteren ze het gedrag van het kind?
• Wat hebben de ouders zélf geprobeerd om het kind te helpen bij zijn/haar innerlijke worsteling?
• Wat zien de ouders als een volgende, noodzakelijke stap in het proces?

Informatie geven: het kind recht doen

• Schets een totaalbeeld van het kind en stap niet in de valkuil om slechts de voor u lastige, negatieve eigenschappen van het kind te vermelden. Begin met een positieve ervaring met het kind, met de kwaliteiten en de groeimogelijkheden die u signaleert.
• Vertel wat u in concrete zin signaleert aan het kind. Doe dat beschrijvend en niet veroordelend! Dan is de kans het grootst, dat de ouders ook openstaan voor uw perspectief.
• Leg uw zorg op tafel en geef aan welk appèl het kind volgens u op zijn/haar omgeving doet. Vraag de ouders of zij een en ander herkennen.
• Geef aan wat u en anderen op school gedaan hebben om het kind te ondersteunen en wat de resultaten daarvan waren.
• Wat ziet u als een mogelijke, volgende stap in het proces?
• Geef duidelijk aan wat de mogelijkheden en de grenzen zijn van u én van de school.

Samenwerken: een plan van aanpak ontwikkelen

• Bekijk na de inventarisatie samenvattend wat de uitwisseling van ervaringen en gedachten tot nu toe opgeleverd heeft. (Wat zien we aan het kind? Welk appèl doet het kind mogelijk op ons?)
• Zoek samen op een creatieve manier naar nieuwe ingangen, om het kind een handreiking te bieden.
• Wik en weeg samen de diverse mogelijkheden.
• Maak concrete afspraken. (Wie doet precies wat? En hoe koppelen we een en ander aan elkaar terug?)
• Bepaal samen de datum voor een voortgangsgesprek. En beantwoord dan samen de volgende vragen:
– Hoe werkt de gekozen benadering?
– Wat valt er aan die benadering te verbeteren?
– Welke bijsturing is nodig?

Tot slot

Verloopt de samenwerking met de ouders goed? Dan kan het tóch zo zijn, dat uw school het kind niet kan bieden wat het nodig heeft. Het is dan uw taak om kind en ouders te ondersteunen bij het accepteren van een komende verandering (en het rouwproces, dat daar ongetwijfeld mee gepaard gaat) en bij het zoeken naar (en het vinden van) een plek, waar het kind wél tot zijn/haar recht komt.

Veel succes!

Meer informatie

Bent u geïnteresseerd geraakt in het onderwerp van dit artikel? Dan kunt u meer informatie vinden in:
Hildelien Verkuyl, Schoolziek, wanneer de relatie tussen kind en school stukloopt, Uitgeverij Nearchus, Assen, 2008.
In het boek wordt uitvoerig beschreven welke moeilijke en vaak lange weg ouders en hun kind gaan, wanneer de relatie tussen kind, ouders en school stukloopt.
U kunt het boek rechtstreeks bij de auteur bestellen via e-mailadres metamorphose@xs4all.nl. Of bij de uitgever via de website www.nearchus.nl.