Wereldspel is een gestandaardiseerd onderzoeksinstrument dat gebruikt wordt bij onderwijskundige onderzoeken en diagnosticerende gesprekken. Het artikel in het Praxisbulletin beschrijft het Wereldspel en benadrukt het nut ervan bij het begeleiden van kinderen. De auteur betoogt dat kinderen met behulp van Wereldspel sneller en effectiever onderzocht en begeleid kunnen worden.
In deze internetuitbreiding vindt u het verslag van een “wereldspelcasus”.

Wereldspelverslag

Naam: Johan (gefingeerd)
Geboren: 15 november 1998
Groep: groep 5
Datum toetsafneming: 26 maart 2008

Probleemsituatie

Johan heeft in zijn jonge baby- en peuterjaren geen bijzondere problemen gehad. In de kleuterperiode (groep 1 en 2) viel op dat hij niet van knutselen en tekenen hield. Johan heeft een grote fantasie en voelt situaties en stemmingen snel aan.
In groep 3 kreeg Johan problemen met het leren lezen. Het automatiseren van de klank-teken- en de teken-klankkoppeling verliep moeizaam. Aan het eind van groep 3 las hij net op AVI-1. Toch heeft de school hem naar groep 4 laten gaan en daar hebben ouders al vrij snel aan de bel getrokken. Johan heeft ook moeite met het automatiseren van bv. de tafels en de kleine sommen onder de 20. Zijn spelling is zwak.
Johan heeft een tijd extra gelezen met een leesmoeder, maar er zijn op school geen andere maatregelen genomen, zoals gestructureerde RT-hulp of individuele begeleiding van de leerkracht.
Zijn ouders herkenden veel bij het begrip beelddenken. Johan heeft weinig tijdsbesef, is ongestructureerd bezig, heeft een grote beeldende fantasie, vergeet veel, heeft woordvindingsproblemen en is warrig in het plannen van dingen. Daarentegen heeft hij volgens de ouders een goede intelligentie. Vooral zijn vader herkende veel problemen uit zijn eigen schoolperiode.
Bij navraag bij de schoolbegeleidingsdienst bleek dat daar weinig bekend was over het begrip beelddenken.

Zowel de school, de ouders als Johan zelf willen graag weten of het beelddenken een oorzaak kan zijn voor de specifieke leerproblemen.

Onderwijskundige vraagstelling/hypothese

Worden de leerproblemen veroorzaakt door beelddenken?

Onderzoeksopzet

Om te bepalen of er sprake is van beelddenken wordt – naast een pedagogisch-didactisch onderzoek (PDO) – het Wereldspel afgenomen, een non-verbaal onderzoeksinstrument dat bestaat uit elementen (huisjes, bomen, beesten, enz.). Hiermee wordt een dorp gebouwd. Uit de wijze van vormgeven kan worden afgeleid of er sprake is van beelddenken. Een belangrijke categorie hierbij is het “koppelen”. Wanneer meer dan 60% van het materiaal aan elkaar gekoppeld is, wijst dit bijna altijd zeker in de richting van beelddenken. Ook ziet men dan vaak dat het materiaal op een eigen manier – anders dan oorspronkelijk bedoeld – gebruikt wordt. Daarnaast kan het kind persoonlijkheidskenmerken in het spel vrijgeven.
Om zicht te krijgen op de cognitieve problemen worden didactische toetsen afgenomen. Met behulp van deze toetsen kan worden achterhaald hoe groot de achterstand is en welke strategieën het kind hanteert.

Bij beelddenken is te verwachten:

– spellend en/of radend lezen;
– anticiperend lezen;
– globaal overzicht, details worden vergeten;
– lezen wat ze denken dat er staat;
– synoniemen gebruiken (kraai wordt raaf, als het maar zwart is en vliegt!);
– problemen met hardop lezen, terwijl terugvertellen (begrijpen!) wel goed gaat;
– veel oriëntatiefouten bij spelling;
– woordruïnes;
– spellingregels zijn wel bekend, maar worden niet toegepast;
– traag tempo bij rekenen;
– automatiseren gaat moeilijk tot slecht;
– zelfbedachte strategieën (5 × 4 = de helft van 40; 3 + 4 = 7, dus dan is 4 + 4 = 8).

Wereldspel

– Johan heeft in totaal 107 elementen gebruikt voor zijn dorp. In totaal worden er 101 elementen gekoppeld. Dat is een percentage van ruim 94%.
– Johan bouwt overdrachtelijk (d.w.z. een dak wordt in zijn ogen water en een heg net zo makkelijk een spoorbaan). Johan gebruikt het materiaal om zijn kant-en-klare beeld te bouwen. Dat het materiaal oorspronkelijk iets anders voorstelt, daar stoort hij zich niet aan. Het materiaal is ondergeschikt aan zijn plan.
– Johan bouwt meer dan leeftijdsovereenkomstig is: zijn dorp bestaat uit drie onderdelen: een weiland, een park met vijver en een straat/dorpskern. Alle drie zijn ze van voorstelbaar tot planmatig niveau. Het ontwerp in zijn geheel nijgt naar een planmatig niveau, wat indiceert dat Johan een goed beeld heeft van hoe de wereld om hem heen geordend is en een goede cognitie heeft.
– Tijdens het bouwen geeft Johan blijk van ”plezier” in het werk. Hij vertelt precies wat hij doet: “Nu maak ik een vijver… eh… even kijken… ja… die kan ik wel gebruiken.”
– Johan begint met het plaatsen van huizen, dicht tegen elkaar aan. De driehoekige daken gebruikt hij meteen wiskundig: hij bouwt direct een grotere driehoek.
– Johan pakt geen elementen die niet in een dorp ”thuishoren”, zoals een soldaat en een giraf. Hij heeft een hoog realiteitsgehalte en houdt zich aan ”hoe het hoort”.
– Johan heeft originele ideeën. Hij zet bv. twee bankjes tussen de kerkmuren en legt er een dak op. “Nu staan er echt banken in de kerk,” zegt hij lachend.
– Bij het bouwen van een weiland wil Johan (weer zoals het hoort) de diersoorten scheiden, maar er zijn niet genoeg hekken voor zijn ontwerp. Hij denkt na en zet de hekken dan in driehoeken neer in plaats van vierkanten, zodat hij steeds één hek overhoudt, dat hij weer kan gebruiken voor zijn nieuwe weilandje.
– Ook valt op dat Johan elementen bekijkt en aan de hand daarvan bepaalt hoe hij verder bouwt. Hij pakte bv. een zwaan, bekeek deze en ging toen op zoek naar water. Al snel vond hij de blauwe daken aannemelijk als water en bouwde hij een ingewikkelde constructie met de blauwe driehoekjes. Hij overzag meteen de mogelijkheden van driehoeken: dat konden vierkanten worden!
– Johan geeft in zijn spel aan dat hij wat moeite heeft met ”autoriteiten” (ouders, leerkrachten enz.) die hem vertellen wat hij moet doen, hoe hij het moet doen en wanneer. Er zitten duidelijk protestgevoelens in hem, die hij niet echt uit. Hij confirmeert zich aan ”hoe het hoort” en cijfert zichzelf daardoor wel eens weg.
– Verder laat Johan zien dat hij geduldig kan zijn, plannen uitdenkt en soms heel ver met zijn gedachten is, waardoor hij de essentie uit het oog verliest.
– Op grond van het hoge koppelingspercentage en de andere wereldspelkenmerken mogen we toch met grote zekerheid veronderstellen, dat Johan nog veel in beelden denkt en de overstap naar het talige (nog) niet gemaakt heeft.
– Johan werkt voor een groot gedeelte in beelden in plaats van met begrippen. Hij denkt voornamelijk vanuit het geheel naar de kern. Hierdoor is de omzetting naar taal (vanuit de details naar het geheel) moeilijk voor hem en ontstaan er specifieke leerproblemen als:
– slechte automatisering,
– zoeken naar overeenkomsten in plaats van verschillen,
– het zien van het geheel in plaats van de details,
– zwak kortetermijngeheugen,
– moeilijk verankeren van opdrachten.

PDO-verslag

In de uiteindelijke conclusie van het PDO worden de bevindingen van het Wereldspel gecombineerd met de uitkomsten van de andere onderzoeksgedeelten. Hierdoor krijgt de leerkracht meer inzicht in de basis van de problemen.