Stemklachten blijken vaak voor te komen bij leerkrachten in het basisonderwijs. Rond de 58 procent heeft er in meerdere of mindere mate last van. In dit artikel geven wij u informatie over het ontstaan van stemklachten en wat u kunt doen om die te voorkomen.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Marieke

Marieke, een leerkracht van 53 jaar, werkt al ruim 25 jaar in het onderwijs. De laatste tijd merkt ze aan het eind van de dag vaak dat ze een droge mond heeft. Het voelt dan of er iets in haar keel zit. Ook lijkt het wel of haar stem lager wordt. Het zingen met de kinderen gaat niet meer. Het is vaak te hoog voor haar. Bij roepen slaat haar stem over. En soms valt haar stem zelfs helemaal weg. In haar drukke kleutergroep vindt ze dat behoorlijk vervelend.
Marieke is niet de enige leerkracht met stemklachten. Uit een onderzoek aan de Universiteit van Nijmegen (2006) bleek dat bijna 60 procent van alle leerkrachten in het basis- en voortgezet onderwijs wel eens last van zijn (of haar) stem heeft. Dit aantal lijkt bovendien alleen maar toe te nemen.

Hoe werkt de stem?

In het strottenhoofd (in de keel) liggen twee kleine spiertjes: de stembanden (tegenwoordig stemplooien genoemd). In rust staan de stemplooien open. Maar door de uitgeademde lucht kunnen ze naar elkaar toe worden gezogen en in trilling worden gebracht. Die trilling zorgt voor geluid. Bij mannen komen de stemplooien bij normale spraak ongeveer 110 keer per seconde tegen elkaar aan. Bij vrouwen twee keer zo vaak: ongeveer 190 keer per seconde. Tijdens zingen kan dit oplopen tot wel 1000 keer per seconde!
Het basisgeluid dat de stemplooien maken, klinkt nog niet als een normaal stemgeluid. Het is een iel en wat zeurderig klinkend geluid. De resonantieruimtes in de keel-, neus- en mondholte maken de klank voller. Omdat die resonantieruimtes bij iedereen anders gebouwd zijn én omdat de lengte van de stembanden per persoon iets verschilt, heeft iedereen een andere stem. De articulatieorganen (tong, lippen, enzovoort) maken het mogelijk om verschillende klanken te maken.
Nota bene. Een voorbeeld van een basisgeluid (geluidsfragment) kunt u horen in de internetuitbreiding bij dit artikel.

Stemklachten bij leerkrachten

Als leerkracht praat u vrijwel de hele dag. En dat is behoorlijk intensief voor de stem. Daarnaast wordt de stem geregeld ingezet om de aandacht van kinderen te trekken (of vast te houden). Te denken valt bijvoorbeeld aan harder spreken in een drukke groep. Ook kan de schoolomgeving verkeerd stemgebruik uitlokken. Vaak wordt in een gymzaal bijvoorbeeld harder gesproken vanwege de slechte akoestiek.
Een van de belangrijkste oorzaken van stemklachten blijkt echter nog een andere te zijn, namelijk: stress. Als je gespannen bent, span je vaak onbewust ook spieren in de keel aan, waardoor de stemplooien minder gemakkelijk kunnen trillen en sneller worden overbelast. Stemproblemen – in de vorm van een vermoeid gevoel in de keel, heesheid, schorheid en/of knobbeltjes op de stemplooien – komen dan ook regelmatig voor bij leerkrachten. Dit kan erg vervelend zijn. Zeker als je je stem zo hard nodig hebt.

Waardoor ontstaan stemklachten?

Aanleg en gebruik

Stemklachten zijn eigenlijk altijd een combinatie van aanleg en gebruik. De aanleg van de stemplooien, het strottenhoofd en de spieren eromheen is per persoon verschillend. Waar de ene persoon na een avondje stappen bij wijze van spreken nog een complete voordracht kan houden met een heldere stem, heeft de andere persoon na een uur wat harder spreken al een hees klinkende stem. Aan deze aanleg zelf kun je weinig veranderen. Als je van nature een minder sterke stem hebt, kun je echter door te letten op je stemgebruik vaak wél voorkomen dat er blijvende stemklachten ontstaan. Daarnaast zijn de stemplooien – net als alle andere spieren in je lichaam – te trainen.

De meeste stemklachten komen voor bij leerkrachten in de onderbouw. Meestal is de oorzaak: (te) hoog spreken, met een verkeerde manier van ademhalen. Maar ook op een verkeerde manier roepen en zingen kan stemklachten geven.
Het grootste deel van de leerkrachten met stemklachten is vrouw. Omdat bij vrouwen de stemplooien veel vaker per seconde tegen elkaar aan komen dan bij mannen, is de kans op irritaties bij hen groter. Daarnaast kan de stem bij vrouwen rond de overgang veranderen onder invloed van hormonen. Meestal worden de stemplooien dan iets slapper, waardoor ze niet meer volledig sluiten.
En een puntje voor rokers met stemklachten: roken is sowieso erg slecht voor de stem. De rook droogt de slijmvliezen in mond, keel en rond de stemplooien uit en irriteert ze, waardoor de stemplooien minder zacht en soepel worden. Langdurig roken kan zorgen voor oedeem (vochtophoping) rondom de stemplooien, waarbij de stem lager wordt.

Vicieuze cirkel

Stemklachten ontstaan meestal geleidelijk. Eerst merk je – bijvoorbeeld als je verkouden bent – dat je stem wat heser klinkt. Of je hebt – na een drukke dag, waarin je wat gespannen bent geweest – een vermoeid gevoel in de keel. In het begin is dit na een nachtje slapen vaak wel weer over. Veel mensen proberen echter om die tijdelijke heesheid (of het nare gevoel in de keel) te verhelpen door spanning in het keelgebied te maken (of door te kuchen of de keel te schrapen). Hierdoor ontstaat weer extra irritatie rond de stemplooien, met meer heesheid (of vermoeidheids- en pijnklachten in de keel). Uiteindelijk kom je dan in een vicieuze cirkel terecht, waarbij het erg moeilijk is om er zelf weer uit te komen.

Hoe kan ik stemklachten voorkomen?

Een goede ademhaling

• Buikademhaling
Voor een goede stem is de ademhaling het belangrijkst! Veel leerkrachten zijn geneigd om spanning op hun keel te zetten bij roepen en harder spreken. Gebruikmaken van een goede ademhaling belast de stemplooien niet en werkt beter: je gooit als het ware de aandrijfkracht helemaal open.
Een goede ademhaling is een vorm van buikademhaling. Bij buikademhaling vullen de longen zich helemaal, waarbij het middenrif wat omlaag gaat en het gebied rond je navel bij het inademen iets uitzet. Bij het uitademen lopen de longen leeg en komt het middenrif weer naar boven, waardoor de buik weer plat wordt. Dit in tegenstelling tot borstademhaling, waar je alleen het bovenste deel van de longen gebruikt en de kans groter is dat je spieren rond schouders en keel gaat aanspannen.

• Oefeningen
U kunt buikademhaling zelf oefenen. Het werkt vaak het gemakkelijkst om het eerst in een liggende, ontspannen situatie te proberen. (Bijvoorbeeld als u op uw rug in bed ligt.) Voel dan eens waar de meeste beweging zit bij het ademhalen: laag in uw buik of hoger? Als u merkt dat u geneigd bent om hoog adem te halen, leg dan uw hand eens wat lager en probeer de adem daarheen te sturen. Als u merkt dat dit goed gaat, kunt u uw adem hoorbaar maken door uit te ademen op een f en een s. Later kunt u dat doen op een z, een v, andere klanken en langere woorden en zinnen.
Van daaruit kunt u ook in zittende en staande situaties – en later in de klas – gaan proberen om buikademhaling toe te passen. Dit zal misschien niet in één keer lukken. Maar u zult merken, dat het steeds makkelijker gaat, hoe meer u erop let.
Bij spanning of drukte zijn veel mensen geneigd om oppervlakkig te gaan ademen. Houd juist in die situaties uw adem eens in de gaten. U zult waarschijnlijk merken dat deze manier van ademhalen voor meer ontspanning zorgt.

Een gezonde luidheid

Ook de luidheid waarmee je spreekt is belangrijk. Als je te zacht praat, heb je de neiging om spanning op je keel te zetten, om tóch verstaanbaar te zijn. Bij hard praten (roepen) praat je vaak te hoog en probeer je het volume uit je keel te halen in plaats van uit een lage ademhaling. Natuurlijk zult u er in de klas niet aan ontkomen om af en toe wat harder te moeten spreken. Als u er in die situaties op let vooral volume te maken door een wat grotere en krachtigere adembeweging met uw buik te maken (ademsteun) en geen spanning op de keel te zetten, dan kunt u op een natuurlijke en gezonde manier wat harder praten, als dat nodig is. Probeer uw stem nooit te forceren. Dit is altijd slecht voor de stem. Hetzelfde geldt voor kuchen en schrapen, veelvuldig hoesten en fluisteren. Nota bene. Zie voor meer informatie de Tips voor goed roepen hiernaast.

Tips voor goed roepen

• Zorg dat u eerst de aandacht van de kinderen op u richt, voordat u begint te praten.

Dit kan bijvoorbeeld door in de handen te klappen of te fluiten. (Ook tijdens een gymles werkt het goed om te fluiten, in plaats van veel te roepen.) De kinderen zijn dan misschien niet meteen stil, maar ze weten wél dat u iets wilt gaan zeggen.

• Probeer te letten op de volgende zaken:

– Praat op een normale, niet te hoge toonhoogte.
– Zorg voor een goede ademsteun.
– Gebruik korte zinnen bij luid praten. Bij lange zinnen loopt u het risico te lang door te praten op één ademhaling, waardoor u aan het eind van de zin vaak spanning op uw keel gaat zetten.
– Zorg voor een ontspannen articulatie, met de kaak open en los. Tussen de twee kaken moet een ruimte zitten van ongeveer twee vingers breed. Als u tijdens het praten de mond goed (niet te overdreven) opent, kan het geluid makkelijker weg en kunt u met minder volume tóch genoeg geluid maken. Zeg maar eens luid “Haa!” met de kiezen op elkaar. Doe daarna hetzelfde, maar dan met de kaak open. U zult merken dat het de tweede keer luider klinkt!

Een passende toonhoogte

• Optimale spreekstemhoogte
De basis voor het spreken ligt dus in een goede ademhaling. Als u dit goed doet, gaat spreken vanzelf, zonder moeite. Daarnaast is de manier van spreken erg belangrijk. Je spreekt het meest ontspannen, als je op een niet te hoge toon spreekt, bij een normale luidheid. Hoe hoger je wilt spreken, hoe harder je de stemplooien moet aanspannen en hoe groter de kans is op stemklachten. Vooral leerkrachten, die veel met jonge kinderen (3-7 jaar) werken en/of vaak voorlezen aan deze kinderen, hebben de neiging om te hoog te gaan praten.
Iedereen heeft van nature een andere, bij hem (of haar) passende spreekstemhoogte. Een kort testje om de bij u passende spreekstemhoogte te vinden (en vast te houden) gaat als volgt:
– Tel rustig van 1 tot en met 10, alsof u aftelt voor het spelen van verstoppertje.
– Houd het laatste getal (10) wat langer aan.
– De toonhoogte waarop u hebt geteld, is meestal de toonhoogte, die het best bij uw stem past: uw optimale spreekstemhoogte.
Dit betekent niet, dat u nu altijd op deze toon moet gaan praten. Want dat zou erg eentonig zijn. Het betekent wél, dat u tijdens normale spraak het best kunt proberen om niet veel hoger (of lager) dan op die gemiddelde spreekstemhoogte te spreken. U spreekt er – door uw intonatie – dan qua toonhoogte soms wat onder (en soms wat boven), maar gemiddeld zit u ongeveer op die optimale spreekstemhoogte.

• Kinderliedjes
Ook bij het zingen van kinderliedjes gebruiken veel leerkrachten te weinig ademsteun en gaan dan spanning maken in het keelgebied. Deze liedjes zijn vaak wat hoger van toon, omdat een kinderstem hoger is dan een volwassen stem. Aangezien de liedjes vaak niet in het stembereik van de meeste volwassen, ongeschoolde zangstemmen vallen, is het sowieso de vraag, of het verstandig is om veel (en vaak) mee te zingen met kinderliedjes. Een goed alternatief voor zelf voorzingen is het laten horen van (en meezingen met) een liedje op een cd of het voorspelen van de melodie op een instrument.

Logopedist

Als u merkt dat u tóch stemklachten blijft houden, dan kunt u via uw huisarts contact opnemen met een logopedist. Die is ervoor opgeleid om mensen met problemen op het gebied van stem, spraak, taal, gehoor, slikken en communicatie te onderzoeken en te behandelen. Sommige logopedisten zijn gespecialiseerd in de behandeling van mensen met stemklachten en hebben hiervoor aanvullende cursussen gevolgd.
Het is belangrijk om niet te lang door te lopen met stemklachten. Als een verkeerde gewoonte eenmaal is ingeslepen, is het moeilijk om die weer af te leren. Daarnaast kan het probleem – door de eerdergenoemde vicieuze cirkel – steeds ernstiger worden, waardoor op den duur lichamelijke afwijkingen op de stemplooien kunnen ontstaan (knobbeltjes of poliepen).

Marieke

Marieke ging zich al snel zodanig ergeren aan haar stemklachten, dat ze via de huisarts een afspraak maakte met een logopedist. Die constateerde, dat er waarschijnlijk sprake was van beginnende stembandknobbeltjes, als gevolg van verkeerd stemgebruik.
Marieke had een hoge inademing in plaats van een buikademhaling en zette spanning op haar keel bij zingen en roepen. Dit veroorzaakte het gevoel, dat er iets in de keel zat. Tevens bleek Marieke in de overgang te zijn, waardoor haar stem onder invloed van hormonen was veranderd.
Door middel van massage van het strottenhoofd werd eerst de spanning in het strottenhoofd weggenomen, waarna ze leerde spreken, roepen en zingen met voldoende ademsteun. Omdat haar stem wat lager is geworden en ze de kinderliedjes niet goed meer mee kan zingen, laat Marieke haar leerlingen voortaan meezingen met een cd. Ook let ze tijdens het voorlezen op haar intonatie en haar goede spreekstemhoogte.

Nota bene. Zie voor meer informatie over het gevoel, dat er iets in de keel zit de internetuitbreiding bij dit artikel.

Tot slot

Mocht u na het lezen van dit artikel meer informatie willen hebben over het besproken onderwerp, dan kunt u terecht in de internetuitbreiding bij dit artikel. Daar zijn namen van websites en titels van boeken vermeld, die leuk én leerzaam zijn.
We hopen u in dit artikel meer inzicht te hebben gegeven in het ontstaan en voorkomen van stemklachten. Wees zuinig op uw stem! Een leerkracht kan niet zonder!