De toekomstige leraar basisonderwijs zal zijn (of haar) opleiding steeds meer ontvangen in een weidse werkplekleeromgeving, die veel meer omvat dan het curriculum van de pabo en de werkplek op de basisschool.
Maar hoe zo’n werkplekleeromgeving er precies uit moet zien, is nog nauwelijks bekend. Daarom is een promotieonderzoek uitgevoerd naar de kwaliteitskenmerken van dergelijke werkplekleeromgevingen, die het leren onderwijzen van aanstaande leraren krachtig kunnen bevorderen.

Ontwikkeling

De ontwikkeling, die zich de laatste tijd (ook) in Nederland heeft voorgedaan, kunnen we als volgt schetsen. Voorheen kregen aanstaande leraren vanuit een leerplan gestuurde stageopdrachten. Doorgaans was daarbij sprake van een beperkte koppeling tussen theorie en praktijk. Zowel vanuit het beleid als vanuit de praktijk merken we de laatste jaren een steeds sterkere roep om de professionalisering van aanstaande leraren te versterken. Daar willen zowel scholen als opleidingen samen verantwoordelijk voor zijn. Die ontwikkeling zien we in de praktijk dan ook terugkomen in een toenemende nadruk op samen opleiden.
Voor de aanstaande leraar zien we een verschuiving van instructiegericht opleiden naar competentiegericht leren onderwijzen, van aanbodgericht werken naar vraaggestuurd werken en van individueel leren naar samen leren. De aanstaande leraar heeft meer en meer een eigen verantwoordelijkheid en maakt ook vaker deel uit van het schoolteam.
In Nederland zien we nu een grote diversiteit, onder namen als: opleiden in school, opleidingsscholen en academische basisscholen. Langzaamaan verschuift dit nu naar de gedeelde verantwoordelijkheid van samen opleiden. Tot een samenhangend beeld van wat een werkplekleeromgeving zou moeten zijn, is het echter nog niet gekomen.

Scenario’s

Kwaliteitskenmerken

Een werkplekleeromgeving omvat meer dan alleen de werkplek. Zij wordt gevormd uit de werk- en leeromgeving van basisschool en hogeschool, die deze omgeving voor (en soms ook samen met) de aanstaande leraar inrichten. In het geval dat de aanstaande leraar daadwerkelijk bij de inrichting is betrokken, gaat het dus om drie partners. Voor ons is de aanstaande leraar uiteindelijk zélf verantwoordelijk voor het eigen leren onderwijzen. Daartoe moet hij (of zij) dan wel in de gelegenheid worden gesteld door de beide andere partners (hogeschool en basisschool).
Omdat wij nadrukkelijk ook het perspectiefvan de aanstaande leraar wilden leren kennen, is ook die bewust in het onderzoek betrokken. De drie partners zijn in het onderzoek over een tijdsbestek van vier jaar op twee werkplekleeromgevingen bevraagd op wat er allemaal bij zo’n werkplekleeromgeving komt kijken en wat de inhoudelijke kwaliteitskenmerken ervan zijn.

Componenten

Uit dat onderzoek verkregen we 104 elementen, die er voor de inrichting toe doen. We konden deze elementen groeperen in negentien kenmerken en zeven componenten. In de praktijk dienen er binnen de werkplekleeromgeving in ieder geval te zijn: een op de aanstaande leraar afgestemd onderwijsaanbod (1), een emotioneel veilig en uitdagend en stimulerend leerklimaat (2) en professionaliteit (3). Tevens moet er aan bepaalde condities (4) worden voldaan. En er moet sprake zijn van kwalitatief goede begeleiding (5), kwaliteitszorg (6) en een herkenbare gerichtheid op het uiteindelijke doel (en tevens opbrengst) van de werkplekleeromgeving: de startbekwaamheid (7).
Aan de partnerschappen konden we drie scenario’s onderscheiden, die we benoemden als: leverancier van stageplaatsen (1), medeopleider (2) en partners in leren (3).
De negentien kenmerken, die we binnen de zeven componenten onderscheiden, bleken te plaatsen te zijn in deze drie scenario’s, die we onderscheiden bij het vormgeven van werkplekleeromgevingen binnen de partnerschappen. Schematisch weergegeven:

 

26-01-05-01
Drie scenario’s in het partnerschap van samen opleiden

• Scenario 1: leverancier van stageplaatsen
Bij de partnerschool is er géén intentie een grote rol te gaan spelen in samen opleiden.

• Scenario 2: medeopleider
Bij de partnerschool stelt de school ten minste een opleider in de school aan, die verantwoordelijk is voor (onder meer) de begeleiding van de aanstaande én zittende leraren.

• Scenario 3: partners in leren
Partnerschool, hogeschool en aanstaande leraar zijn partners in leren. Dit scenario is gebaseerd op een breed gedeelde visie op leren, onderwijzen en begeleiding. De ontwikkeling van de aanstaande én van de zittende leraren is onderling gekoppeld en gerelateerd aan schoolontwikkeling, waarbij de scheiding tussen theorie en praktijk is overbrugd met behulp van wat wij noemen ontwikkelingsbegeleidend onderzoek.
Dit scenario gaat verder dan het scenario medeopleider, door de sterke, reflectieve verwevenheid van (en koppeling tussen) theorie en praktijk. Bovendien is de – zo veel mogelijk vraaggestuurde – ontwikkeling van de aanstaande leraar, als eerste stap in een levenslang professionaliseringstraject, nadrukkelijk geplaatst binnen de schoolontwikkeling. Een schoolontwikkeling, die met behulp van praktijk- of actieonderzoek systematisch wordt geborgd. En waarin de aanstaande leraar dus ook actief participeert.

Evolutie

Bij de eerste werkplekleeromgeving die is onderzocht, vijf jaar geleden, werden aanvankelijk weliswaar nog veel aspecten van een stageschool aangetroffen, maar alle betrokkenen wilden in ieder geval verder gaan dan het alleen maar zijn van leverancier van stageplaatsen (scenario 1). Een andere werkplekleeromgeving, die twee jaar later werd onderzocht, vertoonde al meer elementen van een partnerschool, die tevens medeopleider (scenario 2) wil zijn.
Over de vraag hoe veel scholen er inmiddels in elk scenario zitten, valt nu nog weinig te zeggen. Daartoe ontbreken de cijfers. Wel signaleren we uit de eigen opleidingspraktijk en de deelname van project- en pilotscholen aan onze lectoraten, dat veel scholen zich willen ontwikkelen in de richting van partners in leren (scenario 3). De vraag is te stellen of er allemaal scenario 3-scholen moeten komen. Het gaat er in ieder geval om hoe scholen zelf het leren van alle betrokkenen binnen die werkplekleeromgeving inhoud en vorm willen en kunnen geven.

Cruciale kenmerken

Centraal staat het bijdragen aan een krachtige werkplekleeromgeving, waarbinnen aanstaande leraren dusdanig vakbekwaam leren onderwijzen, dat ze hun eigen leerlingen straks kunnen involveren in volwaardige leerprocessen.
Uit het onderzoek bleek, dat vier van de negentien kenmerken voor een dergelijke werkplekleeromgeving cruciaal zijn. Essentieel blijken te zijn:
– de zorg voor een doorgaande lijn in de ontwikkeling van de aanstaande leraar;
– het maken van samenwerkingsafspraken tussen de partners;
– de kwaliteit van mentoring en coaching;
– en een gerichtheid op het verwerven van de vereiste bekwaamheden door de aanstaande leraar.

Mentoring

Kern

Vanwege de centrale rol, die mentoring speelt voor het leren onderwijzen, is daar in het onderzoek speciale aandacht aan besteed. Eerst is, zoals van elk kenmerk, een beschrijving gegeven van wat eronder wordt verstaan. Onder mentoring verstaan we: de begeleiding van de aanstaande leraar door de leraar van de basisschool.
De kern van mentoring komt expliciet tot uitdrukking in de mentoringsgesprekken. Daarom is heel specifiek naar de inhoud en vorm van een aantal opeenvolgende mentorings­gesprekken tussen verschillende mentoren en aanstaande leraren gekeken en de kwaliteit van die gesprekken in beeld gebracht. (Waar gaan ze over? Hoe verlopen ze? Initiatiefname. Duur. Kernactiviteiten.)

Analyses

Uit de kwalitatieve analyseresultaten bleek dat de gesprekspartners in geringe mate terug- en vooruitblikken tijdens de mentoringsgesprekken. Hierdoor kan de doorgaande lijn in de ontwikkeling van de aanstaande leraar in het gedrang komen. Uit nadere analyses bleek bovendien dat mentoren en aanstaande leraren opgedane ervaringen vooral refereren aan de eigen onderwijspraktijkervaringen. Koppelen aan theoretische inzichten en concepten kwam beperkt voor. Er is zeker dus nog aandacht nodig om kwalitatief goede mentoringsgesprekken te realiseren.
In dat verband willen we wijzen op de mogelijke fricties, die er in de opleidingssituatie kunnen ontstaan. De afstemming tussen wat de aanstaande leraar zélf moet leren en wat (en hoe) hij (of zij) de kinderen moet (helpen bij hun) leren, is heel belangrijk. Naarmate de aanstaande leraar binnen de school en de schoolontwikkeling volop als een collega participeert, is het moeilijker tegelijkertijd ook zijn (of haar) eigen ontwikkeling in de gaten te houden. Die match is natuurlijk cruciaal. En dat verklaart mede waarom mentoring is te zien als een krachtig kenmerk, maar tegelijk ook als een kwetsbaar kenmerk.

Aanbevelingen

Uiteindelijk konden we uit ons onderzoek vier expliciete aanbevelingen afleiden:

1 De eerste aanbeveling is om in vervolgonderzoek na te gaan of ook andere dan de onderzochte werkplekleeromgevingen met behulp van het nu geschetste kader in beeld kunnen worden gebracht.
Het ontwikkelde conceptueel analytisch kader kan in de praktijk fungeren als een kwaliteitsinstrument voor bestaande en nieuw in te richten werkplekleeromgevingen.

2 Daarop is de tweede aanbeveling gebaseerd, dat landelijke pedagogische centra of aan lerarenopleidingen verbonden lectoraten een dergelijke uitwerking op zich nemen en die beschikbaar stellen voor de praktijk. Dit laatste blijkt overigens al te gebeuren, zoals onder meer de opname in het Bestuurscharter van de HBO-raad en de verwerking in het zelfevaluatie-instrument ZEK (WSNS+ en OiS) laten zien.

3 De derde aanbeveling heeft betrekking op mentoring. Binnen de nieuwe vormen van samen opleiden is het aan te bevelen om mentoren specifiek te professionaliseren voor hun taak van mentor. Daar zou wat ons betreft overigens al mee begonnen moeten worden op de lerarenopleidingen.

4 Tot slot concluderen we, dat het onderzoek enerzijds duidelijk maakt dat het samen opleiden een omvangrijke innovatie is en dat de implementatie complex is, maar dat het tevens laat zien dat deze innovatie haalbaar is en dat ze voor het leren onderwijzen enkele aanwijsbare, krachtige kenmerken bezit. Daarom bevelen we aan op de ingeslagen weg van “samen opleiden” voort te gaan.

Literatuur

• J. J. M. Geldens, Leren onderwijzen in een werkplekleeromgeving. Een meervoudige casestudy naar kenmerken van krachtige werkplekleeromgevingen voor aanstaande leraren basisonderwijs (Proefschrift Radbouduniversiteit Nijmegen), Kempellectoraat, Pedagogische Hogeschool De Kempel, Helmond, 2007.
• J. J. M. Geldens & H. L. Popeijus, Van leverancier van stageplaatsen naar partners in leren, Kempellectoraat, Pedagogische Hogeschool De Kempel, Helmond, 2007.
• E-mail: lectoraat@kempel.nl.