Aflevering 1 van een maandelijkse column over angsten bij kinderen, naar aanleiding van het artikel “Bange kinderen” in Praxisbulletin 27-1 (september 2009).

De klas

Rick zit in groep 3 bij juffrouw Agnes. Rick vindt haar een lieve juf, maar soms moet hij dingen doen waarvoor hij een beetje bang is. Ook vandaag is dat weer zo. Als de juf het werkje aan de groep uitlegt, vindt hij het eigenlijk niet moeilijk. Rick krijgt zelfs de beurt en direct weet hij het antwoord op de vraag hoeveel mensen er nog in de bus zitten als er vier mensen uitstappen. De juf maakt zelfs een grapje met hem, of hij de chauffeur toch niet heeft laten uitstappen. Maar daar staat al op het bord wat er vandaag gemaakt moet worden: bladzijde 12 en van bladzijde 13 de eerste twee rijtjes. Wie dan nog tijd over heeft, mag ook de laatste twee rijtjes proberen.
Vanaf dat moment voelt Rick zich niet zo lekker. Maar hij weet dat de juf zo bij hem komt. Hij vindt het toch nog wat eng om te beginnen, maar de juf heeft afgesproken dat hij eerst moet kijken welke sommen hij niet moeilijk vindt. Hier moet hij een stip bij zetten. Daar komt de juf al. “En, hoeveel denk je er al zelf te kunnen?” vraagt de juf. Dat zijn er vier. “Ga die eerst maar maken,” zegt ze. En: “Als ik er dan nog niet ben, zie je misschien nog wel een som die niet toch niet zo moeilijk is.”
Rick gaat aan het werk en als hij met de vier sommen klaar is, ziet hij nog twee sommen die niet zo moeilijk lijken. Hij durft deze nog niet te maken, maar als de juf ernaar vraagt, vertelt hij dit wel. Hij blijkt één som fout te hebben, maar hier besteedt de juf geen specifieke aandacht aan. “Kan gebeuren,” zegt ze. “Ik zie dat er nog drie sommen gemaakt moeten worden op deze bladzijde; welke doen we eerst?” vraagt de juf.
Rick wijst de bovenste aan en hij moet uitleggen wat hij hier moeilijk aan vindt. “Ik vind het getal zo groot,” zegt Rick. De juf reageert met: “Vertel maar hoe jij denkt dat de som moet, dan zal ik je helpen als je niet verder komt.” Vlot komt Rick tot het goede antwoord. De juf legt haar hand op zijn schouders en wijst de som aan die hij nog moet maken, met de opmerking: “Deze som is dezelfde als waarmee jij de beurt kreeg” en ze geeft hem een knipoog. “Nu verwacht ik die laatste som ook van jou. Je weet hoe boos ik word als die fout is, dus doe je best.” Enigszins lachend gaat Rick aan het werk.

Achtergrond, ontwikkeling, voorgeschiedenis

Rick is 7 jaar en de oudste uit een gezin met twee kinderen.
Zijn moeder geeft aan dat zij, terugkijkend op de opvoeding van Rick, misschien wat te beschermend is geweest. “Het was mijn eerste en je wilt het zo goed doen,” vertelde ze aan de kleuterjuf. “Bij de tweede gaat het al direct een stuk gemakkelijker,” vertelt ze, “en durf je meer “‘los” te laten.” Het resultaat is dat er een duidelijk verschil waarneembaar is tussen de twee jongens. De tweede is, in tegenstelling tot Rick, juist vrolijk en een durfal. Hij neemt Rick regelmatig “op sleeptouw”.
Maar ze ziet ook een karakterverschil tussen beiden. In de onderbouw liet Rick zich moeilijk verleiden tot samenspel en koos hij lange tijd voor gemakkelijke werkjes. Als de juf hem uitdaagde, lukte het altijd wel, maar het zelfvertrouwen ontwikkelde zich maar mondjesmaat. Als oudste kleuter is Rick gekoppeld aan een maatje om voor te zorgen, waarover de juf met hem gesprekjes voerde om hem bewust te maken van zijn groei en kwaliteiten. Zowel preventief met vragen als “Wat denk jij te gaan doen om hem te kunnen helpen?” als achteraf met vragen als “Wat heeft hij van jou geleerd en hoe heb je hem dat geleerd.” Dit bleek een wat “steviger” Rick op te leveren, wat moeder ook thuis herkende. Hij kwam bv. meer voor zichzelf op en was kritischer als zijn broertje hemvoorstelde iets te gaan doen.
De juf en moeder hadden regelmatig een gesprekje over de aanpak en de ontwikkelingen. De kernvraag was, hoe zo neutraal mogelijk met de afhankelijkheid van Rick om te gaan. Ook werd bewust ingegaan op een positieve beïnvloeding van het zelfbeeld. Dit gebeurde door een boekje aan te leggen waarin “zijn groei” zichtbaar gemaakt werd. In het boekje staan foto’s, tekeningen van Rick en teksten die zijn moeder erin noteerde uit gesprekjes met Rick. De strekking was steeds: “‘wat kan ik al, wat wil ik leren?” Bij bezoeken van oma was het boekje standaard een gespreksonderwerp.

Plan van aanpak, IHP, evaluatie

In groep 3 wordt vanuit de overdrachtsbespreking afgesproken direct de vinger aan de pols te houden. De juf signaleert meteen dat Rick moeite heeft om zijn werk op tijd af te krijgen. Na gericht observeren blijkt dat Rick moeite heeft met starten na de instructie. Dit gebeurt vooral als er nieuwe(re) opdrachtjes zijn. Afgesproken wordt om na de instructie in overleg met Rick te vragen wat hij moeilijk en wat hij gemakkelijk vindt. Er zijn symbolen afgesproken en de juf komt met een vooraf overeengekomen regelmaat bij hem langs.
Hoewel Rick soms “haalbare” opdrachtjes toch als moeilijk te maken aangeeft, probeert de juf hem meer inzicht te geven in zijn handelwijze. Dit doet zij door reflectieve vragen te stellen (“Hoe denk je dit te gaan oplossen?”) en procesfeedback te geven (“Hoe gaat het met de opdracht?”). Rick ziet het een tijdje als een spelletje, alsof hij niet zonder deze aandacht kan, maar de juf daagt hem steeds meer uit en spreekt vooral het verwachte gedrag uit. Na enkele weken bespreekt zij het onderwerp: “Hhoeveel hulp gaf ik eerst en hoeveel nu?” Rick moet toegeven dat hij al veel meer sommen zelf kan maken. Het tempo blijkt eveneens duidelijk vooruitgegaan, ook in situaties waarin geen specifieke hulp is ingezet. Als er meer geëist wordt, maakt Rick nog wel eens wat foutjes, maar worden deze door de juf bewust niet genoemd.

Bij de testen – en zeker bij de methodeonafhankelijke toetsen – wordt bewust enige preteaching gegeven, om Rick niet te veel negatieve ervaringen op te laten doen. Dit doet de juf door de dag voor zo’n toets tijdens het zelfstandig werken een gesprekje met Rick te hebben over de toets en dat de sommen er dan mogelijk iets anders uitzien. In de volgende periode in het handelingsplan wordt bij de bespreking afgesproken om de eisen wat op te schroeven, zoals moeilijkere sommen aanbieden en de periode van uitsteltolerantie verlengen. Maar de tijd voor procesfeedback wordt niet verkort. Dit om Rick wel de gelegenheid te geven zijn falen en/of succes direct te kunnen delen.

De toekomst

Het is duidelijk te merken – vindt de juf in het gesprek met moeder – dat Rick minder gespannen aan het werk is en fouten beter accepteert. Moeder ervaart de begeleiding als prettig en ziet thuis ook een andere Rick. Op school wordt het begeleidingsplan bijgesteld, maar dit is meer gericht op “vinger aan de pols” houden dan op specifiekere afspraken. Afgesproken wordt dat, wanneer de ouders of de leerkracht merken dat Rick weer meer gespannen wordt, zij direct contact met elkaar zoeken. Deze snelle en adequate aanpak van de faalangst blijkt bij Rick zeer goed te werken.