“Vorige week nog. Dan ga je toch een grens over. Komt er zo’n jarige kleuter je klas binnen wandelen. Je geeft een hand. En dat kind buigt voorover om een zoen in ontvangst te nemen. Het gaat zó snel. Voor je het weet, geef je zo’n kind een zoen. En dan denk ik: er hoeft maar één ouder te zijn die dit ziet en ik hang.”
Dit artikel is zeker geen pleidooi om het zoenen van kinderen binnen de school aan te bevelen. Wél is het een poging om de pedagogische waarde van het aanraken van kinderen onder de aandacht te brengen. De angst regeert. En hoewel dit begrijpelijk is, gaan we hiermee voorbij aan een belangrijke levensbehoefte van kinderen.
Dit artikel bespreekt het aanraken vanuit drie perspectieven. Allereerst gaan we kijken naar wat er bekend is over aanraken in de literatuur. Vervolgens nemen we het aanraken van kinderen onder de loep. En we sluiten af met een kort verslag van een onderzoek naar aanraken, zoals dat is uitgevoerd door studenten en docenten van de Hogeschool Utrecht.

Aanraken: hoe werkt het?

Cultureel bepaald

Psycholoog Harlow onderzocht in de jaren vijftig de kracht van aanraking. Hij zette aapjes in een kooi, met daarin een “ijzeren moederaap”, die melk gaf en een “badstof moederaap”, die weliswaar zacht aanvoelde, maar géén melk gaf.
Wat bleek? De aapjes gingen bliksemsnel even eten halen bij hun “ijzeren moeder”, om zich vervolgens urenlang vast te klampen aan hun “badstof moeder”. Aapjes, die langdurig werden veroordeeld tot een “ijzeren moeder”, ontwikkelden zich minder sociaal, vertoonden minder exploratiedrang en waren angstiger dan aapjes die mochten genieten van een “badstof moeder”.
Aanraken is cultureel bepaald. In culturen waar aanraken niet vaak voorkomt, zien we meer agressie dan in culturen waar aanraken vanzelfsprekend is. In de westerse samenleving zien we een afname van lichaamscontact. In de taal van een leerkracht: “Ik raak geen kind meer aan. Dat is hier op school een afspraak.” Hierdoor is er kans op tastarmoede.

Stemmingshormoon

De huid zit vol met sensoren, die via het zenuwstelsel prikkels doorgeven aan de somatosensorische cortex. Hier wordt een verbinding gemaakt met ons emotionele brein. In dit deel van onze hersenen wordt beoordeeld of de aanraking gewenst of ongewenst is. Als de aanraking gewenst is, wordt oxytocine aangemaakt.
De positieve effecten van dit hormoon zijn talrijk, maar vaak onbekend bij opvoeders. Oxytocine – ook wel stemmingshormoon genoemd – zorgt ervoor, dat we aardig zijn en ons sociaal gedragen. Het bestendigt de relatie met anderen, laat de bloeddruk dalen, doet stress afnemen en zorgt voor een goede werking van het spijsverteringssysteem. Het bevordert de groei en het leervermogen. En het bestrijdt pijn. Tot slot heeft fysiek contact een positief effect bij rouwverwerking en verdriet (Moberg, 2007).

Het belang van het aanraken van kinderen

Effecten van babymassage

In een Amerikaans ziekenhuis, op een afdeling voor te vroeg geboren baby’s, werd een opmerkelijke ontdekking gedaan. Baby’s van afdeling A groeiden beter dan baby’s van afdeling B. Sterker nog: de baby’s van afdeling A maakten zelfs een normale ontwikkeling door, ondanks het feit dat ze te vroeg waren geboren. Er werd een onderzoek ingesteld door de artsen.
De heersende overtuiging was: kinderen die te vroeg geboren zijn, kun je maar beter niet aanraken. Allerlei infecties liggen op de loer, terwijl ook het zenuwstelsel snel beschadigd kan raken. Om deze medische redenen hield men zich aan de code: verboden aan te raken!
Op een dag bleek, dat op afdeling A een nachtzuster werkte, die schoorvoetend toegaf, dat ze huilende baby’s uit de couveuses haalde om ze te strelen en te troosten. Ze kon het wanhopige gehuil van deze baby’s niet verdragen en negeerde stiekem het verbod. Toen ze merkte, dat deze kinderen hier helemaal geen schade van ondervonden – en zelfs van de aanraking genoten! – besloot ze om hiermee door te gaan. Haar schuldgevoel verdween.
Het effect van babymassage is in meerdere studies aangetoond. Kinderen die gemasseerd worden, groeien beter én ontwikkelen zich beter dan kinderen die niet gemasseerd worden. Zowel op verstandelijk als op motorisch gebied. Bij premature baby’s is dit verschil zelfs 47 procent!

Beschikbare literatuur

Een zoektocht naar literatuur over het aanraken van kinderen levert niet erg veel resultaat op. Toch zijn er wel enkele interessante passages over dit onderwerp te vinden. Een korte bloemlezing.

• Sluijter (2004) maakt onderscheid tussen kinderen met huidhonger en kinderen met huidafweer. Ze stelt, dat deze verschillen bepaald kunnen worden door het effect van de fysieke ervaring van het aanraken en door de manier waarop een kind thuis door zijn (of haar) ouders van jongs af aan is aangeraakt.
Kinderen die zelden of nooit aangeraakt worden, kunnen aanrakingen als een inbreuk op hun persoonlijke integriteit ervaren, los van de bedoelingen van de opvoeder. In dit geval zal de opvoeder de professionaliteit moeten opbrengen om zijn (of haar) eigen aanraakgedrag hierop aan te passen. Sluijter noemt dit het FQ en stelt dit naast het IQ en EQ.
Sluijter herkent in de rituelen van bendes en groepen jongeren een poging de huidhonger te stillen en de onderlinge verbondenheid te benadrukken. Veel van deze groepen hebben vaste begroetingsrituelen, die gepaard gaan met lichamelijk contact.

• Oomkes (2003) wijst op een belangrijk aspect bij het aanraken: de intieme zone. Mensen – en dus óók kinderen – hebben behoefte aan persoonlijke ruimte. Die persoonlijke ruimte is deels cultureel bepaald. Een ander mag niet zomaar in jouw intieme zone binnendringen. Dit verschijnsel herkennen we, als we in een overvolle trein tegen andere mensen “geplakt” staan.
Voor het onderwijs kunnen we hier de les uit halen, dat het niet vanzelfsprekend is, dat je je in de intieme zone van een kind mag begeven. Als de aanraking niet logisch past in de relatie tussen kind en leerkracht, dan kan een leerkracht het gevaar lopen de intieme zone van een kind verkeerd in te schatten.

• Van Manen (1996) plaatst het aanraken in het kader van tactvol omgaan met kinderen. Als je tact in orde is en aansluit bij de behoefte van het kind, is er volgens Van Manen werkelijk contact. Contact wordt door hem beschreven als fully in touch, being in tact.

Aanraakgedrag

Ons aanraakgedrag ligt onder vuur. Scholen en besturen stoppen veel energie in het reguleren van het aanraakgedrag. Posters worden van ramen gehaald, zodat iedereen de klas in kan kijken. Leerkrachten wordt verboden om zich alleen met een leerling in het lokaal te bevinden. Deze maatregelen worden eerder ingegeven door de angst ergens op “betrapt” te worden dan door de pedagogische waarde van het aanraken zelf.
Deze pedagogische waarde wordt zwaar onderschat. Dit heeft tot gevolg, dat de balans zoek is. Een school die de regel “Wij raken kinderen niet aan” hanteert, doet niet alleen zichzelf, maar ook de kinderen ernstig tekort. Zaken die breed aandacht krijgen in de media doen de zaak geen goed. Gevolg is dat het aanraken lijkt te zijn voorbehouden aan een klein kringetje van intimi.
Is er dan helemaal geen enkel gevaar? Nauwelijks, zou je kunnen zeggen. Leerkrachten die zich hebben schuldig gemaakt aan seksueel misbruik vertonen de neiging signalen van kinderen te seksualiseren. Dit gekoppeld aan een machtsverschil kan ertoe leiden dat er ongewenst lichamelijk contact plaatsvindt. De overgrote meerderheid van de leerkrachten heeft deze neiging echter helemaal niet. En dus is de kans klein dat ze zich zullen vergrijpen aan de kinderen uit hun klas. Tevens blijkt dat zelfbewuste kinderen, die slagvaardig aangeven niet gediend te zijn van lichamelijk contact, niet vaak slachtoffer worden van misbruik.
Je zou kunnen stellen, dat we in het onderwijs eerder kinderen moeten leren om op een gezonde manier met fysiek contact om te gaan. Zo kunnen de kinderen leren hoe ze hun grens moeten aangeven, als de aanraking ongewenst is.

Onderzoek naar “aanraken” in het onderwijs

Centraal in het onderzoek stond de vraag: hoe ervaren professionele opvoeders fysiek contact met kinderen? Naast literatuurstudie is kwalitatief onderzoek gedaan, waarbij zeven leerkrachten uitgenodigd zijn deel te nemen aan interviews (Baarda & De Goede, 1996).

Conclusies

• Een van de conclusies van mijn onderzoek is dat leerkrachten integer omgaan met het aanraken van kinderen. Dit blijkt al direct uit de plekken op het lichaam, waar kinderen de kans lopen aangeraakt te worden. Het bovenlichaam wordt alleen op de rug, de armen, de schouders en het hoofd aangeraakt. Het onderlichaam wordt veel minder vaak aangeraakt. En daar waar dit gebeurt, wordt de voorkant van het bovenbeen of een enkele keer de knie aangeraakt.

• Een tweede opmerkelijke bevinding is dat de leerkrachten goed kijken naar de reactie van het kind op hun aanraakgedrag. Deze signalen zijn bijna altijd non-verbaal. De leerkracht merkt het aan een afwendende of terugtrekkende lichaamsbeweging of aan de mimiek van het kind. Alle deelnemende leerkrachten aan het onderzoek geven aan dat ze hier goed op proberen in te spelen.

• Gevoelens van veiligheid spelen een grote rol bij het aanraken van kinderen. Alle respondenten refereren hieraan. Deze veiligheid heeft een fysieke en een emotionele component. Bij fysieke veiligheid noemt men: het in bedwang houden van kinderen, omdat ze anders een medeleerling te lijf gaan en het vasthouden van kinderen tijdens het oversteken van drukke straten of tijdens de gymles. Bij emotionele veiligheid wordt gesproken over: troosten, het wegnemen van spanning en het bemoedigen van kinderen.

• Als we kijken welke aspecten er een rol spelen bij het aanraken van kinderen, dan blijken er grote overeenkomsten te zitten tussen de verschillende leerkrachten. Ze houden allemaal rekening met de leeftijd en het geslacht van het kind, met culturele, opvoedkundige en etnische achtergronden en met het eigen geslacht.

• Opvallend is de aandacht voor de privacy van de kinderen. Een van de respondenten is werkzaam in het speciaal onderwijs voor blinde kinderen en kinderen met een verstandelijke beperking. Lichamelijke verzorging maakt deel uit van de begeleiding van deze leerlingen. Tijdens het verzorgen ben je alleen met een leerling in een afgesloten ruimte. In protocollen van reguliere basisscholen vond ik juist een zinsnede, die hier lijnrecht tegenover staat: je bent nooit alleen met een leerling in een afgesloten ruimte.

• Een leerkracht die lesgeeft aan kinderen met een psychiatrische stoornis stelt vast dat veel van deze kinderen zich onveilig voelen, als er mensen het lokaal binnenkomen. “Daar ga je dus heel bewust mee om,” zo stelt hij. “Je komt als het ware in hun persoonlijke ruimte, als je hier het lokaal binnenkomt.”

• Een enkele respondent legt expliciet verband tussen de mate van fysiek contact tussen de leerkracht en de kinderen en de mate waarin ordeproblemen voorkomen. Het zou nader onderzoek waard zijn om te bekijken of hier ook écht een verband tussen zit.

Voorbeeldfunctie

Leerkrachten geven aan dat er in hun opleiding géén aandacht is geweest voor het belang van het aanraken in de pedagogische relatie met kinderen. Ook binnen het teamoverleg is hier geen aandacht voor, behalve dan om protocollen en gedragsregels te introduceren.
Logische vraag is nu: hoe leer je dan hoe je hier mee om wilt gaan binnen de school? Er worden twee belangrijke bronnen genoemd: de eigen opvoeding en het voorbeeld van collega’s. Sommige leerkrachten noemen hun eigen opvoeding een warm nest, waarin veel werd aangeraakt. Andere leerkrachten stellen vast dat ze uit zichzelf niet zo lijfelijk zijn en dat ze hierdoor ook niet heel bewust omgaan met het aanraken van kinderen in hun klas. Bijna alle respondenten in het onderzoek geven aan dat er bepaalde collega’s zijn, die voor hen een voorbeeldfunctie vervuld hebben.

Het kind heeft de regie

Extra voorzichtig is men met het aanraken van kinderen, die mishandeld of misbruikt zijn. “Dan kijk je natuurlijk wel uit,” is een uitspraak, die in dit verband gedaan werd. Een enkele leerkracht ziet het als zijn (of haar) opdracht om deze kinderen dan te begeleiden in een gezonde vorm van fysiek contact. Anderen geven aan dat deze kinderen hier niet van gediend zullen zijn en dat ze hier ook niet op aan zullen dringen.
Opmerkelijk unaniem is men van mening dat het kind de regie moet kunnen hebben. Niet de leerkracht, maar het kind bepaalt de manier waarop fysiek contact plaatsvindt in de professionele, opvoedkundige relatie. Pedagogische sensitiviteit (Jansen, 2006) is dan nodig om het eigen aanraakgedrag af te stemmen op de behoefte van het kind.

Taboe of levensbehoefte

Wordt het kind niet benadeeld door een onevenredig grote aandacht voor regels en voorschriften ten aanzien van fysiek contact tussen leerkracht en kind? Wordt het kind niet onbedoeld tekortgedaan? Benaderen we fysiek contact binnen de school vanuit het oogpunt van een taboe of vanuit de levensbehoefte van kinderen?
Enerzijds zal de aandacht zich kunnen richten op het professionele handelen, zeker als hiermee het belang van het kind gediend is. Dit professionele handelen zorgt voor een herwaardering van de eigen integriteit en een juiste inschatting van de waarde van het aanraken. Afgestemd op regels en voorschriften, vertrouwende op de eigen zuivere intenties.
Anderzijds moet er meer aandacht komen voor de eigen authenticiteit. Hoe sta je hierin als leerkracht? Hoe lijfelijk ben je? Hoe ervaar je zelf fysiek contact? En wat is het effect hiervan op jouw fysieke omgang met de kinderen?
Protocollen kunnen zo eerder beschrijvend dan voorschrijvend worden opgesteld. De school kan hierin aangeven hoe er omgegaan wordt met fysiek contact in de professionele, opvoedkundige situatie.

Tot slot

Mijn conclusie is dat het aanraken van kinderen binnen teamverband en binnen opleidingen veel vaker aandacht moet krijgen. Informatieverstrekking – om het belang van fysiek contact in de opvoedkundige relatie te benadrukken – kan hierbij een grote rol spelen.
Als jonge, pasgeboren kinderen niet aangeraakt worden, sterven ze. We hebben het dus niet zomaar ergens over!

Literatuur

• D. B. Baarda & M. P. M. de Goede, Basisboek Open interviewen, Stenfert Kroese, Houten, 1996.
• H. Jansen, Levend leren, Agiel, Utrecht, 2006.
• M. van Manen, The tact of teaching, The Althouse Press, Ontario, 1996.
• K. Moberg, De oxytocinefactor. Benut het hormoon van onthaasting, genezing en verbondenheid, Thoeris, Amsterdam, 2007.
• E. Oden, Raak me aan, opgenomen in: Psychologie Magazine, 25ste jaargang, nummer 10, pag. 14–19, 2005.
• F. Oomkes, Communicatieleer, Boom, Amsterdam, 2003.
• M. Sluijter, Aanraken: een levensbehoefte, SWP, Amsterdam, 2002.

Reacties

Cornel: “Het artikel Tussen levensbehoefte en taboe vind ik een goed artikel. Ik mis een aspect, namelijk: je kunt aan het kind vragen of hij/zij het vervelend vindt dat je hem/haar aanraakt. Als ik een schouderklopje geef en daarbij een compliment geef, zeg ik altijd: “Vind je het goed dat ik dit doe?” Andere kinderen zien dit gedrag. Horen ook dat ik zeg: “Als je het wel vervelend vindt, dan mag je dat zeggen, hoor.” Zo leren kinderen dat ze mogen zeggen: “Liever niet.”