Pas dan een paar trucs toe. Of noem het: verstandige tips. Alle tips in dit artikel gaan over uw musical, maar hebben eigenlijk tot doel het publiek gerust te stellen en iets herkenbaars te geven. Het publiek voelt zich daardoor prettig en zal bereid zijn alle eer aan het podium te geven. De spelers krijgen daardoor de kans hun verhaal in een goede sfeer te vertellen. En dat betekent direct kwaliteitswinst.

Pas ze toe, de trucs!

Begin ouderwets met een ouverture

In het achttiende-eeuwse theater was het al moeilijk om het publiek stil te krijgen. Vandaar dat een beetje ouverture altijd begint met zwaar tromgeroffel en trompetgeschal. Ieder gesprek is dan verder onmogelijk. Daarna volgen sfeermuziek en effecten, die duidelijk maken wat het publiek kan verwachten. Spanning, vrolijkheid, romantiek: alles wat van belang is, gaat in de ouverture (of in een openingsdans of in een bewegingsspel). Verklap maar vast wat.
De kortste ouverture is de volgende: laat het licht dimmen, terwijl tegelijkertijd iemand een ouderwets belletje luidt. Geheid dat alle ogen naar het podium gaan. Dus: géén vermanende toespraken, al helemaal niet door het hoofd der school!

De eerste die opkomt, is de held

De eerste scène begint voor het publiek met een bepaalde sfeer (of plek). Stel: er staat een boom, er klinkt vogelgekwetter, dus we zijn in een bos. Ah, er staat ook een bankje, dus dat bos kan wel eens een parkje zijn. Jawel, het is vast een parkje. Mooi, we snappen het. Eens kijken wat er in dat parkje gaat gebeuren. Er zijn nog geen spelers te zien, want de eerste die opkomt, wordt de held! Kijk alle Disneyfilms er maar op na. Met de held kun je je identificeren als publiek. Die gaat het maken (of die gaat wat meemaken). Twee helden mag ook.
Er kunnen al wel spelers op het podium zijn, die mede de sfeer bepalen. Een oud vrouwtje kan bijvoorbeeld door het parkje lopen en wat broodkruimeltjes strooien. Maar ze moet dat doen als onderdeel van de sfeer. Als het oude vrouwtje vervolgens ontzettend schrikt van twee meiden, die “Hallo, oma!” brullen, dan weten we als publiek: die meiden moeten we in de gaten houden!

Ga lekker vergroten

Maak van de werkelijkheid een karikatuur: dik is heel dik, streng is dictatoriaal, verliefd is smóór, stoer is heel macho, een knal moet een hárde knal zijn. Zorg daarbij voor verrassingseffecten. Laat iemand bijvoorbeeld opkomen dwars door het publiek heen. Of laat rechts iets gebeuren, als alle ogen op links zijn gericht.

Ga wegwerken

Zorg dat alles wat er in het stuk (of op een speelvlak) staat, erbij hoort. Haal weg wat niet relevant is. Wat verstorend werkt, wordt in de toneelwereld zwart gemaakt. Alles van zwart hoort er niet bij en wordt ook niet belicht. De kunst van het maken van kunst is het weglaten.

Gebruik symbolen

Vaak geeft één boom beter aan dat je in een bos zit dan een compleet achterdoek met bostafereel. Decorstukken moeten iets symboliseren. Een speler zit op een stoeltje en heeft een autostuur in zijn handen. Dat is voldoende. Het is absoluut onnodig een complete, kartonnen, uit elkaar vallende carrosserie op en af te slepen.

Gebruik contrasten

De ogen van mensen vinden licht-donkertegenstellingen en lekkere primaire kleuren aantrekkelijk. Denk maar aan het clownskostuum. De “goeden” en de “slechteriken” moeten zwaar overdreven herkenbaar zijn. Zorg dat “slechteriken” asymmetrisch zijn, krom lopen, scheef staan, scheef geschminkt en donker gekleed zijn. De “goeden” zijn recht, in evenwicht, hebben alles symmetrisch en zijn in lichte kleuren gekleed.

Gebruik fantasie

Publiek houdt meer van fantasievolle en uitvergrote dingen dan van de realiteit. Als de juf gespeeld wordt door de juf zoals ze altijd is, dan is dat te simpel voor het publiek. En een klas in een fantasiesituatie (de toekomst) is veel leuker dan de klas zoals die nu is, ook al worden er realistische situaties uitgebeeld.

Zorg voor balans

Publiek houdt van scènes en toneelbeelden die kloppen. Als iedereen in het groen is en een mutsje draagt en één speler heeft z’n mutsje vergeten, dan ziet iedereen direct dat er een mutsje ontbreekt en is de balans eruit. De aandacht voor wat er echt in de scène belangrijk is, valt weg. Tenzij die ene figuur zonder mutsje natuurlijk juist extra aandacht moet hebben. Dan is er weer sprake van contrast.

Alle goede dingen bestaan uit drieën

Een podiumproductie kan – ondanks alle inspanningen – tóch mislukken, als niet over de drie componenten van iedere uitvoering kritisch is nagedacht:

1 Het toneelstuk zelf
Is het werkelijk boeiend (verrassend, goed, ontroerend, komisch)? Staan degenen die aan het stuk werken er volledig achter? Is het ook voor een neutrale buitenstaander duidelijk wat er op het podium wordt bedoeld?

2 De speelruimte
Is er licht? Is het geluid goed? Kan iedereen het zien? Zitten we niet op een koude speelzaalvloer? Is het sfeervol? Is het backstage allemaal geregeld? Ligt en/of hangt alles klaar? Zijn er kapstokken? Zijn er stagemanagers? Zijn er bloemen?

3 Het publiek
Weten de toeschouwers dat ze óók een rol spelen, namelijk het zijn van publiek? Worden ze goed voorbereid? Zijn er goede zitplaatsen en kan iedereen alles goed zien en horen? Is er “ruis” rond de voorstelling, waardoor het publiek het wil meemaken? Is de ontvangst goed? Is er toezicht? Is er een drankje achteraf?

Het laatste bedrijf

Het stuk is afgelopen en het publiek wenst de spelers te huldigen. Maar ook de techniek, decorbouw en kledingassistenten, de pr-groep, de catering… Alle medewerkers moeten delen in het applaus!
Daarom moet het slotapplaus geoefend worden. De spelers gaan op rij, buigen en gaan naar achteren. Op hetzelfde moment komen alle assistenten van de zijkant op, staan stil, pakken elkaars handen vast, buigen en gaan naar achteren. De dansgroep komt op en buigt, enzovoort. Tot slot komen de hoofdrollen nóg een keer naar voren en buigen diep. Dan kan het slotlied worden gezongen, maar nu samen met de hele zaal. Maar daarna is het wel mooi geweest. Oefen het slotapplaus zeker drie keer!