Kinderen zijn van tevoren niet altijd zo enthousiast om op vakantie te gaan. Hun ouders zijn daar meer mee bezig. Toch kijken de meeste kinderen uiteindelijk met veel plezier terug op de vakantie. De poppenkastsuggestie in dit artikel zorgt voor een geanimeerd gesprek in de klas, voordat de koffers worden gepakt. Een uitstekende activiteit, als voorbereiding op de zomervakantie, die ook goed past binnen het interactieve woordenschatonderwijs voor de allerjongsten.

Opbouw van de poppenkastles(sen)

Bedoeling

De bedoeling van deze activiteit is om de kinderen in kleine groepjes hun eigen vakantieverhaal te laten naspelen. Ze maken niet alleen (een groot deel van) hun eigen verhaal, maar ook hun eigen poppen en rekwisieten.

Voorbeeldverhaal

U laat eerst zien wat de bedoeling is, door een eigen vakantieverhaal te spelen. In dit voorbeeldverhaal zijn de poppen en de rekwisieten op stevig papier getekend en daarna uitgeknipt. De poppen en de rekwisieten kunt u op verschillende manieren bespelen. U kunt aan de onderkant een strookje papier bevestigen, dat u dichtplakt en over uw vingers schuift. U kunt ook lange stroken van stevig karton aan de poppen en de rekwisieten vastmaken, die u vasthoudt tijdens het spelen. Door een strookje papier aan de bovenkant te bevestigen, kunt u poppen of rekwisieten van bovenaf bedienen. Kortom: u kunt zelf bepalen of u een en ander van bovenaf, vanaf de zijkanten of vanaf de onderkant wilt bedienen. Kies wat u het makkelijkst vindt.
U legt uit, dat uw verhaal gaat over twee kinderen, die eigenlijk liever niet op vakantie willen. Ze hebben een beetje heimwee. Tóch wordt de vakantie heel erg leuk. Daarna speelt u het verhaal voor.

Eigen verhalen

Vervolgens legt u uit, dat de kinderen in kleine groepjes een eigen verhaal gaan spelen. Ze mogen natuurlijk uw verhaal naspelen, maar het is leuker als ze er zelf dingen bij bedenken of er een compleet ander verhaal van maken.
Eerst tekenen ze op stevig papier de poppetjes en de andere dingen die ze nodig hebben. Ze moeten in kleine groepjes overleggen wat er gebeurt in hun verhaal en welke tekeningen daarvoor nodig zijn. Daarna spelen ze in hun groepje het verhaal na.

Informatie vooraf

Voorafgaand aan het poppenkastverhaal geef ik u een overzicht van de spullen, die u nodig hebt voor het poppenspel: kasten, poppen en rekwisieten.

Kasten

– Een gewone poppenkast (voor uzelf).
– Tafelpoppenkasten of kartonnen kijkdozen (voor de kinderen: voor elk groepje één).

Poppen

– Een jongen (Robert).
– Een meisje (Ella).
– Een moeder.
– Een mug.

Rekwisieten

– Een tent.
– Een koffertje.
– Een paar spulletjes, die de kinderen kunnen inpakken (zoals een zwempak, een opblaasband en een parasol).
– Een zandkasteel.
– Een ijsje.
– Een vliegtuig.

Het verhaal in scènes

Ella en Robert en het vakantieleed is een poppenkastspel met een eenvoudige verhaallijn en is verdeeld in negen (korte) scènes. Hier volgt de beschrijving.

Scène 1:

(De moeder vertelt de kinderen (Robert en Ella) dat ze bijna op vakantie gaan. Ze moeten snel hun koffer inpakken. De kinderen lopen heen en weer met spulletjes. Ze roepen steeds naar elkaar wat ze niet mogen vergeten.)
“Denk je aan je zwembroek?”
“Ja. En een handdoek natuurlijk. Ik neem een groot badlaken mee!”
“En een parasol!”
“Zonnebrandcrème!”

(Even later komen beide kinderen op, met een koffer in hun hand. De koffer is duidelijk heel erg zwaar.)
Moeder: “Moet écht alles mee wat jullie hebben ingepakt?”
Kinderen: “Ja! Echt waar. Alles moet mee!”
Moeder: “Denk er dan wél om dat jullie zélf je koffer moeten dragen, hoor!”

Scène 2:

(De kinderen zijn allebei in de poppenkast met hun koffer. Ze wachten duidelijk tot ze gaan vertrekken.)
Robert: “Heb jij zin om op vakantie te gaan?”
Ella: “En jij?”
Robert: “Gaat wel.”
Ella: “Ik niet. Ik wil liever thuisblijven.”
Robert: “Lekker televisiekijken.”
Ella: “Buiten spelen.”
Robert: “Ik zal mijn vriendjes missen.”
Ella: “Ik ook.”
Moeder komt op en vraagt: “Zijn jullie klaar?”
Ella: “Moeten we écht op vakantie?”
Robert: “Mogen we niet thuisblijven?”
Ella: “Om hier met onze vriendjes te spelen?”
Moeder: “Doe niet zo raar, alsjeblieft. Heel veel mensen gaan op vakantie. Ook jullie vriendjes. Kom op! Pak je koffer. We gaan!”

Scène 3:

(Moeder, Ella en Robert lopen achter elkaar aan. Ze dragen allemaal hun eigen koffer.)
Ella: “Mijn koffer is verschrikkelijk zwaar.”
Robert: “Mijn koffer is nog veel zwaarder.”
Moeder: “Niet zo zeuren, jongens.”
Robert: “Ik blijf liever thuis, hoor.”
Ella: “Ik ook, mam.”
Moeder: “Wacht nou maar even af. Het wordt vast een leuke vakantie.”

Scène 4:

(In de poppenkast vliegt een vliegtuigje van de ene kant naar de andere kant. We zien moeder, Ella en Robert in het vliegtuigje zitten.)
Robert: “Wat gaan we hoog!”
Ella: “Wat een mooi vliegtuig!”
Robert: “Ik vind het best een beetje eng!”
Moeder: “Welnee joh, er kan niks gebeuren!”

(Het vliegtuig maakt een rare draai en vliegt op en neer door de poppenkast.)
Robert: “Oh nee! Zie je nou wel, wat eng!”
Ella: “Leuk joh! Kijk naar beneden! Alle huisjes zijn ineens heel erg klein geworden!”
Robert: “Ik hou mijn ogen toch liever dicht.”
Moeder: “We zijn er bijna! Nog een klein stukje!”
(Het vliegtuig zet de daling in en verdwijnt uit het zicht. De toeschouwers horen wél de stem van Robert en Ella, maar kunnen de kinderen dus niet daadwerkelijk meer zien.)
Robert: “Gelukkig. We zijn er!”
Ella: “En tóch wil ik naar huis.”
Robert: “Ik ook.”

Scène 5:

(Ella en Robert zitten bij een tent.)
Ella: “Wat een mooie, grote tent hebben wij toch, zeg.”
Robert: “Ja, dat is zo. En we hebben hem ook nog helemaal zelf opgezet. Dat viel wel een beetje tegen. Dat was niet zo gemakkelijk.”
Ella: “Ja, dat was best moeilijk. Maar nu staat de tent heel mooi.”
Robert: “Het is leuk om in een tent te slapen.”

Ella: “Ja, dat is erg leuk.”
(Om Ella en Robert vliegt ineens een mug. De mug zoemt.)
Ella: “Kijk nou! Een mug!”
Robert: “Hij probeert ons te prikken!”
(De mug blijft maar om de kinderen heen vliegen.)
Ella: “Snel de tent in!”
(Ella en Robert verdwijnen achter de tent.)
Robert: “Kom! We doen snel de rits dicht!”
(De mug vliegt nog even om de tent heen en verdwijnt uiteindelijk.)
Ella: “Gelukkig, de mug is weg. Hij heeft ons niet geprikt.”
Robert: “Ja, dat is wel fijn, maar tóch wil ik naar huis!”
Ella: “Ik ook!”

Scène 6:

(Ella en Robert zitten op het strand. (Dat moet duidelijk te zien zijn.) Ze hebben allebei een ijsje. En naast hen staat een zandkasteel.)
Ella: “Wat een ontzettend lekker ijsje, zeg!”
Robert: “Ja, heel erg lekker. Hij smelt bijna, Ella. Je moet hem snel opeten, hoor.”
Ella: “Ja, doe ik. Het ijsje smelt zo snel door de zon. Het is ook zo warm.”
Robert: “Heb je toch zonnebrandcrème op je lijf gesmeerd?”
Ella: “Natuurlijk heb ik dat. Dat moet je altijd doen, als je in de zon speelt.”
Robert: “Als ons ijsje op is, dan maken we ons zandkasteel af, oké?”
Ella: “Ja, dat is goed. En dan graven we er ook nog een gracht omheen.”
Robert: “En ik bouw er nog een toren bij.”
Ella: “Het wordt al heel mooi, vind ik.”
Robert: “Ja, vind ik ook. Maar tóch wil ik naar huis!”
Ella: “Ik ook!”

Scène 7:

(Moeder, Ella en Robert lopen met hun koffers door de poppenkast.)
Moeder: “Kom op, jongens. Doorlopen. We moeten op tijd bij het vliegtuig zijn. We gaan weer naar huis. De vakantie is voorbij.”
Ella: “Mijn koffer is zó zwaar!”
Robert: “Mijn koffer is nog veel zwaarder!”
Moeder: “Niet zo zeuren, zeg. We zijn bijna thuis.”
Ella: “Ik ben blij dat we weer naar huis gaan.”
Robert: “Ik ook.”

Scène 8:

(Moeder, Ella en Robert zitten weer (duidelijk zichtbaar) in het vliegtuigje. Het vliegtuigje stijgt op en vliegt heen en weer door de poppenkast.)
Ella: “Leuk, zeg! Wéér in het vliegtuig!”
Robert: “Ik vind het niet meer zo eng! Kijk eens naar de kleine huisjes, beneden op de grond, Ella!”
(Het vliegtuig zet de daling in en verdwijnt weer uit het zicht. De toeschouwers horen moeder en de kinderen nog wél praten, maar kunnen hen dus niet daadwerkelijk meer zien.)
Moeder: “Nog even en dan zijn we thuis, jongens!”
Kinderen: “Gelukkig!”

Scène 9:

(Ella en Robert pakken hun koffer uit. Beide kinderen lopen weer op en neer met de spulletjes, die ze vóór de vakantie hebben ingepakt. Moeder loopt ook op en neer met koffers en spulletjes.)
Ella: “Het was een ontzettend leuke vakantie.”
Robert: “Ja, we hebben zo veel leuke dingen gedaan.”
Ella: “In een vliegtuig gezeten.”
Robert: “In een tent geslapen.”
Ella: “Een zandkasteel gebouwd.”
Robert: “Heel veel ijsjes gegeten.”
Ella: “Muggen weggejaagd.”
Robert: “Ik vind het best heel erg jammer dat we niet meer op vakantie zijn!”
Ella: “Het is jammer dat we weer naar huis moesten.”
Robert: “Ik wil morgen wéér op vakantie!”
Ella: “Ik ook!”
Moeder: “Jullie zijn me een stelletje rare kinderen, zeg. Eerst willen jullie helemaal niet op vakantie. Tijdens de vakantie willen jullie steeds terug naar huis. En als we dan eindelijk thuis zijn, dan willen jullie wéér op vakantie! Rare snuiters, dat jullie zijn!”
(Ze lachen alle drie om wat moeder zei. De gordijntjes van de poppenkast gaan dicht…)

Tips voor het spel

Woordenschatonderwijs

De activiteit van dit artikel past goed binnen het woordenschatonderwijs. Maak van tevoren een woordspin op de muur, met bijbehorende illustraties van de onderwerpen (de woorden) die de kinderen in hun verhaal mogen gebruiken. Hierdoor worden ze meteen op ideeën gebracht.

Tekeningen

Dit poppenkastverhaal vergt wat voorbereiding. Er moeten voor de verschillende scènes tekeningen worden gemaakt van de poppen en de rekwisieten. U kunt ervoor kiezen om die tekeningen zélf te maken. Als u dit doet, dan kunt u ideeën opdoen, door naar tekeningen in kinderboeken te kijken. In dit verhaal verschijnt in de poppenkast een vliegtuigje, met daarin (duidelijk zichtbaar) de jongen, het meisje en hun moeder. Als voorbeeld kunt u in dit verband eens kijken naar de illustratie op de voorkant van het boekje Nijntje vliegt, van Dick Bruna (Mercis Publishing B.V., januari 1996).

Echte poppen

Maar natuurlijk kunt u dit verhaal ook met échte poppenkastpoppen spelen. Gebruik dan als rekwisieten bijvoorbeeld een vliegtuigje en/of een camper van Playmobil®. En Barbie® heeft af en toe een tent in de collectie gehad, die te gebruiken is. Beide speelgoedmerken hebben ook koffertjes en tassen, die u kunt gebruiken als bagage. En verder kunt u in de speelgoedwinkel plastic insecten kopen. Met een dun draadje om het insect heen kunt u het beestje dan door de poppenkast laten vliegen.

Keuze

Om niet te veel poppen tegelijk te hoeven bespelen, is er in dit verhaal voor gekozen om maar één ouder (de moeder) te introduceren. Misschien roept dat vragen op bij de kinderen. Dus als u dat beter vindt, dan kunt u uiteraard ook beide ouders in het spel brengen. Om vader én moeder dan tóch tegelijk te kunnen bespelen, kunt u beide ouders samen in één tekening opnemen. Een andere oplossing zou kunnen zijn, om oma of een tante met de kinderen op reis te laten gaan.

Naamgeving

Als er een Ella en/of een Robert in uw klas zitten, kunt u beter andere namen gebruiken voor uw personages, om verwarring te voorkomen.

Keuze

Van grote, kartonnen schoenendozen kunt u tafelpoppenkasten maken. Maar het poppenkastverhaal van dit artikel leent zich ook uitstekend voor een kijkdoos. Er zijn daarna twee keuzemogelijkheden voor de groepjes:
– U kiest voor één scène per groepje. U laat in dit geval elk groepje een eigen scène maken in hun doos. Als u de dozen daarna op volgorde zet, hebt u het verhaal compleet.
– Maar het is ook mogelijk om in elke doos het hele verhaal na te laten spelen. Als u de figuren op een stevige strook papier plakt en die stroken zó lang maakt, dat ze aan weerszijden door gaatjes in de kartonnen doos steken, dan kunt u de figuren van links naar rechts laten schuiven. Op deze manier kunt u de figuren die even niet meedoen naar voren laten klappen, zodat ze plat in de doos liggen.

Andere verhaallijnen

Het voorbeeldverhaal is eenvoudig en herkenbaar gehouden. Maar u kunt er natuurlijk ook voor kiezen om een verhaal te maken met een grotere dramatische wending. Twee voorbeelden:
– Op het vliegveld zijn twee koffers verwisseld, zodat Ella en Robert ineens heel andere dingen in hun koffer vinden dan ze hebben ingepakt. Uiteindelijk worden door een chauffeur hun eigen koffers afgeleverd op de camping en de verkeerde koffers weer opgehaald.
– Een ander idee is om het vliegtuig – vanwege mist of storm – terug te laten keren naar Nederland. Moeder besluit daarop om in de tuin te gaan kamperen, zodat het toch nog echt vakantie lijkt. Ella en Robert vinden dit natuurlijk een fantastische oplossing. Zo zijn ze een beetje op vakantie en tegelijk ook een beetje thuisgebleven.

Tot slot

U kunt de activiteit van dit artikel ook bewaren voor vlak na de zomervakantie, als het nieuwe schooljaar net begonnen is. Op deze manier kunnen kinderen via de kijkdozen of de tafelpoppenkasten aan elkaar laten zien wat ze tijdens hun eigen vakantie hebben gedaan. Dit is een actieve manier, om samen nog even terug te blikken op de vakantieperiode, om daarna fris en monter te beginnen aan een nieuw schooljaar!
Het is geheel aan u om te bepalen hoe en wanneer u het poppenkastverhaal wilt inzetten. Op voorhand wens ik u en de kinderen veel plezier bij de poppenkast in uw klas.