Woordbrokstukken…, wat zijn dat nu weer voor dingen? Lees maar eens verder. Dan komt u er snel achter. Leuke taalspelletjes voor de bovenbouw!

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding.

Taalspel 1

Als je het woord woordbrokstukken in stukken brokt, eh…, breekt, ontstaan er drie woorden, die ook wel in hun eentje voorkomen: woord, brok en stukken.

Soms staat er een letter s tussen. Bijvoorbeeld in: hoog/spanning/s/mast.

Breek de volgende woorden in drie losse stukken, die ook in hun eentje voorkomen.
Let op! Soms is er meer dan één mogelijkheid, om de woorden in drie stukken te verdelen!
handenarbeidlokaal sporthalbeheerder zwembadkassa
vliegtuigdeur halfedelsteen kinderkledingwinkel
basisschoolleerling landmachtofficier lesroosterwijziging
wintersportgebied bosbessensap landbouwwerktuig
laagveengebied verkeer/s/regelboekje verspringkampioen
Bedenk zelf nog drie van zulke woorden en breek ze in drie stukken.

Taalspel 2

In woorden kom je soms woorddelen (of woordstukken) tegen, die moeilijk zijn.

Als je weet wat zo’n woorddeel (of woordstuk) betekent, dan is het voor jou gemakkelijker om de betekenis van het hele woord te achterhalen.
Bijvoorbeeld:

– Tele is: ver.
– Visie is: zien.
– Televisie is dus: ver zien!

Biblio is: boek. Aqua is: water. Foon is: horen.
Scoop is: kijken. Auto is: zelf. Bio is: leven.
Mobiel is: bewegen. Anti is: tegen. Graaf is: schrijven (of tekenen).
Maxi is: groot. Pro is: voor. On is: niet.
Mini is: klein. Theek is: verzameling. Re is: weer.
Bedenk met elk dikgedrukt woorddeel een nieuw woord, waarin dit woorddeel voorkomt.
Schrijf achter elk woord (in het kort): de zo letterlijk mogelijke betekenis van dat woord.

Bijvoorbeeld: bibliotheek → een verzameling boeken.

b3f9ad27-cccc-45ed-b7df-34db3cd3ad5f_scheuren

Taalspel 3

Ga je wel eens naar een voetbalwedstrijd?
Gebruik je dan bijvoorbeeld de woorden scheidsrechter en scheenbeschermer?

Als de woorddelen van die «voetbalwoorden» nu eens door elkaar en ook nog eens aan elkaar vast zouden worden geschreven, dan kreeg je woorden als rechterscheen en scheidsbeschermer…

Zoek in de (onzin)woorden hieronder steeds twee woorddelen bij elkaar, waar je een goed woord van kunt maken.
Je mag woorddelen uit alle (onzin)woorden aan elkaar koppelen.
Kun jij er 24 vinden?
Let op! Soms zijn er meerdere mogelijkheden!
Tip. Streep een gebruikt woorddeel door. Daarna mag je het niet meer gebruiken.
Voorbeeld: straf + schop = strafschop.

strafpuntpaalspeler
afschopbalreserveklep
blessurewisselrustgebied
middenscheenstiptijd
doelgrenskopbehandeling
duwschouderzitstand
balkeepertraprekken
tribunehandssignaalveld
rechtermiddentrapeind
gooidoelzonnebeschermer
uitinlijnhandschoen
zijbalschopstraf

Taalspel 4

Zoek de Engelse woorden bij de sport, waarbij ze worden gebruikt.
Kies uit: tennis – voetbal – hockey – honkbal (of softbal) – ijshockey – basketbal.
Noteer alleen de dikgedrukte letters.
Dus bijvoorbeeld: set – t.
Want een set hoort bij tennis!
Let op! Er zijn woorden, die bij meer dan één sport worden gebruikt!

set icing
ralley volley
hands pitcher
stick backhand
forehand racket
back bucket
corner smash
inning dunk
catcher dribbel
penalty homerun

Taalspel 5

Maak een woordenrij.
Begin elk volgend woord met het laatste woorddeel van het woord ervoor.
Begin zo: openingsfeest – feest…
Let op! Als het nodig is, mag je de letter s gebruiken tussen de woorddelen.
Bijvoorbeeld: openingsfeest.
Maak een zo lang mogelijke rij.
Kun je van het woord openingsfeest naar het woord oorschelp komen?
Gebruik opening in het beginwoord en schelp in het laatste woord.
En gebruik de volgende woorddelen steeds twee keer ergens daar tussenin:

sleutel – varken – deur – feest – stal – rijk – oor – bos – dom

4d7876f5-83d0-4122-830c-feb80240b692_catcherH

Taalspel 6

Is het: ik heb hardgelopen?
Of is het: ik heb gehardlopen?
Natuurlijk is het: ik heb hardgelopen.
Maar is het dan: ik heb wielgerend?
Of is het: ik heb gewielrend?
Natuurlijk is het: ik heb gewielrend.
Hardlopen noem je een scheidbaar werkwoord. Het voltooid deelwoord is: hardgelopen. De woorddelen hard en lopen zijn gescheiden door ge.
Wielrennen noem je een onscheidbaar werkwoord. Het voltooid deelwoord is: gewielrend. De woorddelen wiel en rend kunnen niet worden gescheiden door ge.

Maak twee rijen werkwoorden: scheidbaar en onscheidbaar.
Kies uit:

volleyballen – verspringen – stofzuigen – watertrappelen – diepzeeduiken – kogelstoten – handenwassen – speerwerpen – mountainbiken – tafeltennissen – honkballen – hardrijden