Toneelstuk om op uw school de paastijd in te luiden of af te sluiten. Iedereen herkent de kriebels, die horen bij het paasfeest. De kriebels om de school te versieren, een project uit te werken of toneel te spelen. Wie legt paaseieren? is een toneelstuk rond dit gevoel.

Inleiding

Misschien heeft u een aantal jaren geleden als paashaas of als één van de boswachters het toneelstuk ‘Wie legt paaseieren’ gespeeld. De kijkers werden nieuwsgierig gemaakt en aan het denken gezet door uw spel. Het antwoord leek duidelijk totdat de paashaas verwarring schepte. Het stuk eindigt waar het begint.
Nu het bijna Pasen is, speuren de twee boswachters weer op hun eigen wijze rond. Hopelijk krijgen zij en de kijkers in dit toneelstuk het antwoord. Wie legt paaseieren?

Mimiek en bewegingen zeggen veel. Het is leuk om voor of na het toneelstuk met de leerlingen te spelen zonder iets te zeggen. Verbazing, boosheid, verdriet, blijdschap, iets vinden stinken… Het kan allemaal duidelijk gemaakt worden met een blik of beweging. Het is grappig om na het stuk te praten over hoe de boswachters denken en communiceren. Ze nemen veel letterlijk of gebruiken homoniemen (spoor, leger).

U kunt ook behandelen waar en hoe een konijn leeft en een haas. Een haas leeft niet in een hol, maar ‘zit in het leger’.

Spelers en benodigdheden

Spelers:
Boswachter 1
Boswachter 2
Paashaas.
Iemand die het geluid bedient.

Nodig:
Vergrootglas
Dropjes (kokindjes)
Cd met vogelgeluiden
Cd met vrolijke muziek (bijvoorbeeld van Caro Emerald)
Boswachterkleding en paashaaspak of -attributen
Mandje
Geluidsinstallatie
Op het podium van ‘Wie legt paaseieren (1)’ stond een poppenkast met een camouflagekleed eroverheen.

Deel 1

De gordijnen gaan open. Uit de speakers komen vogelgeluiden of andere geluiden uit de natuur die in de lente te horen zijn.
De paashaas stapt met een leeg mandje van rechts naar links over het podium en gaat af. Verder doet de paashaas niets.
Boswachter 1 en boswachter 2 komen achter elkaar op het podium kruipen. (Van rechts. Gezien vanuit het publiek. Dit is de kant waar de boswachters het vorige stuk afgingen.) Boswachter 1 kruipt voorop. De boswachters speuren met hun vergrootglas over de grond. Ze maken geen geluid. Mimiek is veelzeggend. Ze speuren zeer serieus.

Als Boswachter 1 stilhoudt vlak bij de linkerkant van het podium, botst boswachter 2 tegen hem aan. Boswachter 2 met zijn vergrootglas omhoog. Juist. Precies op de hoogte van de poeperd van boswachter 1. Hij schrikt enorm. Als hij het vergrootglas weghaalt, ziet hij dat het de bips van de andere boswachter is. Van afschuw knijpt hij nu de neus dicht en wappert met zijn hand.

Boswachter 1 draait kruipend om. Boswachter 2 idem. Boswachter 2 gaat voor. Samen gaan ze met de neus snuffelend over de vloer naar de rechterkant van het podium.
Boswachter 2 draait zich kruipend om en dat had Boswachter 1 nog niet verwacht. Nu snuffelt Boswachter 1 per ongeluk aan Boswachter 2. De 2e staat verontwaardigd op.
Boswachter 1 staat van schrik ook op.
Net als in ‘Wie legt paaseieren? (1)’ bewegen de boswachters tegelijk. Boswachter 1 zet een stap opzij naar links en heeft het hoofd gericht naar het publiek, maar kijkt luisterend over het publiek heen. Rechterhand tegen het oor. Boswachter 2 idem. Boswachter 1 en 2 zetten de tweede stap opzij naar links. Als het nodig is nog een 3e stap om in het midden van het podium te komen.

Deel 2

De geluiden worden weggedraaid.
Boswachter 1: “Ik bespeur geen enkel spoor.”
Boswachter 2: “Ik bespeur geen enkel treinspoor.”
Boswachter 1: “Trein?”
Boswachter 2: “Geen spoor, geen trein.”
Boswachter 1: “Ik bedoel een hazenspoor.”
Boswachter 2: “Dat bespeur ik ook niet.”
Boswachter 1: “Dan was hier dus geen haas.”
Boswachter 2: “Dan was hier dus een konijn.”

Boswachter 1 en 2 gaan door de knieën (beetje buigen) en doen alsof ze op konijnhoogte speuren. Ze bewegen naar rechts met de hand boven hun ogen. Ze bewegen naar links met de hand boven hun ogen. Dit twee keer. Dan weer rechtop staan.

Boswachter 1: “Waarom zoek ik nu naar een konijn?”
Boswachter 2: “Geen idee. Alvast voor kerst?”
Boswachter 1: “Ik zoek toch uit wie de paaseieren legt.”
Boswachter 2: “Ik ook.”
Boswachter 1: “Waarom zoek ik dan een konijn?”
Boswachter 2: “Omdat je denkt dat een konijn paaseieren legt.”
Boswachter 1: “Zal dat kunnen dan?”
Boswachter 2: “Een paaskonijn, dat eieren legt? Ja. Dat kan. Konijnen leggen ook dropjes.”

Boswachter 1 en 2 gaan nu tegelijkertijd tijgeren over de grond. Ze ontdekken keutels (dropjes), pakken die op en nemen ze aandachtig in onderzoek. Met hun gezichten naar het publiek. De boswachters proeven en spugen. Dit een paar keer.

De boswachters gaan op de knieën zitten.

Boswachter 1: “Dit was geen drop.”
Boswachter 2: “Dit was wel poep.”

Ze kijken vies en proberen de restjes uit hun mond te sputteren.

Boswachter 1: “Hazen of konijnenkeutels?”
Boswachter 2: “Dat verschil proef ik niet.”
Boswachter 1: “Waar kan een konijn zijn?”
Boswachter 2: “In z’n hol.”
Boswachter 1: “En een haas?
Boswachter 2: “Verstopt in zijn leger.”
Boswachter 1 cynisch: “Ja ja. Hazenleger.

Boswachter 1 gaat ineengedoken op de grond liggen.

Boswachter 1: “Bescherm de paaseieren! Pauw pauw.”

Boswachter 2 gaat ineengedoken op de grond liggen.

Boswachter 2 omhoog: “Zo schuilt een haas in zijn leger. In zijn kuil in de grond.”
Boswachter 1: “Vol paaseieren?”

Boswachter 2 haalt zijn schouders op.

Boswachter 1 ontmoedigd: “Ik geef het op. Wie legt paaseieren?”
Boswachter 2: “Ik denk dat ik dat zelf ga doen.”

Boswachter 1 loopt onderzoekend een rondje om Boswachter 2.

Boswachter 1: “Jij? Waar leg jij die eieren mee?”
Boswachter 2: “Dat laat ik de kippen doen.”
Boswachter 1: “Die leggen geen gekleurde eieren.”
Boswachter 2: “Ik ga ze verven.”
Boswachter 1 hevig geschrokken: “Laat de Paashaas het niet horen.”
Boswachter 2 beetje minachtend: “Dus jij blijft denken dat de Paashaas paaseieren legt?”

Deel 3

Boswachter 1: “Deze Pasen zullen we het antwoord weten.”
Boswachter 2: “Oren en ogen open.”

De lentegeluiden klinken weer door de speakers.
De boswachters trekken eerst de oren wijd en sperren dan de ogen. Ze blijven lachwekkend lang met de ogen wijd open staan zonder te knipperen. Dan komt een enorme gaap opzetten bij allebei.
De boswachters besluiten te gaan zitten. Eerst houden ze hun rechteroog open. Dan een tijdje hun linkeroog. Helaas vallen beide ogen dicht. Schouder aan schouder vallen de boswachters in slaap.

Deel 4

Vrolijke muziek start.
De Paashaas komt met een mand vol paaseieren links het podium op. Op verschillende plaatsen legt hij een ei neer. Zo ook achter de twee boswachters. De Paashaas kriebelt hen even en loopt dan links af.
De boswachters worden wakker (“Werd er gekriebeld?”). Ze staan tegelijk op en kijken om zich heen. Dan tegelijkertijd naar de grond. Ze pakken verbaasd hun ei op.

Boswachter 1 verward: “Ik heb een ei gelegd.”
Boswachter 2 verbaasd: “Leggen boswachters paaseieren?”

In verwarring lopen zij rechts af.

Einde.

Veel plezier met oefenen en spelen!
Linda Dooren