Logopedische problemen komen bij veel kinderen in het basisonderwijs voor. Circa 10 procent van alle kinderen in het basisonderwijs heeft een probleem op het gebied van spraak, taal, gehoor, stem en/of communicatie.
In Praxisbulletin, jaargang 23 (nummer 10), jaargang 24 (nummer 2) en jaargang 25 (nummer 3) en nummer 7) is in vier artikelen aandacht besteed aan de mogelijkheden, die u als leerkracht hebt bij het signaleren van een taalontwikkelingsstoornis, stotteren, slechthorendheid en afwijkende mondgewoonten. In dit vervolgartikel wordt de rol van de leerkracht toegelicht bij articulatiestoornissen.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Opzet artikel

Een kind met een articulatiestoornis kan een of meer spraakklanken niet of niet goed uitspreken, op een leeftijd dat een juiste uitspraak hiervan verwacht mag worden. Om een illustratie te geven van verschillende vormen van articulatiestoornissen, zal ook een aantal praktijkvoorbeelden worden besproken. Vervolgens wordt beschreven hoe u articulatiestoornissen kunt herkennen. (Bepaalde afwijkingen in de spraak kunnen namelijk óók bij de normale spraak- en taalontwikkeling horen!) En tot slot komt uiteraard ook de begeleiding aan bod: wat kunt u als leerkracht betekenen voor een kind met een articulatieprobleem?

Praktijkvoorbeelden

Iris

Iris is een meisje van bijna vijf jaar, dat de letter “r” niet uitspreekt. Ze vervangt deze letter door de letter “l”. Verder zijn er geen afwijkingen in haar manier van spreken. De leerkracht van groep 2 vraagt zich af of Iris logopedie nodig heeft.

Joachim

Joachim zit sinds een aantal maanden in groep 1. Hij vervangt veel klanken door een “t”: “jas” wordt “tas” en “kip” wordt “tip”. Van bijna alle combinaties van klanken – zoals “st” en “bl” – spreekt hij maar één klank uit. Bijvoorbeeld: “stoppen” wordt “toppen” en “bloem” wordt “boem”. Joachim is moeilijk te verstaan. Ook andere kinderen begrijpen niet altijd wat hij zegt. De leerkracht weet niet goed hoe ze hem het best kan helpen. Is de vreemde uitspraak misschien nog door zijn jonge leeftijd te verklaren?

Simon

Simon (zes jaar) zit regelmatig met zijn duim in zijn mond. Vooral bij het voorlezen en bij het televisiekijken. Als hij niet duimt, hangt zijn mond vaak een beetje open. Over het algemeen valt op dat Simon een slappe manier van spreken heeft: het komt wat “lijzig” over. Zijn leerkracht ziet zijn tong geregeld tussen zijn tanden komen, zeker nu Simon aan het wisselen is. Dit valt vooral op bij de letter “s”, maar (in mindere mate) ook bij de letter “t”. De andere kinderen plagen hem soms met het duimen.

Bij al deze kinderen is sprake van een opvallende uitspraak. En het is goed dat de leerkracht dit opmerkt. Niet alle kinderen hebben echter al logopedische begeleiding nodig. Maar bij sommige articulatieproblemen kunt u de ouders wél het best adviseren om contact op te nemen met een logopedist. Om te kunnen herkennen wanneer dit nodig is, is het handig om eerst wat meer te weten over articulatiestoornissen.

Wat is een articulatiestoornis?

Fonetische articulatiestoornis

Er zijn twee soorten articulatiestoornissen. De eerste is een fonetische articulatiestoornis. Hierbij kan een kind een bepaalde klank (bijvoorbeeld de “r” of de “s”) niet of niet goed maken. Er gaat iets mis in het regelen van de bewegingen van de articulatieorganen (tong, lippen, kaak, enzovoort) óf er is een stoornis in een van deze organen zelf.
Vaak zie je bijvoorbeeld bij kinderen met een slappe mondmotoriek ook problemen met het juist uitspreken van de “s”. Dit noemen we slissen of lispelen.
Een ander voorbeeld van een uitspraakprobleem, dat wordt veroorzaakt door afwijkingen aan de articulatieorganen, zijn kinderen met een schisis, in de volksmond ook wel hazenlip genoemd. Deze kinderen hebben bij hun geboorte een opening in lip, kaak en/of gehemelte. Vaak is ook de aansturing van deze spraakorganen verstoord, wat het juist uitspreken van bepaalde klanken erg moeilijk kan maken. Voor het maken van een klank als de “p” moet je bijvoorbeeld je lippen goed kunnen sluiten, maar ook de keel goed kunnen afsluiten met je zachte gehemelte. Bij veel kinderen met een schisis is het zachte gehemelte te kort of kan dit niet goed worden bewogen, waardoor de lucht bij hen deels door de neus ontsnapt. Een woord als “pakken” klinkt dan bijvoorbeeld als “maĝen” of “fahen”. Dit kan grote gevolgen hebben voor de verstaanbaarheid.
Een fonetische articulatiestoornis kan ook ontstaan door slechthorendheid of onvoldoende controle over de articulatiespieren, door bijvoorbeeld een neurologische stoornis als aangeboren spasticiteit.

Fonologische articulatiestoornis

Bij een fonologische articulatiestoornis kan een kind een klank los wél maken, maar heeft het moeite met het gebruiken van de klank in een woord.
Het kind hanteert eigen “regels”: het vervangt bijvoorbeeld de klank aan het begin van een woord door een “t” (“kip” wordt “tip”), maar spreekt de “k” aan het eind van woorden goed uit.
Soms gebruikt het kind vereenvoudigingsmethoden, die ook jonge kinderen gebruiken bij het leren spreken. (Combinaties van meerdere klanken worden dan vervangen door één klank: “stip” wordt “tip”.) Maar het kind met een fonologische articulatiestoornis blijft hierin te lang “hangen”.
Soms worden ook ongewone processen gebruikt. Het vervangen van losse klanken door een klankcombinatie is een voorbeeld van een ongewoon proces. “Jas” wordt dan bijvoorbeeld uitgesproken als “tlas”.
Een fonologische articulatiestoornis kan onder andere worden veroorzaakt door een stoornis in de auditieve verwerking. Als een kind bijvoorbeeld het verschil niet hoort tussen “dak” en “tak”, dan zal het kind daar ook moeite mee hebben in zijn/haar uitspraak.

Is een klankafwijking altijd een articulatiestoornis?

Het juist leren uitspreken van woorden kost tijd. In de leeftijd van twee tot zes jaar leert een kind erg veel op het gebied van spraak en taal. Het leert hoe het de tong, de kaken en andere articulatieorganen moet aansturen, uit welke klanken een woord bestaat en hoe het de losse klanken aan elkaar kan “programmeren” tot één vloeiende articulatiebeweging.
Dit leerproces gaat in stapjes: de klanken worden in een bepaalde volgorde van gemakkelijk naar steeds moeilijker geleerd. Zeker in de eerste jaren spreekt het kind nog niet alle klanken op de juiste manier uit. Dit is niet iets om ongerust over te zijn, maar hoort bij de normale spraakontwikkeling. Een moeilijke klank als de “r” hoeven kinderen bijvoorbeeld pas op de leeftijd van zes jaar juist uit te kunnen spreken. En ook ingewikkelde klankcombinaties als “herfst” en “wesp” hoeft een jongste kleuter nog niet allemaal te beheersen. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer klanken het leert, tot uiteindelijk op de leeftijd van ongeveer zes jaar alle klanken en medeklinkercombinaties goed uitgesproken worden.

Wanneer heeft een kind hulp nodig?

In de internetuitbreiding bij dit artikel kunt u een overzicht vinden van de normale spraakontwikkeling. Als u merkt dat een kind beduidend minder klanken beheerst dan het gezien zijn/haar leeftijd zou moeten kunnen en u daarnaast een of enkele van de volgende kenmerken bij het kind terugziet, dan doet u er goed aan de ouders te adviseren via de huisarts contact op te nemen met een logopedist:
– Het kind is moeilijk te verstaan.
– Het kind kan een bepaalde klank of klankencombinatie, die het gezien zijn/haar leeftijd wél zou moeten beheersen, nog niet uitspreken, maar laat deze weg of vervangt de klank door een andere klank.
– Het kind voegt klanken aan een woord toe. (Het kind zegt bijvoorbeeld “tlampi” in plaats van “lamp”.)
– Het kind laat hele lettergrepen weg. (Het kind zegt bijvoorbeeld “daan” in plaats van “gedaan”.)
– Het kind heeft de boventanden al gewisseld, maar spreekt nog steeds met de tong tussen de tanden.

Wat doet de logopedist?

De logopedist probeert een kind de juiste klank aan te leren. Hij/zij leert het kind de klank te herkennen wanneer anderen hem uitspreken én hij/zij leert het kind hoe en waar de klank gemaakt moet worden. Dit kan door middel van:
– auditieve discriminatie (het herkennen van de geoefende klank tussen andere klanken, het horen van het verschil tussen de juiste en de verkeerde klank);
– het terugluisteren van een geluidsopname van het kind;
– het kijken in de spiegel en dan de plek in de mond laten voelen, waar de klank gemaakt moet worden (bijvoorbeeld door die plek aan te raken met een koud staafje).

Bij fonologische articulatiestoornissen zijn vaak veel verschillende klanken op verschillende plaatsen in een woord moeilijk voor een kind. Daarom kiest de logopedist eerst een bepaalde doelklank en positie. (Bijvoorbeeld: de combinatie “st” aan het begin van een woord.) Deze klank wordt dan een tijdje geoefend, waarna een andere klank aan bod komt en eventueel de eerste klank (“st”) daarna weer wordt herhaald. Deze “cirkels” gaan net zo lang door, totdat het kind de klanken goed kan uitspreken.
Bij de wat oudere kinderen wordt ook op begripsniveau gewerkt aan het leren herkennen van verschillen tussen klanken. (Bijvoorbeeld: het verschil tussen een klank vóór en een klank achter in de mond.)
Door middel van spelletjes leert het kind de klank eerst los te maken. Zo kan de klank “s” worden aangeleerd:
– door de klank voor te doen aan het kind;
– door te laten zien waar de tong staat tijdens het uitspreken van de “s”;
– door een plaatje en een gebaar aan de “s” te koppelen (bijvoorbeeld een plaatje van een slang);
– en door uiteindelijk met twee slangen een wedstrijdje te doen, waarbij logopedist én kind het “slangengeluid” maken.

Als het kind de klank los goed kan uitspreken, leert het vervolgens de klank te gebruiken in woordjes en zinnen en uiteindelijk in de spontane spraak.

Wat kunt u als leerkracht doen?

Het aanleren van een nieuwe klank is een langdurig proces, waarin veel geoefend moet worden. Een half uurtje logopedie per week is hiervoor niet voldoende. Vaak zal het kind een spel of een werkblad (waarin/waarop de “moeilijke” klank centraal staat) mee naar huis krijgen. U kunt dit spel of dit werkblad uiteraard ook in de klas met het kind doen.
Een aantal andere ideeën worden hierna kort beschreven. U kunt echter ook altijd overleggen met de behandelende logopedist. Voorwaarde is wél dat de ouders hier toestemming voor geven.

Vier suggesties voor hulp en oefening

• Spreek zelf duidelijk en rustig. Het kind hoort dan telkens het goede klankvoorbeeld.

• Corrigeer het kind steeds op een positieve manier. Als het kind een fout maakt, herhaal de zin dan correct. (Dat heet: modelleren.) Een kind zegt bijvoorbeeld: “Die soorsteen staat suin.” U kunt deze zin dan gecorrigeerd teruggeven met: “Ja, die schoorsteen staat helemaal schuin. Dat heb je goed gezien.”

• Maak een klankmemory, klanklotto of klankdomino. Of leen een van deze spelletjes van de logopedist. Het zijn spelletjes met woorden, waarin de klank voorkomt, waar het kind moeite mee heeft. Doe zelf steeds voor hoe de klank moet klinken. En stimuleer het kind weer op een positieve manier om de klank uit te spreken.

• Speel met de hele klas een luisterspel met verschillende geluiden. Vertel een verhaal, waarin verschillende klanken voorkomen. (Bijvoorbeeld bij stil zijn is het geluid: “ssssss”. Bij het nadoen van de wind is het geluid: “ffffff”. Een uil doet: “oe”. En het geluid van snurken is: “ggggg”.) Doe eventueel voor hoe de klank gemaakt moet worden en laat de kinderen met u meedoen. Let daarbij natuurlijk speciaal op het kind met een articulatiestoornis, maar geef feedback aan de hele klas.

Terugblik op Iris, Joachim en Simon

Bijna aan het eind van dit artikel ga ik nog even in op de vraag bij de drie casussen, waar dit artikel mee begon: hoe kan de leerkracht het best handelen rond het spraakprobleem van Iris, Joachim en Simon?

• Iris
Zoals u in dit artikel hebt kunnen lezen, hoeft Iris gezien haar leeftijd de “r” nog niet te kunnen uitspreken. Als zij bij de screening in groep 2 nog steeds problemen heeft met deze klank, dan zal de logopedist haar ouders waarschijnlijk wel adviseren te beginnen met een logopedische behandeling.

• Joachim
Voor Joachim is logopedie al wél belangrijk, want veel van de spraakafwijkingen die hij heeft, komen op zijn leeftijd normaal gesproken niet meer voor. Daarnaast is ook de slechte verstaanbaarheid een belangrijke reden om met logopedie te gaan werken, om frustraties en spreekangst te voorkomen.

• Simon
Bij Simon houden het duimen en het openmondgedrag de slappe uitspraak in stand. Zolang hij nog niet klaar is met wisselen, zal meestal nog niet aan het slissen/lispelen worden gewerkt. Tot die tijd kan de logopedist hem echter al wél helpen te stoppen met duimen en kan er op een speelse manier aan een goede lipsluiting en een goede mondmotoriek worden gewerkt. Vaak verbetert dit ook al de uitspraak van de “s” en de “t”!

Tot slot

Ik hoop u in dit artikel meer inzicht te hebben gegeven in de belangrijke functie, die u als leerkracht kunt hebben voor kinderen met articulatiestoornissen. Zoals al eerder werd gezegd, is het doorbreken van een eenmaal aangeleerde spraakgewoonte vaak een langdurig en (soms) een moeizaam proces.
Een goede spraakontwikkeling is echter van groot belang voor een goede sociaal-emotionele ontwikkeling én een goede cognitieve ontwikkeling. (Denk hierbij aan het kunnen onderscheiden van klanken bij het aanleren van de klank-tekenkoppeling in groep 2 en groep 3.) Dus: hoe eerder een kind met een spraakstoornis hier hulp bij krijgt, hoe beter!

Ik wens u veel succes!

Literatuur & materialen

Voor praktische, op de leerkracht toegespitste informatie over logopedische stoornissen bij kinderen zijn de afgelopen jaren diverse materialen en soorten literatuur ontwikkeld.

• Cd-rom
In 2008 is door twee logopedisten een tweede druk uitgebracht van een cd-rom, met daarop veel informatie over tien vaak voorkomende taal-, spraak- en communicatieproblemen bij kinderen op de basisschool. Deze cd-rom – de Signaleraar (www.signaleraar.nl) – geeft informatie over het herkennen van deze stoornissen en bevat signaleringslijsten voor elke stoornis. Ter verduidelijking staan op de cd-rom ook een groot aantal beeld- en geluidsfragmenten. Verder bevat de cd-rom veel praktische informatie over hoe u als leerkracht in de klassensituatie zelf kunt bijdragen aan de logopedische therapie, zonder dat hiervoor extra tijd vrijgemaakt hoeft te worden. En tot slot staan op de cd-rom tips voor literatuur en materialen, die nuttig kunnen zijn voor leerkrachten.

• Andere materialen
Voor verdere materialen kunt u kijken in de internetuitbreiding bij dit artikel . Daar zijn lijsten opgenomen met spelletjes, werkbladen, boeken, folders, brochures, adressen, telefoonnummers en websites.