Les over het belang van werelderfgoed, met de focus op de Waddenzee

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Artikel

Inleiding

In 2009 werd de Waddenzee tot werelderfgoed verklaard. Dat is een hele eer! Het is een erkenning van de waarde van het gebied op wereldschaal. Een gebied met een boeiende ontstaansgeschiedenis, een ruige dynamiek, prachtige landschappen en een rijke cultuur.
Deze les gaat in op verschillende werelderfgoederen op de wereld en laat zien wat de Waddenzee nu zo bijzonder maakt. Bij dit artikel hoort ook een uitbreiding, waarin alle genoemde afbeeldingen te downloaden zijn.

Informatie vooraf

Doelen

Voor deze les kunnen de volgende doelen worden genoemd:
– De leerlingen weten wat het betekent als een gebied (of bouwwerk) de status werelderfgoed heeft. Daarbij maken ze kennis met verschillende werelderfgoederen.
– De leerlingen oefenen de ligging en de namen van de werelddelen (topografie).
– De leerlingen kunnen vertellen waarom het waddengebied de status van werelderfgoed heeft gekregen.
– De leerlingen ontdekken via een spel wat de verschillen zijn tussen de Waddenzee en de Noordzee.
– De leerlingen leren via een spel welke bikkelbeesten er in de Waddenzee leven.

Benodigde materialen

Voor deze les zijn de volgende materialen nodig:
– Een wereldkaart
– Foto’s van de volgende werelderfgoederen:
– De Alpen (Zwitserland, Jungfrau-Aletsch): Europa.
– Piramides (Egypte, Gizeh): Afrika.
– The Great Barrier Reef: Australië.
– Tropisch regenwoud (Brazilië, beschermd Centraal-Amazone gebied): Zuid-Amerika.
– De Chinese muur: Azië.
– De Grand Canyon: Noord-Amerika.
– De Waddenzee: Europa.
– Losse platen, met daarop de werelddelen, de Noordpool en de Zuidpool.
– Computer met Google Maps, beamer en/of digitaal schoolbord.
→ Foto’s van de genoemde werelderfgoederen kunt u vinden in de uitbreiding.

Groepsgrootte en lesduur

De les kan klassikaal worden gegeven. En de totale lestijd moet (ongeveer) worden ingeschat
op 80 minuten (inclusief 2 spellen).

Werkwijze en lesopzet

Inleiding (20 minuten)

– Vertel, dat u het met de kinderen gaat hebben over verschillende plekken op de wereld. Houd de foto’s van de werelderfgoederen beschikbaar, maar laat ze nog niet zien! Start het programma Google Maps en laat de wereld in satellietbeelden zien op de beamer (of op het digitale schoolbord).
– Kies dan een van de werelderfgoederen uit, zónder de naam te noemen! (Bijvoorbeeld: de piramides in Egypte.) Zoom met het programma Google Maps langzaam in op het gebied. Laat de leerlingen vertellen wat ze zien. Laat ze raden waar het gebied ligt en wat het werelderfgoed zou kunnen zijn.
Noem daarna pas de naam van het werelderfgoed en bespreek nogmaals met de leerlingen wat ze zien. Laat tot slot de foto zien. Wie herkent wat er op de foto staat? Wat vinden de leerlingen van deze gebouwen (dit gebied)? Wat is er bijzonder aan?
– Herhaal deze werkwijze daarna ook met de andere werelderfgoederen. Gebruik de volgende zoektermen in Google Maps:
– Jungfrau Aletsch.
– Gizeh piramide.
– Great Barrier Reef.
– Amazone.
– Chinese muur China.
– The Grand Canyon.
– Waddenzee.

Kern (20 minuten)

– De leerlingen zitten in de kring. De kring stelt de wereld voor. Laat de leerlingen de losse platen van de Noordpool, de Zuidpool en de werelddelen op de juiste plaats neerleggen in de wereldkring. Gebruik daarbij eventueel de wereldkaart. Bespreek ook waar Nederland ligt.
– Laat vervolgens de foto’s van de werelderfgoederen op de juiste plaats neerleggen in de wereldkring. Nu is duidelijk te zien dat de verschillende gebieden écht verspreid liggen over de hele wereld!
– Schrijf het woord werelderfgoed op het bord. Vraag de leerlingen wie dit woord wel eens gehoord heeft en wat het zou kunnen betekenen. Erven betekent, dat andere mensen jou iets nalaten. De mensen van nu erven de aarde van de mensen van vroeger.
– Alle gebieden op de platen in de kring zijn werelderfgoed. Deze plekken zijn zó mooi en zó bijzonder, dat besloten is, dat we er heel zuinig op moeten zijn, zodat de plekken behouden worden voor de toekomst.

Afronding (40 minuten)

De Waddenzee is een van de gebieden op de platen en is dus ook werelderfgoed. Maar waarom eigenlijk? Wat maakt deze zee zo bijzonder? En wat is er anders dan bijvoorbeeld onze Noordzee, waar je lekker aan het strand kunt zitten? De volgende twee spellen maken dit duidelijk. Elk spel duurt (ongeveer) 20 minuten en kan klassikaal worden uitgevoerd. Bij spel 2 moet de groep nog worden verdeeld in groepjes van 5 kinderen.

SPEL 1: REN JE ROT
Doel
Ontdek het verschil tussen de Waddenzee en de Noordzee.
Benodigde materialen
Voor dit spel heb je nodig:
– een bordje, met daarop de tekst: Waddenzee;
– een bordje, met daarop de tekst: Noordzee;
– foto’s en plaatjes.
Werkwijze
– Laat voordat het spel begint eerst foto A (Noordzee) en foto B (Waddenzee) zien. Bespreek met de leerlingen welke verschillen er te zien zijn.
– Zorg ervoor, dat er genoeg open ruimte in de klas is om het spel te kunnen spelen, met aan de ene kant het bordje Noordzee en aan de andere kant het bordje Waddenzee.
– Op het digitale schoolbord komen vervolgens steeds afbeeldingen te staan. Eerst een grappig plaatje, op grond waarvan de kinderen een keuze moeten maken: Noordzee of Waddenzee. De leerlingen lopen naar het bordje Waddenzee, als het plaatje op de Waddenzee slaat of lopen naar het bordje Noordzee, als het plaatje op de Noordzee slaat.
– Na de keuze verschijnt dan een foto met uitleg. Plaatje en foto horen bij elkaar en vormen dus een combinatie. Leg telkens ook uit waarom het om de Noordzee of de Waddenzee gaat.

Combinaties
1 Waddenzee: plaatje C (doorsnede van de wadbodem) en foto D (pierenhoopjes op het wad).
Onder elk hoopje zit één wadpier. Dit is een belangrijke voedselbron voor vogels en vissen. De Waddenzee is erg voedselrijk, omdat die door de ondiepte snel wordt opgewarmd. Algen en plankton groeien daardoor erg goed. In de Noordzee zitten veel minder wadpieren.
2 Waddenzee én Noordzee: plaatje E (zeehond) en 2x foto F (zeehond op een wadplaat; zeehond in de branding).
De zeehond leeft zowel in de Waddenzee als in de Noordzee. Dus dit is een strikvraag. De Waddenzee is een belangrijke rustplaats, vanwege de vele zandbanken. Het is ook een echte wildernis, waar het grootste roofdier van Nederland leeft en de mens nog weinig heeft ingegrepen.
3 Waddenzee: plaatje G (worm etende vogel) en foto H (trekvogels op het wad).
De Waddenzee is een belangrijk internationaal “wegrestaurant” voor vogels. Het is het enige wadden- en kusteilandensysteem in de wereld, dat zo groot is. Op hun trekroute van noord naar zuid in de wereld (en andersom) is de Waddenzee voor vogels een belangrijke tussenstop.
4 Waddenzee: plaatje I (iemand, die wegzakt in modder) en foto J (wadlopers).
Het is twee keer per dag laag water. Door de ondiepte van de Waddenzee (gemiddeld 15 meter diep) bezinkt er meer slik. Door de ondiepte kun je in de Waddenzee ook lopen over de bodem van de zee. De Noordzee is gemiddeld 300 meter diep. Daar bezinkt vooral zand.
5 Noordzee: plaatje K (zonnende badgast) en foto L (duinen).
Bij de Noordzee heb je strand en duinen. Bij de Waddenzee niet. Dit heeft met de diepte van de Noordzee te maken. En met de stroomsnelheid. Hierdoor bezinkt alleen het zware zand. De wind vormt hier weer duinen van.
6 Waddenzee: plaatje M (krab) en foto N (ijs in Waddenzee).
Leven in de Waddenzee betekent: leven onder moeilijke omstandigheden. De dieren en planten die in het waddengebied leven, zijn echte bikkels. Het water kan heel warm worden in de zomer of juist heel koud in de winter. Zelfs ijsvorming komt voor! Soms is het droog bij laagwater en soms nat bij hoogwater. Als het regent, wordt het achtergebleven water op het drooggevallen wad soms bijna zoet en bij felle zon, door verdamping, juist heel zout.
7 Noordzee: plaatje O (potvis) en foto P (bruinvis).
In de Noordzee leven walvisachtigen, zoals bruinvissen en dolfijnen. Soms spoelt er een grote walvis aan, zoals een potvis of een bultrug! Vroeger leefden de bewoners van de Waddeneilanden van de walvisjacht.

SPEL 2: WELK BIKKELBEEST (OF WELKE BIKKELPLANT) BEN IK?
In het voorgaande spel hebben de leerlingen ontdekt, dat de dieren die in de Waddenzee leven echte bikkels, echte “bikkelbeesten” zijn. Daarnaast leven er in de Waddenzee ook “bikkelplanten”. In dit spel leer je die “bikkelbeesten” en “bikkelplanten” een beetje kennen.
Doel
De leerlingen komen er door vragen te bedenken achter welk zeedier ze zijn.
Benodigde materialen
Voor dit spel heb je nodig: kaarten (liefst van stevig papier/karton en geplastificeerd), met daarop: afbeeldingen van diverse waddieren en wadplanten (zoals: oorkwal, bruinvis, zeehond, garnaal, blaaswier, platvis, krab, anemoon, lepelaar, zeester, zilvermeeuw, haring, zeepaard, zeedruif, zeesla en kokkel).
Werkwijze
– Laat de afbeeldingen aan de klas zien. U kunt naar keuze planten of dieren weglaten. Bespreek de dieren en planten en hun kenmerken. Dit kan aan de hand van vragen. (Zie de vragen hierna.) Vraag aan de leerlingen of ze de zeedieren en zeeplanten kennen of ooit aan het strand gezien hebben. Schrijf de kenmerken per plant en per dier op het bord, zodat de kinderen weten welke vragen ze kunnen stellen.
– Hang een kaart op uw rug en doe voor hoe u – via vragen aan de klas – er achter kunt komen welk dier (of welke plant) u bent. U mag alleen vragen stellen die met ja en nee te beantwoorden zijn. Dit gaan de leerlingen straks ook doen, in groepjes van 5 kinderen.
– Eén leerling van elk groepje wordt een zeedier (of zeeplant), maar weet niet welk dier (of welke plant). De rest van het groepje kiest een dier (of een plant) en hangt de betreffende kaart op de rug van de leerling, zonder die kaart te laten zien.
– De leerling stelt allerlei vragen. Bijvoorbeeld bij een platvis: ‘Ben ik een dier?’ ‘Leef ik alleen onder water?’ ‘Heb ik poten?’ ‘Heb ik kieuwen?’ ‘Ben ik plat?’ ‘Ben ik een platvis?’

Vragen
Andere vragen kunnen zijn:
– Ben ik een plant?
– Kan ik zwemmen?
– Kan ik alleen drijven?
– Heb ik vinnen?
– Heb ik longen?
– Ben ik groot?
– Ben ik klein?
– Kan ik vliegen?
– Kan ik lopen?
– Heb ik ogen?
– Leef ik alleen onder water?
– Kan ik ook op het land leven?
– Heb ik scharen?
– Heb ik twee kleppen?
– Ben ik lekker?
Hoe eerder de leerling het raadt, hoe meer punten hij/zij verdient. Het gaat erom, dat de leerling de juiste vragen stelt. Een leerling begint met 10 punten. Bij elke vraag gaat er een punt van af.
Veel plezier met de les!

De Waddenzeeschool

Lespakket
De les in dit artikel maakt onderdeel uit van een compleet lespakket over de Waddenzee. Dit lespakket is te vinden op waddenzeeschool.nl. De lessen zijn gebaseerd op een doorgaande leerlijn voor het waddenonderwijs, voor leerlingen van 4-18 jaar. Zo gaan de lessen in de onderbouw vooral over afzonderlijke dieren. Voor groep 7 en 8 zijn er lessen over voedselketens en dieren in de omgeving. Voor de middelbare school gaat de Waddenzeeschool verder met onderzoeksgerichte opdrachten.

Veldwerkprogramma
Alle lessen zijn op school uit te voeren. Ze krijgen uiteraard veel meer waarde, als het waddengebied zelf wordt bezocht. Het streven van de Waddenzeeschool is, om alle leerlingen in Nederland minstens één keer in hun schoolcarrière kennis te laten maken met de Waddenzee. Het liefst natuurlijk met hun voeten in het slik. Hiervoor kunt u een veldwerkprogramma boeken bij een van de aangesloten waddencentra.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de Educatieve dienst van Ecomare, De Koog, Texel:
educ@ecomare.nl
0222 36 74 40
Meer informatie over de Waddenzee als werelderfgoed vindt u op: waddenzeewerelderfgoed.nl.

Over de auteurs

Quinten van Katwijk, Janneke Bakker en Mieke Bon zijn alle drie werkzaam bij de Educatieve dienst van Ecomare, De Koog, Texel.