Sven is een vroege leerling. Hij is jarig in september. Toen hij aan het eind van groep 2 nog steeds erg speels was, dachten de leerkrachten en de ouders van Sven dan ook, dat hij nog wat te jong was om naar groep 3 te gaan. Met elkaar hebben zij toen besloten om Sven nog een jaartje langer te laten kleuteren.

Bij de start in groep 3 ging het de eerste maanden nog best aardig. Maar de laatste weken heeft Maaike, de leerkracht van Sven, erg veel moeite met zijn concentratieproblemen en beweeglijkheid. In haar vijftien jaar ervaring voor de klas heeft ze dit nog niet zo extreem meegemaakt. Ze moet tijdens haar lessen zo veel aandacht aan Sven besteden, dat ze bijna niet meer toekomt aan de andere leerlingen. En dat kan niet de bedoeling zijn. Het is dus tijd, dat Maaike een gesprek heeft met de ouders van Sven.
En zo begint het eerste artikel in de serie over bijzondere gesprekken met ouders, die in jaargang 29 van het Praxisbulletin zal verschijnen. Aflevering 1: over het bespreken van een vermoeden met ouders.

Aanleiding

In groep 3 is meer concentratie nodig voor het werken aan taken dan in groep 1/2. En er wordt regelmatig zelfstandigheid gevraagd van de leerlingen. Hierdoor valt vooral de zwakke taakgerichtheid van Sven op. Dit wil Maaike graag bespreken met de ouders van Sven. Daarnaast heeft ze het vermoeden, dat er iets meer met Sven aan de hand is. Maar hoe maak je zo’n vermoeden bespreekbaar?

Voorbereiding

Wanneer u als leerkracht een afspraak maakt met ouders voor een langer gesprek, dan is een goede voorbereiding belangrijk. Denk hierbij aan: het kiezen van een rustige tijd en ruimte, het bepalen van het doel van het gesprek en het klaarleggen van verschillende werkjes, observatie- en toetsgegevens.
Naast deze algemene voorbereiding is het zinvol om bij een gesprek over een lastig onderwerp uzelf voor te bereiden op een aantal verschillende wendingen, die het gesprek kan krijgen.
Het bespreken van het zwakke taakgedrag van Sven en het eventueel voorstellen om hem nader te laten onderzoeken, vormen samen een soort slechtnieuwsgesprek. Dit soort gesprekken zijn vaak lastig om te voeren, omdat er veel emoties mee gepaard kunnen gaan, zowel van de ouders als van de leerkracht. Het is daarom goed als Maaike van tevoren enkele mogelijke gespreksscenario’s langsloopt en bedenkt hoe zij op de verschillende gesprekswendingen kan reageren.

Aandachtspunten voor het gesprek

1 UITSPRAAK TEGENOVER BOODSCHAP
Een mogelijkheid waar Maaike rekening mee dient te houden, is dat de ouders van Sven haar verrassen met een uitspraak, die lijnrecht tegenover haar boodschap staat. Bijvoorbeeld:

Vader zegt, voordat Maaike ook maar één woord heeft kunnen zeggen:’Met Sven gaat het de laatste tijd veel beter, hè?’

2 GA HIER NIET IN MEE
Dit is volgens Maaike helemaal niet het geval. Ondanks de uitnodiging – met daarin het onderwerp van het gesprek: het (taak)gedrag van Sven – zitten de ouders van Sven (nog) niet op het spoor van de leerkracht. Bij een dergelijke start is het belangrijk, om hierin niet mee te gaan! Dat zou namelijk makkelijk kunnen gebeuren, bijvoorbeeld uit angst om de ouders teleur te stellen.

3 BLIJF BIJ DE BOODSCHAP
Als u als leerkracht in eerste instantie positief bent over het kind, maar daarna alsnog moet komen met slecht nieuws, dan is dit dubbel frustrerend voor ouders. Bij het tegenover elkaar staan van standpunten is het beter, dat Maaike zo snel mogelijk haar mening geeft. Bijvoorbeeld:

‘Het spijt me, dat ik u dit moet zeggen, maar dit komt helaas niet overeen met mijn ervaringen in de klas de afgelopen weken.’

4 GEBRUIK HELDERE TAAL
Vervolgens gaat Maaike verder met het bespreken van de zorgen, die ze heeft over Sven. Het is belangrijk, dat ze zich hierbij houdt aan heldere beschrijvingen, in termen van observeerbaar gedrag. Bijvoorbeeld:

‘Ik zie in de klas, dat Sven tijdens het zelfstandig werken erg vaak wegkijkt van zijn taak. Hij staat ook veel op van zijn plaats. In één kwartier soms wel tien keer. Dit gedrag vind ik opvallend. En het lukt Sven hierdoor ook niet om zijn werk af te krijgen.’

5 LEG RUSTIG UIT
Daarna kan Maaike aangeven wat ze doet om hierop in te spelen. Vertel de ouders wat wél en wat niet tot resultaten leidt. Het kan voorkomen, dat ouders allerlei oplossingen opperen. Probeer niet te veel in de verdediging te gaan, als ouders vragen of u bepaalde dingen al geprobeerd hebt. Maar leg rustig uit. Bijvoorbeeld:

‘Ja, dat heb ik al wel geprobeerd, maar dat heeft niet het gewenste effect gehad.’
Of: ‘Nee, dat heb ik nog niet gedaan. Maar dat zou ik ook wel eens kunnen proberen.’

6 NEEM OUDERS SERIEUS
Het doel van het gesprek blijft om samen te komen tot een oplossing voor het gedrag van de leerling. Dus het is belangrijk, dat u eventuele suggesties van de ouders opschrijft en die suggesties ook daadwerkelijk gaat uitproberen! Als dat duidelijk bij de ouders overkomt, dan voelen ze zich ook serieus genomen.

7 ONTKENNING
Als ouders geconfronteerd worden met het afwijkende gedrag van hun kind, dan kan dit leiden tot een ontkennende reactie. Deze reactie is overigens heel vanzelfsprekend. Bijvoorbeeld:

‘Thuis is Sven heel anders.’
Of: ‘Ik zie dat helemaal niet zo.’

8 TEGENAANVAL
De ontkenning kan ook in de vorm van een tegenaanval gedaan worden, die bedreigend over kan komen. Bijvoorbeeld:

‘Sinds u voor de klas staat…’
Of: ‘Hoelang staat u al voor de klas?’

9 BAGATELLISEREN
Daarnaast kunnen de ouders bagatelliserend reageren. Hierbij kán de erfelijkheid van bepaalde stoornissen een rol spelen, zoals ADHD of autisme spectrum stoornissen (ASS). Ouders kunnen bijvoorbeeld voorbeelden aandragen van hoe gewoon hun kind is, terwijl ze dan juist de kenmerken van ADHD of ASS noemen! Bijvoorbeeld:

‘Ach, dat heeft hij van zijn vader. En die is ook goed terechtgekomen.’
Of:’Het is juist handig, dat hij alle vertrektijden van de bus uit zijn hoofd weet. Zo komen we nooit te laat.’

10 REAGEER PROFESSIONEEL
Geef de ouders voldoende ruimte om een reactie te geven. Reageer professioneel en probeer de boodschap niet persoonlijk op te nemen. Blijf rustig en leg eventueel nogmaals uit welk gedrag u zorgelijk vindt. Bijvoorbeeld:

‘Vandaag bespreken we het gedrag van Sven. Wat ik in de klas zie, is dat hij veel moeite heeft om zich te concentreren op zijn werk en hierdoor zijn werk niet afkrijgt. Ik maak me hier zorgen over en wil graag met u samen tot een oplossing komen.’

11 GA NIET DE STRIJD AAN
Houd voor ogen, dat leerlingen thuis vaak anders functioneren dan in een groep op school. Dit geldt zeker voor leerlingen met een stoornis, zoals ADHD of ASS. Het is belangrijk, om een welles-nietesstrijd tijdens het gesprek te vermijden.

12 NEEM VOLDOENDE TIJD
Bij het bespreekbaar maken van «een vermoeden van…» kan het nodig zijn, om met ouders meerdere gesprekken te voeren, verdeeld over een periode van enkele weken of maanden. Ouders hebben tijd nodig om een dergelijke boodschap te kunnen verwerken. En daarnaast kan het nodig zijn, dat u als leerkracht eerst nog tips van ouders uitprobeert in de klas en kijkt of die effect hebben.

13 STEL DUIDELIJKE DOELEN
Maaike heeft het gevoel, dat er meer aan de hand is met Sven. Ze heeft tijdens het gesprek als doel, dat ze de ouders wil doorverwijzen naar een deskundige, voor een oriënterend gesprek. Wanneer Maaike aan het begin van het gesprek aangeeft over welk gedrag ze zich zorgen maakt, kunnen de ouders van Sven ook als volgt reageren:

‘Dit herkennen wij thuis ook. Zelf denken we wel eens: heeft Sven soms ADHD?’

14 BEAAM HET VERMOEDEN
Wanneer ouders zélf aangeven dat ze vermoeden, dat hun kind een stoornis heeft, dan kunt u als leerkracht met de ouders bespreken dat dit wel eens een mogelijkheid zou kunnen zijn. Bijvoorbeeld:

‘Daar heb ik ook wel eens aan gedacht. Ik denk, dat het een goed idee is, als u dit verder laat onderzoeken.’

Doorverwijzen

Een diagnose kan alleen gesteld worden door een GZ-psycholoog of een kinderpsychiater. Gedrag kan op een stoornis als ADHD lijken. Maar het kan óók voortkomen uit andere oorzaken. Het is daarom belangrijk, dat dit door een gedragsprofessional wordt onderzocht. Een eerste stap voor ouders is vaak de huisarts. Die kan hen dan doorverwijzen naar een onderzoeksinstituut in de regio.

Passende aanpak

Een onderzoekstraject duurt vaak enkele maanden (of langer). Het is belangrijk, dat de betreffende leerling in de tijd dat hij/zij op school zit, een passende aanpak krijgt. Houd daarom contact met de ouders over wat u als leerkracht doet en wat er wél en niet werkt. Probeer uw zorgen, maar óók de successen, steeds duidelijk en helder met de ouders te delen. En stel hierbij altijd het belang van het kind voorop!
Veel succes!