Aflevering 8 van een maandelijkse column over angsten bij kinderen, naar aanleiding van het artikel “Bange kinderen” in Praxisbulletin 27-1 (september 2009).

In de klas

Het is dinsdagochtend, tijd om naar het schoolzwemmen te gaan. Het is de laatste les voor de vakantie en de badmeester heeft de vorige keer beloofd dat de kinderen vrij mogen zwemmen. Ze hebben zich er erg op verheugd. Als juf Annemijn aangeeft dat de kinderen hun jassen en tassen mogen pakken, rennen ze enthousiast naar de gang. Merel sputtert wat tegen. “Ik ga niet mee!”, zegt ze, terwijl ze op haar stoel blijft zitten.
“Pak je jas nu maar. Je weet dat je niet hoeft te gaan zwemmen, maar je gaat wel gewoon mee naar het zwembad. Kom op”, zegt juf Annemijn. Merel staat mokkend op. Ze schopt tegen een stoel die nèt niet omvalt en trekt in de gang haar jas aan. De juf besluit om maar niks over de stoel te zeggen. Ze is allang blij dat Merel haar jas aantrekt, al is het met een boos gezicht. Een paar weken geleden kwam ze niet van haar plek af en gooide ze uiteindelijk haar tafel om, die toen hard op de voet van Mustafa terecht kwam…

In het zwembad blijft Merel in de kleedkamer stil met haar armen over elkaar op een bankje zitten. De andere kinderen kleden zich deze keer extra snel om, want ze hebben veel zin in het vrij zwemmen. Wanneer zij luid kletsend en zingend naar de douche gaan en het water in duiken, wil juf Annemijn de kleedkamer uit lopen en naar de stoeltjes aan de rand van het zwembad gaan. “Kom je mee, Merel?”, vraagt juf Annemijn terwijl ze de kleedmaker uitloopt. “Nee”, is het antwoord van Merel. De juf draait zich verbaasd om. Ze was blij dat Merel uiteindelijk mee naar het zwembad was gegaan en had eigenlijk geen verdere problemen meer verwacht. Ze kijkt naar Merel, die stijf op het bankje blijft zitten.
“Kom op, Merel. Je hoeft niet te zwemmen, maar je weet dat je mee naar binnen moet.”
“Hou je kop!”, antwoordt Merel, “Ik zeg toch dat ik niet mee ga! Ga zelf naar dat zwembad!” en ze vuurt er nog wat scheldwoorden achteraan.
“Merel, ik wil niet dat je zo tegen me praat”, zegt juf Annemijn op neutrale toon terug.
“Sta op en loop met me mee, anders kun je in de pauze binnenblijven als de andere kinderen gaan buitenspelen.”
“Wat denk je nou zelf, joh! Je bent m”n moeder niet! Ik zeg toch net dat ik niet mee ga!” roept Merel boos terug, terwijl ze zenuwachtig een lok haar om haar vinger draait. Juf Annemijn zegt kalm: “Ik tel tot drie en dan loop je mee, anders kom ik je halen.” Ze telt tot drie, maar er gebeurt niets. Merel blijft nog steeds stijf op het bankje zitten. De juf loopt naar haar toe en pakt haar voorzichtig beet bij haar arm. Ze probeert Merel te laten opstaan, maar zij wordt nog bozer en geeft een harde schop tegen de schenen van de juf. Terwijl ze juf Annemijn nog meer uitscheldt, schopt ze nog eens en probeert ze haar in haar arm te bijten. De juf besluit de strijd niet verder aan te gaan en laat Merel los.
“Blijf dan maar hier zitten,” zegt ze, “Maar dan blijf je straks in de pauze ook binnen.” Merel plukt zenuwachtig aan haar kleren en blijft op het bankje zitten wanneer de juf de kleedkamer uitloopt.

Als aan het einde van de zwemles Ilham en Natasja de kleedkamer in komen, begint Merel vrolijk met hen te praten terwijl zij zich omkleden. In de rij terug naar school is Merel gezellig aan het kletsen en zingen met haar vriendinnen en is er niets meer te zien van het agressieve meisje dat een uur geleden in de kleedkamer zat.

Achtergrond

Merel is een vriendelijk meisje uit groep 6. Ze doet goed mee tijdens de lessen, werkt hard en geconcentreerd aan haar opdrachten en haalt goede resultaten. Ze heeft een aantal vriendinnen met wie ze in de pauze gezellig speelt. Het gedrag dat Merel laat zien tijdens een boze bui in de kleedkamer van het zwembad, past helemaal niet bij haar.

Vroeger was Merel dol op zwemmen. Haar zwemdiploma”s had ze dan ook al snel gehaald. Tijdens een vakantie is ze in een het drukke zwembad van de camping een keer in het water geduwd door een jongen die voorbij kwam rennen. Later dook er plotseling iemand vlak naast haar het water in, waarvan Merel toen erg is geschrokken. Sindsdien houdt ze niet meer van het zwembad. Vooral wanneer er veel kinderen zijn of als er lawaai is, wordt Merel erg bang. Het zwemmen met school heeft daarom altijd veel problemen veroorzaakt. In het begin klaagde Merel op de dag dat ze moest schoolzwemmen vaak over buikpijn en misselijkheid, waardoor haar moeder haar regelmatig ziek meldde. Toen ze na enige tijd toch naar school moest, vergat ze vaak expres haar zwemkleding en wanneer ze haar spullen wel bij zich had, liet ze steevast opstandig en agressief gedrag zien in de kleedkamer.
Ze weigerde om mee te gaan naar het zwembad of om zich om te kleden. Uiteindelijk is in overleg met ouders besloten dat Merel niet meer mee hoeft te doen aan het schoolzwemmen. Ze moet wel met de klas mee naar het zwembad, maar ze mag dan naast de juf op een stoel aan de rand van het zwembad blijven zitten. Nog steeds ervaart Merel veel angst wanneer het er druk of lawaaierig is. Ze voelt zich dan veiliger in de kleedkamer en durft niet naar haar stoel. Uit angst schopt en slaat ze letterlijk alles en iedereen weg die haar uit haar veilige omgeving wil halen.

Theorie

Wanneer iemand zich bedreigd voelt, ervaart hij angst. Het lichaam maakt dan een stresshormoon aan. Dit hormoon zorgt ervoor dat iemand zich nog angstiger voelt. Bij sommige mensen zorgt een kleine bedreiging, zoals het zien van een huisspin, al voor de aanmaak van een grote hoeveelheid van het stresshormoon en daarmee voor een sterkere ervaring van angst. Iemand die snel bang is, kan hier dus zelf weinig aan doen: dit wordt bepaald door onbewuste lichamelijke processen.

Wanneer het lichaam het stresshormoon heeft aangemaakt, moet het hier iets mee doen. Het lichaam kan hierbij “kiezen” uit handelen of niet handelen. Dit wordt ook wel het fight or flight-response genoemd. Het lichaam maakt onbewust de keuze om te vechten of om te vluchten. Deze keuze is afhankelijk van de aanmaak van andere hormonen. Bij het ervaren van hevige angst, zoals bij kinderen met een angststoornis, zorgt het lichaam meestal voor een extreme “vluchtreactie”. Dit uit zich doordat een kind zich dan terugtrekt en heel stil en onopvallend gedrag vertoont. Dit gedrag is een duidelijk en herkenbaar signaal voor angst waarbij de meeste mensen ook al snel zullen vermoeden dat een kind bang is.

Minder voor de hand liggend, en ook minder voorkomend, is de onbewuste keuze voor een “vechtreactie” in angstige situaties. Het lichaam kan rustiger worden door het aangemaakte stresshormoon te gebruiken en tot handelen overgaan. Een kind dat zich bedreigd en angstig voelt, kan zich in dat geval gaan verdedigen door agressief gedrag te laten zien. Door bijvoorbeeld te gaan slaan, schoppen of schelden probeert hij zijn veiligheid te verdedigen.

Hoewel het in eerste instantie tegenstrijdig lijkt te klinken, kan angst dus een reden zijn dat kinderen agressief gedrag vertonen. Wees als leerkracht daarom alert op signalen die aangeven dat er bij een kind sprake is van onderliggende angst. Let op de momenten waarop een kind agressief gedrag laat zien en probeer te zien of hier overeenkomsten tussen zijn. Wanneer het gedrag zich steeds tijdens een zelfde soort situatie voordoet, kan dit betekenen dat (iets in) deze situatie angst oplevert. Om de situatie te vermijden, laat een kind dan mogelijk agressief gedrag zien.

Kinderen die agressief worden wanneer zij bang zijn, weten niet goed hoe zij met hun angst om moeten gaan. Zij voelen zich niet veilig, hebben sterk de neiging om te handelen in een angstige situatie en reageren agressief uit onmacht of paniek. Het aanpakken van het agressieve gedrag is bij deze kinderen niet voldoende, omdat angst een belangrijke onderliggende factor is. Het is daarom van belang om juist de onderliggende angst aan te pakken. Een kind moet leren om zijn angst te herkennen en hier op een andere manier mee om te gaan. Therapie die hier speciaal op is gericht door een hiervoor opgeleide behandelaar kan hierbij zeer behulpzaam zijn.

Tips voor in de klas

– Let op signalen die kunnen aangeven dat er sprake kan zijn van angst onderliggend aan agressief gedrag.
– Bespreek met de ouders of zij thuis ook agressief gedrag zien bij hun kind en of dit gedrag tijdens dezelfde soort situaties als op school voorkomt. Overleg of er sprake kan zijn van een onderliggende angst.
– Toon begrip voor de angst. Creëer een veilige omgeving, waarin de angst van een kind bespreekbaar is.
– Stel haalbare, realistische doelen. Zorg voor regelmatige succeservaringen in de specifieke situatie die angst veroorzaakt.
– Reageer op een neutrale, zakelijke manier op ongewenst en agressief gedrag. Ga niet in discussie.
– Onthoud dat de uitingen van agressie (schoppen, slaan, uitschelden e.d.) niet persoonlijk gericht zijn, maar een manier van het kind zijn om zijn veiligheid te verdedigen.
– Bedenk een gepaste manier waarop het lichaam het aangemaakte stresshormoon kan gebruiken. Knijpen in een stressballetje, slaan tegen een boksbal in een lege ruimte of schoppen tegen een grote mat in de gymzaal kunnen mogelijk voor opluchting zorgen.
– Laat een kind afkoelen, geef het de ruimte om zijn veiligheid terug te vinden.

Literatuur

– Delfos, M. (2003). De onontkoombare dans: angst, depressie, agressie. In: Dwarsliggers in de klas. Apeldoorn: Garant.
– Van Lieshout, T. (2009). Pedagogische adviezen voor speciale kinderen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
– Verhulst, F. C. (2006). Leerboek Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Assen: Van Gorcum.