Het artikel in het Praxisbulletin vraagt aandacht voor de noodzaak om af en toe stil te staan om het tempo van het leven te kunnen bijhouden.
Rumoer in de klas, drukke leerlingen die niet van elkaar kunnen afblijven, een voortdurende werveling van beweging en geluid. Sommige leerkrachten slepen zichzelf van vakantie naar vakantie. Waar zijn orde en rust gebleven?
Tijd voor bezinning. Tijd om te luisteren naar de kinderen. Kijken naar wat de kinderen bezighoudt. En de kinderen leren luisteren naar zichzelf.
Daarvoor is rust nodig. Maar hoe organiseer je dat in een situatie waarin aan harde eisen moet worden voldaan en waarin je afgerekend wordt op tastbare resultaten met betrekking tot taal, rekenen en kennis van de wereld om je heen?
In deze internetuitbreiding vindt u vier opdrachten en suggesties voor bezinningsmomenten in de groep.

Opdracht 1

Kijk naar je eigen geheime film

Doel:
Door even stil te staan bij wat er de hele dag in je hoofd gebeurt, word je je bewust van de constante stroom aan info die rondspookt in je hoofd en die mee bepaalt hoe je naar de wereld kijkt.

Laat de kinderen een prettige plek opzoeken ergens in het lokaal. Dat kan zijn op hun eigen stoel, in een speelhoek, met het hoofd op tafel, half liggend op een kussen in leeshoek.
Als de kinderen een goede houding hebben gevonden, krijgen ze de opdracht om in stilte drie minuten naar de film in hun hoofd te kijken. Ze moeten proberen bewust te kijken. Ze hoeven niets te verzinnen, alleen maar te kijken wat er gebeurt. Ook als het geen lopend verhaal is, maar flitsen van van alles en nog wat, is het de bedoeling dat ze “in hun hoofd” rustig naar de beelden blijven kijken en het allemaal gewoon laten gebeuren.
Na drie minuten worden ze zachtjes “wakker” gemaakt en mogen ze iets van wat ze gezien hebben, opschrijven of tekenen of kleien. Ze kiezen een beeld, een gebeurtenis of een gedachte die ze interessant vonden en verbeelden die in woord, tekening of beeld.
Ter afsluiting volgt een rondje waarin elke kind zijn zin, tekening of beeld laat zien en vertelt wat het is en hoe hij of zij het heeft gevonden.

Opdracht 2

Wolken volgen

Doel:
Stilstaan bij veranderingen die zich bijna ongemerkt voltrekken.

Ga op een mooie wolkendag met de kinderen naar buiten en laat hen languit liggend naar boven staren naar de wolken. Op een gegeven moment kiest elk kind een wolk uit en volgt die. Welke veranderingen zien ze, welke vormen maakt de wolk? Ze schrijven hun waarnemingen op en kiezen in de klas wat ze de leukste vorm vonden. Die werken ze uit tot een tekening of een verhaal.

Bij regen kunt u een soortgelijke oefening doen door de kinderen te laten kijken naar de druppels op het raam, of naar dikke verfdruppels die uitlopen op papier. Alles wat bijna onmerkbaar verandert en uitvloeit in andere vormen, is hiervoor geschikt.

Ankeren

Stilte als middel, om een pas op de plaats te maken. Het heeft zin regelmatig momenten van rust te organiseren, om – soms letterlijk – even op adem te komen. Een vaste stop, bij wijze van sluis, waarin de tijd genomen wordt om met elkaar op dezelfde golflengte te komen.
Dergelijke stiltemomenten geven de leerlingen de kans om tot zichzelf te komen, om zich te ankeren. Dit is voor iedereen zinvol. Maar het is natuurlijk nóg meer van belang, als je je klein voelt, onbegrepen, miskend en verlegen.

Opdracht 3

Bekijk het eens van een andere hoek

Doel:
De relativiteit van zaken ervaren. Hoe je dingen ervaart en ziet, is je eigenperceptie. Vanuit een andere hoek kan hetzelfde er ineens heel anders uitzien. Door hiervoor tijd te nemen ontdek je dat.

De kinderen verspreiden zich in de ruimte (speelzaal of klas). Telkens mag een kind een houding verzinnen om de wereld anders te zien, bv. door de knieën zakken en zo laag door de ruimte lopen, op je tenen wandelen, met één oog dicht lopen, door een gat van je handen kijken, op tafel staan en dan rondkijken, noem maar op. De andere kinderen volgen de aanwijzingen.
Wat merken ze? Zien de dingen er anders uit? Hoe dan?
Vergelijk het maar met als u teruggaat naar het huis of de straat van uw jeugd. Dan lijkt alles ineens kleiner. Of iemand die op het toneel staat, lijkt groter dan hij in werkelijkheid is.

Opdracht 4

Pantomime

Doel:
Goed leren kijken, vooral naar non-verbale boodschappen, lichaamstaal. Rust nemen om te ontdekken wat er verteld wordt.

De kinderen werken in groepjes van twee of drie. Ze nemen een bepaalde situatie als startpunt: stel, dat je in een donkere grot bent, of in een drukke straat, of op een plek die je niet kent, of bij onbekende mensen thuis…, en je komt iemand tegen aan wie je moet duidelijk maken dat je op zoek bent naar een brood of je oma of de weg… Beeld dat in spel uit, zonder woorden.
Als de kinderen het “verhaaltje” rond hebben, laten ze de korte pantomimestukjes aan elkaar zien.