In het bladartikel staat een handleiding voor het maken van een toneelstuk over Sinterklaas. Daarin is sprake van een pepernotenmachine. In deze internetuitbreiding vindt u tips voor het oefenen met die machine en voor het oefenen van de andere rollen.

In het bladartikel staat een handleiding voor het maken van een toneelstuk over Sinterklaas. Daarin is sprake van een pepernotenmachine. In deze internetuitbreiding vindt u tips voor het oefenen met die machine en voor het oefenen van de andere rollen.

Tips voor het oefenen met de pepernotenmachine

In het bladartikel staat beschreven hoe een aantal kinderen samen een pepernotenmachine vormt. Om dit tijdens de voorstelling goed te laten verlopen moet de machine met de kinderen zorgvuldig worden opgebouwd, zodat de spelers precies weten wat ze moeten doen en ze niet in de war raken door elkaars geluiden en bewegingen.

Opbouw

– Het eerste kind gaat aan een kant van het toneel staan. Dit is het begin van de machine. Dit kind houdt (zonder dat dit gezien wordt) een zakje met pepernoten achter zijn (of haar) rug. Laat het kind een geluid en een beweging bedenken, die passen bij een machine. Tijdens die beweging pakt het kind in ieder geval een pepernoot uit het zakje en geeft die aan het eind van de beweging door aan het volgende kind.
– Laat de beweging (mét het geluid) een paar keer herhalen, totdat u ziet dat het kind de handelingen bijna automatisch uitvoert en ze dus niet snel meer zal vergeten.
– Wijs een kind aan, dat het volgende stukje van de machine zal gaan spelen. Dat kind moet eerst goed kijken naar het begin van de machine en bedenken hoe hij (of zij) op die beweging kan aansluiten. Het tweede stukje van de machine krijgt de pepernoot in handen, maakt ook weer een beweging en een (ander) geluid en geeft de pepernoot weer door aan het volgende kind.
– Nu de machine wat groter is geworden, oefenen de twee kinderen een paar keer, totdat ze zeker weten dat ze hun eigen bewegingen en geluiden niet meer zullen vergeten en ze goed blijven aansluiten op elkaar.
– Zo komt er steeds een kind bij en wordt de machine steeds groter. Afhankelijk van de grootte van uw toneelvloer en hoe goed uw leerlingen samenwerken, bepaalt u hoeveel kinderen uiteindelijk samen de machine gaan vormen. Vijf tot zeven leerlingen gaat meestal zonder problemen. Maar langer kan ook!
– Probeer eens uit hoe lang de machine kan worden, zonder dat hij problemen oplevert. Is het mogelijk om van de hele groep een heel lange machine te maken? Voor het toneelstuk is dit niet zo handig, maar het is wél een heel leuke en goede oefening!

Snelheid

In het toneelstukje moet de machine zowel snel als langzaam werken en uiteindelijk tot stilstand komen. Dat betekent, dat de kinderen in de machine goed moeten letten op elkaars snelheid en die ook van elkaar moeten overnemen.

Van langzaam naar snel

– Laat de machine eerst eens overdreven langzaam draaien, bijna slow motion.
– Geef vervolgens opdracht om bij elke pepernoot een heel klein beetje sneller te gaan.
– Uiteindelijk werkt de machine heel erg snel, maar het mag niet fout gaan!

Van snel naar langzaam

– Doe vervolgens aansluitend hetzelfde, maar dan andersom: de machine gaat nu van heel erg snel naar heel erg langzaam. Dat gebeurt in kleine stapjes!

Verschillende standen

De machine heeft in het toneelstuk een paar standen van langzaam naar snel. Het verschil tussen die standen moet voor het publiek goed zichtbaar zijn. Laat de machine het verschil oefenen tussen stand 1, 2 en 3. Er zijn duidelijke verschillen te zien tussen deze drie standen:
– bij stand 3 moet de machine het nauwelijks meer redden, zó snel gaat hij;
– stand 2 is ook al behoorlijk snel, maar ziet er nog niet uit alsof de machine stukgaat;
– stand 1 is de normale stand. In een normaal (niet te snel, maar ook niet te langzaam) ritme maakt de machine continu nieuwe pepernoten.

Niet alleen de bewegingen worden sneller als een hogere stand is gekozen, maar ook de geluiden nemen in volume toe!

Stilvallen

In het toneelstuk valt de machine plotseling stil. Dit is veel moeilijker dan geleidelijk aan sneller of langzamer gaan.
Werkwijze:
– Spreek met de kinderen af: als degene die het eerste stukje van de machine speelt, een raar, piepend geluid maakt (een geluid dat er normaal niet bijhoort), dan betekent dat, dat drie tellen later de machine in één klap stilvalt.
– Dit moet een paar keer goed worden geoefend, want niet iedereen telt even snel. Als het lastig gaat, kunt u afspreken dat het eerste kind van de machine na het piepende geluid drie keer met één voet op de grond tikt, waarna de machine stilvalt. De kinderen moeten dus goed op elkaar blijven letten!

Bakblikken met pepernoten

In de zesde scène lopen de moeders en de kinderen met bakblikken vol pepernoten de bakkerij binnen. Ze helpen elkaar met het openhouden van de jutezakken en het verzamelen van de pepernoten. De bedoeling is, dat het lijkt alsof het in de bakkerij een komen en gaan van mensen is. Aandachtspunten:

– Zorg voor (sinterklaas)muziek, waarop de spelers ritmisch kunnen lopen.
– Spreek van tevoren de volgorde af, en ook wie aan welke kant van het toneel opkomt en afgaat. Afspraken maken is in dit geval echt nodig. Het moet er namelijk niet rommelig uitzien, maar wél vrolijk en energiek.
– Het is ondoenlijk om deze scène zo lang te laten duren, dat de jutezakken uiteindelijk ook echt vol zitten. Zet achter de balie van de bakker daarom van tevoren al een of twee volle zakken met pepernoten klaar, die in alle drukte op een bepaald moment naar voren kunnen worden geschoven.

Tips voor het oefenen van de andere rollen

Piet

De pieten die de pepernotenmachine kapotmaken, zijn niet al te snugger, maar ze hebben duidelijk wél goede bedoelingen.
Aandachtspunten:

– Oefen met deze pietjes hoe ze hun rol een beetje overdreven neerzetten. Laat hen overdreven suffig naar de pepernotenmachine kijken, als ze zich afvragen waar stand 2 en stand 3 eigenlijk voor zijn. (Ze hebben bv. hun mond een beetje open en krabben zich achter de oren, terwijl ze de machine van alle kanten bekijken.)
– Laat hen overdreven enthousiast op en neer springen en juichen, als de machine ineens veel sneller gaat. En ze zitten natuurlijk ook overdreven in hun piepzak zitten, als de machine is stukgegaan.
– Hoe duidelijker de pieten deze verschillen laten zien, hoe leuker het voor het publiek is om naar hen te kijken. Pieten mogen natuurlijk ook wat extremer in hun reacties zijn dan bv. Sinterklaas!

De sint

Tips en aandachtspunten voor de rol van Sinterklaas:

– De sint is een beetje streng, een beetje brommerig, maar hij is natuurlijk bijzonder vergevingsgezind. De pieten schamen zich als alles misloopt, maar ze durven het wél te zeggen tegen Sinterklaas.
– De sint heeft dus een natuurlijk gezag en overwicht. Hij is de “upperdog” en de pieten zijn de “underdog”. Om dat op het toneel te laten zien moet de sint op een plechtige en langzame manier bewegen. Hij straalt zelfvertrouwen uit. Dat is te zien aan zijn houding. Zijn stem is wat dieper dan die van de pieten en hij praat statig en langzaam. Ook het zwaaien en knikken naar de kinderen en de pietjes moet natuurlijk langzaam en geconcentreerd gebeuren. Het valt niet mee om dat een toneelstuk lang vol te houden!
– Oefen met het kind dat Sinterklaas speelt om deze statige bewegingen vol te houden, ook als iedereen om hem heen veel drukker praat en beweegt. Laat Sinterklaas ter oefening van de ene kant van het lokaal naar de andere lopen, zo plechtig als hij maar kan, terwijl om hem heen de pietjes heen en weer rennen met cadeautjes en jutezakken.
– “Gevarenmomenten” voor de sintspeler zijn bv. als hij van het toneel af moet. Veel spelers hebben de neiging om die laatste meter(s) op het toneel ineens heel snel af te leggen. Ook ergens gaan zitten is lastig. Een jonge speler zal snel in een stoel “ploffen”. Wijs de kinderen op deze zaken.
– Oefen met Sinterklaas dat hij steun zoekt bij de armleuningen van de stoel, zijn staf of de hoofdpiet, als hij gaat zitten (of juist weer opstaat).

De bakker

Tips en aandachtspunten bij de rol van de bakker:
– De bakker heeft iets gezelligs, iets gemoedelijks. Laat hem aan het begin van het toneelstuk heel vrolijk en opgeruimd zijn. Hij staat te neuriën in zijn winkel en is duidelijk een tevreden mens. Het moet vervolgens duidelijk zijn, dat hij zich ernstig zorgen maakt over de pepernoten, als hij met de dame praat die in de eerste scène pepernoten bestelt. De bakker is echt overstuur, als hij merkt dat het hem niet lukt om zoveel pepernoten te bakken in korte tijd. Zo moet ook de opluchting groot zijn, als alle moeders in de buurt komen helpen met bakken.
– Net als bij de zwartepieten moet de bakker steeds goed het verschil laten zien tussen zijn gevoelens in de ene scène en zijn gevoelens in de andere scène.
– Tijdens het oefenen moet u misschien af en toe heel overdreven voordoen wat u bedoelt. Als u een beetje “gek” durft te doen op het toneel, durven de kinderen waarschijnlijk ook iets meer.

Huilen op het toneel

Als de bakker merkt dat hij het nooit in zijn eentje redt om zo veel pepernoten te bakken, begint hij te huilen. Dit is lastig voor spelers. Hoe moet je nu huilen op het toneel? Er zijn een paar trucjes, waar de bakker wat aan heeft:

– Hij kan zijn gezicht verstoppen in een grote boerenzakdoek. Als hij tegelijkertijd snikkende geluiden maakt en met zijn schouders schokt, komt het al behoorlijk overtuigend over.
– Als de speler tijdens het huilen in de lach schiet, is dat eigenlijk niet erg. Als hij zijn gezicht in zijn handen (of zakdoek) verstopt, zal het publiek denken dat de bakker aan het huilen is.
– Een andere mogelijkheid is: het spel heel erg overdrijven. Door met enorme uithalen te brullen en te snotteren in een zakdoek wordt het huilen grappig en klopt het tóch in het verhaal. De bakker mag best overdreven reageren. Zo lang de speler zelf maar niet laat merken dat hij het ook heel grappig vindt om te doen! De speler moet zichzelf heel serieus nemen, anders gaat het effect verloren.
– Het tegenovergestelde werkt ook: heel zachtjes snikken en met een punt van een zakdoek een fictieve traan wegpinken uit het oog. Zo lang de speler er droevig bij kijkt, komt het zeker overtuigend over.

Muziek

De machinescènes zijn zeer geschikt om te ondersteunen met muziek. De muziek moet het idee “machine” of “fabriek” laten horen, bv. door het ritme. Een wat metalig of blikkerig geluid kan de sfeer zeker versterken. De kinderen die op die momenten niet op het toneel staan, kunnen de muziek maken. Geef hun instrumenten waarmee ze ritmisch de snelheid kunnen aangeven, die de machine tegelijkertijd laat zien. Als de machine sneller gaat draaien, gaat het ritme van de muziek sneller. Als de machine stukgaat, kunnen de kinderen alle instrumenten chaotisch door elkaar laten klinken en vervolgens abrupt stil laten zijn. Hiervoor moeten de muzikanten en de spelers natuurlijk wel een paar keer goed oefenen en op elkaar letten. Kleine trommeltjes, houten blokjes, pannendeksels en het herhaald snerpend spelen van dezelfde noot op een blaasinstrument is ruim voldoende voor een “machine-muziekstuk”.

U kunt overigens natuurlijk ook zoeken naar geschikte bestaande muziek, bv.:

– Pink Floyd, Dark side of the moon (1973): track 2 – On the run + eerste deel van track 3 -Time; track 5 – Money (eerste halve minuut);
– Pink Floyd, Whish you were here (1975): track 2 – Welcome to The Machine (de eerste minuut).

In grotere bibliotheken zijn cd’s te leen met geluidseffecten waarvan u op veel verschillende manieren gebruik kunt maken. Beluister op die cd’s bv. eens de geluiden van een vertrekkende metro, een lopende kraan, of een dichtvallende deur. Wie een beetje handig is op de computer, kan de geluiden achter elkaar zetten en zo de geluiden in een zelfbepaalde volgorde op een cd branden.

Kostuums

Het zal duidelijk zijn voor iedereen hoe Sinterklaas eruit zou moeten zien. U kunt natuurlijk bij kostuumverhuurbedrijven een kleinere maat van een sinterklaaskostuum huren, maar het kan ook goedkoper en eenvoudiger. Van een wit laken kunt u de basis van de sint maken. Knip een gat in het laken waar het hoofd van de sint doorheen kan, en laat het laken recht naar beneden hangen. Met een wit koord of een wit lint om het middel van de sint lijkt het al heel wat. Een grote, rode doek is voldoende om een rode mantel te maken. Stik een tunnel aan een kant van die doek en haal daar een lint doorheen. Hiermee kan een kant van de doek worden gerimpeld en om de nek van de sint worden geknoopt. Het is immers niet erg dat het voor het publiek duidelijk is dat het een geïmproviseerd kostuum is. Iedereen weet dat de sint op het toneel niet de echte Sinterklaas is.
De zwarte pieten kunnen hoge sportsokken aantrekken met gympies. Een korte (sport)broek en een gekleurd T-shirt is goed genoeg, zeker als u van papier of stroken witte stof een kraag knipt.
Gebruik voor de pieten goede schmink, bv. van het merk Grimas. Goede theatersmink is hypoallergeen en zuinig in het gebruik. De schmink brengt u gemakkelijk aan met schminksponsjes. Uit hygiënisch oogpunt moet u tussendoor de sponsjes goed schoonmaken. Dat kan gewoon met een sopje. Bekijk even of u de sponsjes in tweeën kunt knippen, zodat u er meer hebt. Vaak kan dat, omdat u eigenlijk steeds maar een klein gedeelte van het sponsje gebruikt.

De pepernotenmachine heeft natuurlijk een pepernotenkleur. Laat de spelers bruine T-shirts aantrekken en een bruine broek. Lichtbruin, beige of zandkleur kan ook. Met schmink kunt u de gezichten van de machinespelers een pepernotenkleur geven, maar zorg ervoor dat het verschil met de zwarte pieten heel erg duidelijk is.

De bakker heeft, zoals hiervoor beschreven, in zijn spel een ouderwetse uitstraling.
Maak van de bakker ook wat betreft zijn kostuum een écht ouderwets personage; dat ziet er meteen theatraal uit. Een echte bakkersbroek kunt u kopen in groothandels voor het midden- en kleinbedrijf. Een bakkersmuts valt misschien te lenen van een ambachtelijke bakker in de buurt (of is – van papier – ook te vinden in de groothandel). Een dikke buik (opvullen met handdoeken of een kussentje) en een witte schort maken het plaatje compleet.

Pepernotenrecept

In het Praxisbulletin-artikel De Super Pepernotenfabriek (een techniekproject) staat een goed pepernotenrecept.
Samen met de groep écht gaan bakken is natuurlijk een garantie voor een gezellige sinterklaasmiddag! Mocht u allergische kinderen in de groep hebben: op internet zijn talloze recepten te vinden voor glutenvrije pepernoten (bij een zoekmachine intoetsen: glutenvrije pepernoten).

Rekenen naar aanleiding van dit verhaal

Pepernoten bakken

In de sinterklaastijd is het natuurlijk voor de kinderen heerlijk als het thema terugkomt in verschillende lessen. Tijdens de rekenles kunt u – op basis van het toneelstuk – de kinderen laten uitdokteren hoe lang het zou duren, voordat de bakker voor elk kind in uw klas een handjevol pepernoten heeft gebakken. Daarbij komen vragen aan de orde als:
– Hoeveel pepernoten passen in een hand?
– Hoeveel pepernoten passen op een bakplaat?
– Hoe lang duurt het om een bakplaat met pepernoten te maken? (Zie het pepernotenrecept. Inclusief het verzamelen van de ingrediënten, kneden, bolletjes maken en op de bakplaat leggen, het bakken en alles laten afkoelen.)
– Hoeveel mensen moeten helpen met bakken (met hun eigen oven) om binnen een halfuur (of een uur) voor de hele groep genoeg pepernoten te kunnen bakken?

Rekenvragen

Andere leuke vragen zijn:
– Hoe zwaar zou een jutezak vol met pepernoten zijn?
– Hoe kunnen we schatten hoeveel pepernoten er in een zak passen?
– Hoeveel wegen 10 pepernoten? Hoeveel wegen 100 pepernoten? En hoeveel wegen 1000 pepernoten?

Sinterklaaslinks op internet

Papieren pietenkragen, pietenoorbellen of een mijter kunt u o.a. bestellen bij:

www.kinderverkleedwinkel.nl

Als u de activiteiten voor de sinterklaasperiode wilt uitbreiden, kunt u op de volgende websites heel veel extra materiaal vinden:

sinterklaas.startpagina.nl
Sinterklaasjournaal
Sinterklaas knutselen
Werkjes voor bij een thema Sinterklaas