Het artikel in het Praxisbulletin beschrijft een kant-en-klaar lesontwerp over dromen, waarvoor weinig voorbereiding nodig is.
Binnen het lesontwerp – dat bestaat uit het voorlezen van een prentenboek, een kringgesprek, beeldende activiteit en evaluatie – komen meerdere brede ontwikkelingsdoelen aan bod.
Deze internetuitbreiding biedt achtergrondinformatie over kinderdromen (waaronder een essay over droomlessen), prentenboeksuggesties, internetlinks en nog meer lesideeën.

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Artikel

Dromen zijn intiem en kennen geen censuur

Kinderpsychologe vertelt over het hoe en waarom van kinderdromen…

Dromen bespreken in de klas is niet geschikt voor alle leeftijdsgroepen, meent psychoanalytica en psychologe Froukje Slijper. In 2006 maakte ze met collega’s een lesopzet voor scholen binnen het thema dromen, waaraan een landelijke wedstrijd voor groep 7 en 8 was gekoppeld. De meeste kinderen tekenden wensdromen, maar er waren ook nachtmerries bij. Een paar “pesters” tekenden een klasgenootje in nare situaties. “Dat ging heel ver,” vertelt ze. “Het gepeste kind werd zelfs in een graf op een kerkhof afgebeeld.”

In dromen valt de natuurlijke censuur weg en komen de intiemste details naar voren, legt de psychologe uit. Kinderen praten over emoties die ze misschien liever niet prijsgeven. In de kleutergroepen is het wel goed mogelijk om de dromen klassikaal te bespreken, omdat kleuters het dromen nog ervaren als iets dat “van buiten” komt.
Kinderen tussen de 5 en 13 jaar dromen gemiddeld anderhalf uur per nacht. Hoe ouder je wordt, hoe minder je droomt. Jonge kinderen hebben meestal vrij simpele dromen over iets wat zij in het dagelijks leven hebben meegemaakt. Bij hen lopen fantasie en werkelijkheid door elkaar en hierdoor komen de dromen heel echt over, wat hen angstig kan maken.
Wees trouwens niet verbaasd als tijdens een kringgesprek in de kleutergroep de complete dierenbevolking wordt opgesomd. Lieve dieren staan symbool voor helpers en beschermers, de gevaarlijke dieren staan symbool voor de slechteriken. Maar dit is niet op één manier uit te leggen, omdat de symboliek individueel is bepaald. Froukje Slijper: “Een tijger kan een lief dier zijn, in het dagelijks leven bijvoorbeeld de lievelingsknuffel. Terwijl voor een ander kind de tijger een dier is dat jou kan opeten en bijvoorbeeld staat voor een boze vader.”
Over het nut van dromen bestaan verschillende theorieën. Zo is dromen volgens Freud nodig om gevoelens te verwerken. De woorden die in de dromen voorkomen, kunnen symbool staan voor een gevoel. Vallen kan verbonden zijn aan het woord “afvallen”, het gevoel dat je er niet (meer) bij hoort.
Door het bespreken van dromen een plek te geven in de klas kan men de kinderen helpen bij het verwerken van gevoelens. Maar Slijper benadrukt dat vooral voor oudere kinderen de privacy belangrijk is: “Ze moeten niet het gevoel hebben dat u hun een droom hebt ontfutseld,” vertelt ze. “Vijandigheid en schaamte zijn het gevolg. Ik raad in de hogere groepen aan om de dromen te laten opschrijven.”

Wilt u meer over dit onderwerp weten? Klik dan op de link hierboven om een essay over droomlessen te downloaden. Het bevat een uitgebreide beschrijving van de ervaringen van Slijper met kinderdromen.

Prentenboeken

Tijdens het voorlezen van Max en de Maximonsters doen de kinderen spontaan de monsters na. Hoe rol je met je ogen? Hoe maai je met je klauwen? Hoe klinkt het gebrul van monsters? De super-mega-piep-krak-kraan leent zich prima voor een beeldende les over primaire kleuren en het mengen hiervan. Elk prentenboek heeft elementen waaraan je een nieuw lesidee kunt koppelen. Laat u dus inspireren!

Enkele suggesties voor prentenboeken:

– Eric Battut, Mijn Maansteentje (De Eenhoorn 2006)
– Gerda Buddingh, Waaiewind (Clavis 2001)
– Erika Cotteleer, Olivia en de prins (Clavis 2004)
– J. Ray & Berlie Doherty, Jinnie Droomfee (Christofoor 2005)
– Rita Gudden, Het spoor achterna (Malmberg 2002)
– Jan Jutte, Ruimtereis (Leopold 2001)
– Ellen Hoekstra, Een verhaal met een staartje (Clavis 2002)
– Paul van Loon, Help! Een gobbelgobbelmonster (Leopold 2005)
– Brigitte Minne & Gitte Vancollie, Meneer Serafijn (Abimo 2005)
– Maurice Sendak, Max en de Maximonsters (Lemniscaat 1963)
– Johan de Smet & Martine Decroos, De super-mega-piep-krak-kraan.
– Catharina Valckx, De dromen van de koning en de kip (Clavis 2001)
– Remmerts de Vries, Droomkonijn (Querido 2008)

Meer lesideeën

Het thema Dromen is op allerlei manieren verder uit te breiden. We geven enkele voorbeelden.

Droomwinkel (rollenspel en rekenactiviteit)

Richt een droomwinkeltje in. Elk kind stopt een droom in een potje. In het potje zit een voorwerp dat iets met de droom te maken heeft. Bv. haren van een monster, een foto van een moeder, snoepjes. Plak er etiketten op en prijs de potjes met de kinderen. Zorg voor een kassa waar kan worden afgerekend.

Slaaphoek

Maak een slaaphoek in het lokaal. Hier kunnen dromen worden nagespeeld. De kinderen kunnen in een rollenspel slaaprituelen verbeelden.

Beeldend

– Maak geluksmonstertjes met de kinderen. Zo krijgen enge dromen een positieve draai.
– Dromenvangers maken: dit kan in de vorm van een mobile.
– Droombedden tekenen of in hogere groepen maken van dozen/luciferdoosjes met stof.
– Kussenhoezen bedrukken.

Muziek

– Slaapliedjes zingen.
– Muziekinstrumenten: slapen/wakker worden muzikaal uitdrukken met instrumenten, van zacht naar hard.
– Stemmingen koppelen aan muziek. In je dromen ben je boos, blij of verdrietig. Door te luisteren naar verschillende klassieke fragmenten leren de kinderen stemmingen en gevoelens herkennen in geluid of muziek. Op de website www.vaneisden.nl staat een algemeen lesontwerp Stemmingen in de muziek. (De voorbereiding kost wel wat tijd, omdat de gebruikte muziek niet via de site te downloaden is.)

Taal

– Maak een woordweb in alle groepen en breid dit later uit met het verrijken en verkennen van de woorden. Bv.: vijf woorden zoeken die met elkaar te maken hebben, een “droomzin” van een meter maken, in klankgroepen verdelen, synoniemen bedenken, zoveel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden toevoegen.
– Rijmwoorden bedenken. Het lied “De droomboom” leent zich hiervoor: blaadje-chocolaatje, takje-gebakje, topje-dropje (deze oefening helpt de kinderen ook bij het onthouden van de tekst).
– Lettertafel: de d van dromen staat centraal. Laat de kinderen zelf voorwerpen zoeken die met een d beginnen. Die legt u op de lettertafel met woordkaartjes erbij. Laat de kinderen zelf een indeling maken. Welke voorwerpen horen bij elkaar en waarom? Dit nodigt uit tot categoriseren.
– Groep 3-4: woordstroken maken. De kinderen schrijven op een strook een woord dat met hun droom te maken heeft. Daaronder schrijven ze de betekenis, die opgezocht kan worden in een kinderwoordenboek. Tenslotte bedenken ze een zin met het woord en maken ze een kleine tekening op de strook.

Internetlinks

– Op juf.jouwpagina.nl/rubrieken/dromen.html staat een algemene beschrijving van het thema Dromen.
– Door op www.wikipedia.nl in het zoekscherm dromen in te tikken, vindt u veel achtergrondinformatie.
– Op www.schooltv.nl/liedmachien/pagina.jsp?nr=76797 staan informatie over en suggesties bij het lied “De droomboom”.

 

200906droomboom