In dit artikel vindt u een aantal praktische lessuggesties in de vorm van concrete techniekopdrachten die allerlei min of meer winterse kost bevatten.

Antwoorden en verklaringen

Opdracht 1: Thermometer
Elke stof (hout, water, ijzer, enzovoort…) bestaat uit hele kleine deeltjes van die stof: moleculen. Bij verwarming gaan de moleculen bewegen, waardoor ze meer ruimte nodig hebben. Je zegt dan dat de stof uitzet.
Als de moleculen afkoelen gebeurt juist het tegenovergestelde: ze hebben juist minder ruimte nodig.
Als de lucht en de vloeistof warmer worden, is er in het flesje onvoldoende ruimte voor het uitzetten, maar die ruimte is er nog wel in het buisje. Daar stijgt de vloeistof dus.

Opdracht 2: IJs en olie
a. Het blokje blijft drijven, dus ijs is lichter dan olie.
b. Het water zakt naar beneden, dus water is zwaarder dan olie.

Opdracht 3: IJs en sneeuw
In het glas met ijs ontstaat meer water dan in het glas met sneeuw. Dus ijs bevat meer water dan dezelfde hoeveelheid sneeuw.

Opdracht 4: IJs en zout
Het water waar je het zout bij gedaan hebt, smaakt zout.
Het dooiwater smaakt minder zout.
Dus het water bevriest, maar het zout niet.

Opdracht 5: IJs en water
Het flesje is aan de buitenkant nat.
Het ijs in het flesje is vooral in het midden gekleurd.
De buitenkant van het water in de fles bevriest eerst en daarna het midden.
Aan de buitenkant van de fles ontstaat condenswater. Dat ontstaat als waterdamp een koud voorwerp raakt. Denk maar aan beslagen ramen.

Opdracht 6: Water en ijs
Het ijs steekt iets boven de rand van de beker uit.
Dus het water zet uit als het bevriest.