Het Praxisbulletin-artikel over buiten spelen introduceert een poppenkastspel over een schoolkamp. In deze internetuitbreiding vindt u de zesde aflevering van een maandelijkse bijdrage over de poppenkast als doel en middel in het onderwijs: Op schoolkamp.

Op schoolkamp

Naar het jaarlijkse schoolkamp wordt lang uitgekeken. Het schoolkamp is immers hèt avontuur van het jaar. Er wordt altijd van alles georganiseerd, zoals een speurtocht of een dropping. Het wordt helemaal een avontuur als iemand verdwaalt tijdens de speurtocht!

Poppen

– Lukas (een jongen uit de klas)
– Meester Vincent
– De vos
– Een paar jongens en meisjes

Rekwisieten

– Twee kleine briefjes (met dubbelzijdig plakband of enkele steken vastgemaakt aan de handjes van de poppen)
– Een stuk touw
– Een paar takjes

Voorbereidingen

In dit verhaal gaat een groep kinderen op schoolkamp. Het gaat vooral om Lukas die verdwaalt en een heel eigen avontuur beleeft. Af en toe komen ‘een paar jongens en meisjes’ in de poppenkast tevoorschijn. Het is niet te doen om in je eentje, of met een medespeler zo veel poppen tegelijk te bespelen. Handiger is het om de poppen met draadjes aan een latje vast te maken, zodat ze achter of schuin naast elkaar aan het latje hangen. Als u bovenin de poppenkast het latje van de ene naar de andere kant beweegt, dan kunt u in een keer enkele poppen tegelijk door de poppenkast te laten wandelen.

Scènes

Scène 1:

(Meester Vincent staat aan een kant in de poppenkast. We zien de jongens en de meisjes en Lukas tegenover hem staan. Lukas en een ander kind hebben een klein briefje in hun hand.)
Meester: “Zo jongens. Is iedereen klaar voor het schoolkamp?”
Kinderen: “Jaaa!!!”
Meester: “Goed zo. Niemand misselijk geworden in de bus?”
Kinderen: “Neee!!!”
Meester: “Hebben jullie allemaal je tassen in de slaapzalen gelegd?”
Kinderen: “Jaaa!!!”
Meester: “Goed zo. We gaan eerst de omgeving verkennen. Zijn jullie klaar voor de speurtocht?”
Kinderen: “Jaaa!!!”
Meester: “Goed zo. Een aantal van jullie heeft van mij een briefje gekregen met opdrachten. Het groepje dat de opdrachten het beste heeft gedaan krijgt een prijs. Begrepen?”
Kinderen: “Jaaa!!!”
Meester: “Dan gaan we nu beginnen. Een, twee, drie… Start!”
(De kinderen en Lukas stuiven snel een kant op. De meester blijft achter)
Meester: “Zo. Dat zal wel even duren. We hebben een leuke speurtocht uitgezet. Als de kinderen terug komen gaan we lekker eten met zijn allen. En daarna… gaan we liedjes zingen bij het kampvuur. Het is altijd zo gezellig tijdens ons schoolkamp!”

(Meester gaat af, terwijl hij een kampvuurliedje neuriet zoals ‘I am sailing’)

Scène 2:

(De kinderen en Lukas komen in hetzelfde tempo waarmee ze net zijn vertrokken weer op in de poppenkast.)
Kind: (Leest op het briefje)
“We moeten een paar opdrachten uitvoeren, jongens. We moeten natuurlijk de goede route vinden en op tijd weer bij het kamp zijn. Let op: Als we troep zien liggen, moeten we dat oprapen. Verder moeten we goed om ons heen kijken en opschrijven welke dieren we allemaal zien in het bos. Nou… dat lukt ons wel.”
Lukas: (Leest op zijn briefje)
“We moeten nu eerst rechts bij de dikke eik, het pad op lopen en voor het meertje naar links.”
Kinderen: “Jaaa! Kom op… we gaan!” (Iedereen stuift weg, maar deze keer rennen de kinderen ongemerkt een andere kant op dan Lukas.)

Scène 3:

(Lukas komt rennend op. Hij kijkt op zijn papiertje. Staat dan stil.)
Lukas: “Hier moet ergens de dikke eik staan. Jongens?”
(Hij merkt dat hij alleen is.)
Lukas: “Jongens! Deze kant op!”
(Lukas loopt naar de zijkanten van de poppenkast en roept de anderen)
Lukas: “Nou ja. Wat raar. Ze zijn de verkeerde kant op gelopen. Wat moet ik nou doen?”
(Lukas roept nog een paar keer. Gaat dan zitten)
Lukas: “Nou. Dat is me ook wat. Ben ik helemaal alleen.”
(Als kinderen in het publiek hierop reageren kan Lukas een gesprekje met ze aanknopen en laten weten dat hij blij is dat zij er zijn. Zo is hij toch niet helemaal alleen.)
Lukas: “Er zit maar een ding op. Ik moet de weg naar het kamp zien te vinden. Vanavond gaan we een kampvuur houden en daar wil ik natuurlijk op tijd bij zijn.”
(Hij kijkt nog eens naar zijn papiertje)
Lukas: “Ik moet op zoek gaan naar het meertje….”
(Lukas gaat af. De gordijntjes gaan even dicht.)

Scène 4:

(Als de gordijntjes open gaan ziet het publiek in de poppenkast een vosje zitten)
Vos: (Jammerend) “Oooh, ooh, wat nu. Hoe lang zit ik hier nu al?”
(Vos probeert duidelijk met zijn bek iets los te krijgen van zijn poot)
” Zo kom ik hier nooit meer weg. Straks vinden de mensen me nog en dan ben ik er geweest. Auw, auw, auw, mijn poot.”
(Vos springt op en neer in een poging om los te komen)
“Wat hoor ik daar? Ik hoor voetstappen. Daar zal je de jager hebben. Ik moet me zo plat mogelijk maken, dan ziet hij me misschien niet.”
(Vos verdwijnt uit het zicht, op een oortje na dat nog over de rand van de poppenkast steekt. Lukas komt op. Hij heeft geen briefje meer vast.)
Lukas: “Geen meertje te zien. Ik ben verdwaald. Ik heb geen idee waar ik ben. Nou ben ik het briefje ook nog kwijt geraakt….”
(Lukas gaat vlak bij het vosje zitten)
(Snift) “Zo kom ik nooit meer terug in het kamp. Zo mis ik het kampvuur vanavond. En vrijdag rijden ze met de bus weer naar huis… en dan zit ik nog hier. Midden in het bos. Helemaal alleen..”
(Begint te huilen) “Was ik maar nooit mee op kamp gegaan.”
(Het vosje komt langzaam maar zeker omhoog. Hij kijkt naar de huilende Lukas en begint hem te besnuffelen. Het duurt even voordat Lukas het merkt.)
Lukas: (Schrikt duidelijk) “Hè, wat is dat! Wie ben jij?”
Vos: “Ik ben de vos. Wie ben jij? Waarom maak je dat rare geluid?”
Lukas: “Ik ben Lukas. Ik maak geen raar geluid, ik ben aan het huilen. Ik ben namelijk verdwaald.”
Vos: “Ik zat ook te huilen. Ik zit namelijk vast. Kijk maar. Mijn poot zit in een touw vast. Het doet pijn.”
Lukas: (Bekijkt het pootje) “Hoe komt dat nou?”
Vos: “Er zijn nare mannen in het bos die proberen om konijnen te vangen. Ze willen konijn eten. Daarom zetten ze een strop en dan hopen ze dat de konijnen daarin vast komen te zitten. Ik ben in zo’n strop terecht gekomen met mijn poot en ik krijg hem niet meer los. Wil jij me helpen?”
Lukas:

(Bekijkt het touw nog eens en probeert de vos los te krijgen)
“Zo… dat zit heel erg strak zeg. Wacht… ik probeer het nog eens.”
(Lukas schuift uiteindelijk het touw van het pootje van de vos af)
Vos: “Ja! Ik ben los! Dankjewel! Je hebt mijn leven gered.”
Lukas: “Nou, nou… ik heb je alleen maar losgemaakt.”
Vos: “Wat kan ik doen om jou te helpen?”
Lukas: “Misschien weet jij de weg terug naar het kamp, vos. Ik ben met mijn klas op schoolkamp, maar ik ben iedereen kwijt geraakt tijdens de speurtocht. Ik had een briefje met de route erop, maar die ben ik nu ook kwijt geraakt!”
Vos: “Ik heb geen briefje nodig, hoor. Ik weet hier overal de weg. Wat is dat voor een kamp?”
Lukas: “Achter het meertje, dan bij de dikke eik linksaf, en daar staan allemaal huisjes met slaapzalen erin. ”
Vos: “Jaja… ik weet wel waar dat is. Kom, ik zal het je laten zien.”

(Vos en Lukas gaan af)

Scène 5:

(Vos en Lukas lopen door de poppenkast. Het publiek ziet ze twee of drie keer aan dezelfde kant opkomen en aan de andere kant afgaan. Ze zingen een lied als ‘de paden op, de lanen in’ of ‘ een potje met vet’ of een ander wandellied dat de kinderen ook kennen. Op zeker moment staan ze stil.)
Vos: (Wijst) “Kijk, Lukas. Zie je daar door de bomen die huisjes staan?”
Lukas: “Ja, dat zie ik.”
Vos: “Daar is je schoolkamp. Je hoeft nu alleen nog maar rechtdoor te lopen.”
Lukas: “Dankjewel lieve, lieve vos. Je hebt me enorm geholpen. Zonder jou was ik hier nooit terug gekomen.”
Vos: “Jij hebt mij geholpen, Lukas. Dat zal ik nooit vergeten. Mocht je me ooit nodig hebben, hoef je maar te roepen. Ga nu maar snel, voordat je weer verdwaalt!”

(Vos en Lukas knuffelen elkaar waarna Lukas wegloopt. Vos zwaait en gaat ook af.)

Scène 6:

(De meester komt met een paar takjes in zijn armen op)
Meester: “Nou… ik hoop dat ze binnenkort allemaal terug zijn, want dan kunnen we het kampvuur gaan bouwen. Ik heb al wat hout gesprokkeld.”
(Lukas komt op)
Meester: “Ha! Lukas! Je bent de eerste. Waar is de rest van je groepje?”
Lukas: “Oh, ik ben zo blij dat ik er ben, meester. De rest van mijn groepje ben ik kwijtgeraakt.”
Meester: “Kwijtgeraakt? Hoe kan dat nou?”
Lukas: “Dat weet ik ook niet precies, maar ik ben weer terug gebracht door een…”
(Lukas kan zijn zin niet afmaken, want op dat moment komen de andere kinderen op)
Kinderen: “Lukas! Daar ben je! We hebben ons gek gezocht. Je was ineens verdwenen!”
Lukas: “Jullie waren ineens verdwenen, zal je bedoelen! Het is een wonder dat ik weer terug ben in het kamp. Dat komt door een v…”
(Lukas kan weer zijn zin niet afmaken omdat de kinderen erdoor heen praten)
Kinderen: “We hebben de route helemaal gevolgd meester, maar er lag nergens troep en we hebben geen dieren gezien! ”
Meester: “Misschien hebben jullie dan toch teveel lawaai gemaakt, jongens. Als de dieren schrikken laten ze zich niet zien, natuurlijk.”
Lukas: “Ik heb wel dieren gezien, en ik heb troep opgeruimd. Kijk maar!”
(Lukas houdt het touw omhoog dat hij van het pootje van de vos heeft afgehaald)
Lukas: “Dit is een strop. Een konijnenstrop. Gemeen hè.”
Meester: “Dat is heel goed van je Lukas. Heel goed dat je dat hebt opgeruimd. Ik vind dat je alleen daarom al hebt gewonnen.”
Lukas: “Maar ik heb ook een vos gezien! Een echte vos, meester!”
Meester: “Jaja, nou… dat lijkt me een raar verhaal, Lukas. Vossen laten zich niet zo snel aan mensen zien…”
Lukas: “Ja, echt waar, de v…”
(De kinderen praten er weer doorheen)
Kinderen: “Meester… we hebben reuze honger. Gaan we nou eten?”
Meester: “Het eten staat al klaar, jongens. Kom maar snel mee. En daarna…”
Kinderen: “Een kampvuur!”
(Meester en kinderen gaan af. Lukas blijft nog even staan)
Lukas: “Ze geloven me niet. Nou ja. Ik weet dat ik een echte vriend aan dit schoolkamp overgehouden.”
(Roept naar het bos)
“Dag lieve vos!”
(Lukas af)

Tips

De poppen die in dit verhaal voorkomen, heeft niet iedereen in huis. Mocht u geen vos, maar wel een wolf hebben, dan kunt u het verhaal natuurlijk met de wolf spelen. Voor de kinderen kunt u drie of vier “neutrale” poppen gebruiken. De prinses en Jan Klaassen kunt u hier best tussen zetten, eventueel door over de kroon van de prinses een poppenmutsje te zetten. Er zijn steeds meer (web)winkels die mooie poppen verkopen in allerlei prijsklassen. Poppen van de merken Puppet Company, Tellatale, Folkmanis en van Trullala zijn mooi en voor dit verhaal goed bruikbaar. Als u googlet op deze merknamen vindt u vanzelf de Nederlandse webwinkels waar u de poppen kunt bestellen.
Natuurlijk kunt u ook zelf de poppen maken of werken met zelfgetekende vingerpoppetjes.

Omdat soms enkele poppen (de kinderen) tegelijk iets roepen is het handig om met twee personen in de poppenkast te zitten en dit verhaal te spelen. Het verhaal is eventueel door een persoon te spelen, maar dan moeten er verschillende stemmen vlak na elkaar klinken, in plaats van tegelijk. U moet in dat geval een paar verschillende stemmetjes oefenen waar u snel tussen kan wisselen.

Oefen voordat u gaat spelen met de briefjes en het stuk touw. Het is belangrijk dat de poppen zo natuurlijk mogelijk met hun rekwisieten omgaan en u erop kunt vertrouwen dat er niks mis gaat tijdens de voorstelling.

De kinderen roepen in het verhaal vaak “Jaaa!”. De kracht van de herhaling komt alleen goed naar voren, als ze dat steeds op dezelfde manier doen. U kunt er ook voor kiezen om “Jaaa!” te vervangen door andere kreten zoals “Jippie!” of “Leuk!”

Uitbreiding

U kunt het poppenkaststuk uitbreiden. In dat geval lukt het Lukas niet om het touw van de poot van de vos af te krijgen. Lukas krijgt aanwijzingen van de Vos over de juiste weg naar het huis van de boswachter. Samen met de boswachter lukt het om de vos te bevrijden. Uiteindelijk brengen de boswachter en de vos samen Lukas weer terug naar het schoolkamp.