We willen allemaal dat meer kinderen plezier krijgen in lezen en dat alle kinderen met een sterk tekstbegrip de wereld in stappen. Het is ook haalbaar: met plezier, een goed plan en de juiste teksten kunnen we grote stappen zetten.

Veel scholen zoeken naar een andere invulling voor begrijpend lezen. De redenen zijn alom bekend: de tegenvallende resultaten op de LOVS-toetsen begrijpend lezen, de alarmerende berichten over het geringe tekstbegrip van veel Nederlandse kinderen (PISA- en PIRLS-onderzoeken), het ontbreken van leesplezier bij veel kinderen en de positie van begrijpend lezen als minst populair vak, bij zowel kinderen als leerkrachten.

We leven in een digitaal tijdperk, informatie komt op zoveel manieren naar je toe. Je kunt je door een computer laten voorlezen en een uitlegfilmpje bekijken. Maar een kind met een haperend tekstbegrip zal ook een uitlegfilmpje maar half begrijpen. Tekstbegrip speelt een rol bij kijken en luisteren, bij het voeren van een gesprek, bij het kiezen wat je leuk vindt om te doen en al die andere momenten waarop je in aanraking komt met woorden en zinnen. Een kind dat niet van lezen houdt en het lezen van langere teksten probeert te vermijden, ontwikkelt onvoldoende begripsvaardigheid en ziet zijn kansen op een vrije ontplooiing behoorlijk verkleinen.

Wat heeft een kind nodig?

Sommige kinderen groeien op in een omgeving die rijk is aan gevarieerde teksten: er wordt dagelijks gelezen en voorgelezen, er zijn kranten en tijdschriften, er worden gesprekken gevoerd over onderwerpen waar iedereen even over moet nadenken. Ze kunnen vragen stellen en leren zo veel over de wereld om hen heen. Zo leren ze ook veel woorden.

Voor andere kinderen is de school de enige plek waar ze rijke taal tegenkomen, waar ze voorgelezen worden en in gesprek kunnen gaan over allerlei onderwerpen op allerlei niveaus. Op momenten dat ze niet naar school kunnen, missen ze – zoals tijdens de recente lockdowns bleek – deze taalinput. In dergelijke situaties ontbreekt het de kinderen aan kansen om hun woordenschat en hun ‘talige ervaring’ uit te breiden. Belangrijke kennis die nodig is om steeds complexere woorden en zinnen te begrijpen.

De scholensluiting heeft laten zien hoe groot de kansenongelijkheid binnen het onderwijs is. Omdat veel kinderen afhankelijk zijn van de school om zich talig te kunnen ontwikkelen, is het van belang dat het taalaanbod daar rijk is.

In de groepen 1-2 worden in het algemeen mooie gesprekken met kinderen gevoerd over aantrekkelijke, gelaagde prentenboeken. Zeker als de leerkracht een appèl doet op de hogere denkvaardigheden (de Higher Order Thinking Skills, de HOTS), zijn deze activiteiten zeer waardevol voor de ontwikkeling van tekstbegrip. Kinderen brengen al pratend het verhaal in verband met de wereld om hen heen en hun eigen positie daarin.

De teksten die in de groepen 3 en 4 aangeboden worden, zijn vaak bedoeld om door kinderen zelf gelezen te worden. Soms zijn die daardoor zo eenvoudig en ‘plat’, dat ze zich niet lenen om er diep over na te denken en er met elkaar over te redeneren. Het niveau waarop de kinderen in deze groepen nadenken over teksten ligt daardoor lager dan ze gewend waren in groep 1-2. Er wordt niet ingezet op de HOTS, maar op de LOTS (Lower Order Thinking Skills). De leesopdrachten zijn vaak controlerende vragen waar maar één goed antwoord op te geven valt. Kinderen worden zo onvoldoende uitgedaagd – we spreken daarom wel over een ‘denkdip’. Dus wat heeft een kind nodig? Rijke teksten en leerkrachten die er zichtbaar plezier aan beleven om samen met kinderen teksten te doorgronden.

Rijke teksten

Veel teksten die speciaal geschreven zijn voor onderwijsdoeleinden, zijn verarmd. Met de beste bedoelingen, en gericht op het direct begrijpelijk maken van een tekst, doen onderwijsauteurs soms ingrepen in bestaande teksten, of schrijven teksten ‘op kniehoogte’, aangepast aan het veronderstelde niveau van kinderen. Ook leerkrachten leggen onderwerpen soms uit op het niveau van de zwakste leerling. Hoe goed bedoeld ook, kinderen ontwikkelen zich het best in de zone van naaste ontwikkeling. Dus nét iets boven de actuele ontwikkeling en met het zicht op de nabije ontwikkeling. Er móeten woorden in voorkomen die nieuw zijn. Een rijke tekst is authentiek: hij kan overal vandaan komen, geeft informatie over iets belangrijks of interessants in de dagelijkse werkelijkheid of is bedoeld om plezier aan te beleven. Een rijke tekst heeft vaak meerdere lagen, die je pas ontdekt als je iets herleest en erover praat of denkt. In een rijke tekst staat er van alles tussen de regels, zijn er verbanden te leggen met de buitenwereld, met je eigen leven en met andere teksten. Tekstbegrip draait vooral om het vermogen wat je gelezen hebt aan te haken bij wat je al weet en er iets nieuws mee te creëren dat in die vorm alleen in jouw hoofd bestaat. Dat maakt tekstbegrip dus ook persoonlijk: er zijn altijd verschillen tussen de beelden die een tekst oproept bij de ene en bij de andere lezer, al lezen zij dezelfde tekst.

Een leerkracht die van lezen houdt

Boven alles heeft een kind een leerkracht nodig. Niemand leert begrijpend lezen uit een boek of van een app. Lezen leer je van een ervaren lezer. Leerkrachten zijn die ervaren lezers en ervaren denkers die ook nog eens hun plezier in taal en verhalen kunnen inzetten. En hun kennis van leesdidactiek.

Om de didactiek is veel te doen. In twintig jaar is er van alles langsgekomen en vaak is daar ook weer mee afgerekend. Zo is er veel kritiek op het begrijpend leesonderwijs dat de strategieën centraal stelt. Close reading is eigenlijk ook een strategie, een manier van herhaald lezen. Ervaren lezers zetten die vaak in: even teruglezen omdat je erachter komt dat je iets gemist hebt of omdat je iets beter wilt begrijpen. Het mag geen maniertje worden: almaar teruglezen en herlezen is saai. Het mag ook nooit een doel worden: zonder goede reden een tekst meerdere keren lezen levert groeiende weerzin op en geen diep tekstbegrip.

Sommige scholen kiezen voor een vrijere leesaanpak: laat kinderen lezen wat ze leuk vinden en dan komt het wel goed. Maar ook dat is niet de enige manier. Onervaren lezers hebben baat bij een helpende volwassene. Zeker als die volwassene kennis heeft van de leesdidactiek en zelf een enthousiaste lezer is.

Het begrijpen van een tekst is grotendeels afhankelijk van de woordenschat van de lezer. Er zijn belangrijke schooltaalwoorden die kinderen moeten kennen, en die komen grotendeels aan bod in de leergangen. Maar de meeste woorden leert een kind niet doordat ze in een rijtje in het boek staan, maar door er ‘toevallig’ mee in aanraking te komen. Doordat jíj ze gebruikt, doordat je laat zien wat je vanmorgen in de krant hebt gelezen, door een prachtig verhaal voor te lezen dat wat betreft tekst misschien pittig is, maar zó spannend dat kinderen het toch allemaal willen horen. Wees dus nooit bang voor ‘moeilijke’ woorden, vaak ben je de enige van wie een kind ze kan leren. Komt het woord ‘steppe’ voor in een tekst die je hebt uitgekozen, zoek dan een plaatje op van een steppe en laat dat zien terwijl je de tekst voorleest of laat voorlezen. Neem het woord op in je taalgebruik, praat er even over door, breng het woord tot leven. Hoe meer invalshoeken je gebruikt – een plaatje, een filmpje, een verhaal, een geur, een geluid – hoe meer mogelijkheden je kinderen geeft een woord te leren kennen en te onthouden.

Samen denken

Onderwijs in tekstbegrip start bij kleuters. Tijdens het voorlezen en samen prentenboeken bekijken en praten over wat jullie gelezen hebben, raken kinderen al heel jong bekend met tekststructuren. Je gaat in op woordbetekenissen en je gaat samen met de kinderen tussen de regels van het verhaal op zoek naar diepere lagen. Zo verdiep je het begrip van het verhaal en doe je een beroep op denkvaardigheden van een hogere orde. In groep 3 en 4 ga je daarmee door. Al lezen ze zelf op een lager niveau, de boeken die je voorleest geven de kinderen uitdaging op een veel hoger niveau. Doe dat samen, model en laat de kinderen toepassen wat je modelt. Vraag naar wat er níet staat: ‘Die vrouw is wel aardig, hè? Maar die man! Wat heeft de schrijver weggelaten? Waarom zou-ie dat zo gedaan hebben? Wat voor beeld van die man roept het op in jouw hoofd? Aan welke woorden en zinnen merk je dat?’

De toekomst van begrijpend lezen

Begrijpend lezen is geen vak, het is de basisvaardigheid van bijna alle vakken. De denkvaardigheden die je inzet bij begrijpend lezen, gebruik je bij alle cognitieve vakken en alle teksten. Je geeft betekenis aan combinaties van woorden. Die verbind je met wat je al weet, of je ontdekt dat je iets anders eerst moet uitzoeken voor je een tekst kunt begrijpen. Je leert denken aan de hand van de gedachten van anderen die hun gedachten op papier gezet hebben, of uitspreken.

Dat onderzoekend denken doe jij de hele dag al. Kinderen kunnen dat van jou leren, zich bewust worden van hun eigen denkvermogen en daar ongelooflijk veel plezier en profijt aan beleven. Doe het hardop voor, daag de kinderen uit hardop mee te denken. Gebruik de woorden die ze daarbij nodig hebben: desondanks, uiteindelijk, precies, waarschijnlijk. En al die andere woorden die nuance aanbrengen en verbanden verklappen.

Lezen en schrijven in samenhang

Lezen en schrijven zijn twee kanten van dezelfde gouden munt. Veel lezen helpt om een betere schrijver te worden, maar andersom werkt het ook: schrijven bevordert het lezen. En het denken, over verbanden, over de volgorde van wat je wilt vertellen en hoe je iets duidelijk kunt maken aan een ander.

Bied de taaldomeinen daarom in samenhang aan, bij voorkeur thematisch. Lezen en schrijven kunnen elkaar versterken als je dezelfde tekstsoorten en tekstkenmerken behandelt, rond een thema dat de nieuwsgierigheid opwekt. Kinderen stappen zowel in de rol van lezer als in die van schrijver. Zij hebben bij het schrijven van hun tekst een voorbeeldtekst die ze ‘close’ gaan lezen, zodat ze daar steun aan hebben bij het schrijven. Dit leidt tot een natuurlijke vorm van herhaald en verdiepend lezen, waarbij kinderen de kunst kunnen afkijken door de tekst van de ervaren schrijver te bestuderen. Zowel de lees- als de schrijfvaardigheid groeien hierdoor. Door er vervolgens over te praten wordt ook de mondelinge taalvaardigheid vergroot. Een win-win-win-situatie.

Bij deze zeer effectieve aanpak is begrijpend lezen geen apart vak meer, maar wordt leesvaardigheid, spreken-luisteren en het schrijven van teksten op heel natuurlijke wijze geïntegreerd.

Tot slot

Alle zaken die hierboven genoemd worden, wist je wellicht al uit je dagelijkse praktijk. Maar misschien ben je gewend om één methode strikt te volgen of je bent onzeker geworden door de negatieve pers over het leesonderwijs. Durf te vertrouwen op de kennis en vaardigheden die je als professional hebt opgebouwd. Verplaats je steeds in de kinderen, kijk en luister goed naar ze. Blijf professioneel nieuwsgierig. Op welke momenten leven ze op, zie je hun verwondering en leergierigheid? Op welk moment worden ze onrustig? Daar zitten de aanknopingspunten.

Tjalling Brouwer is taalleesspecialist, onderwijsadviseur en conceptauteur van enkele taal- en leesmethodes. Daarnaast is hij eigenaar van een dyslexiepraktijk en voorzitter van de Vereniging van Taalspecialisten.

Download het hele artikel