In een groep kunnen kinderen met het Downsyndroom soms problemen ervaren op het gebied van gedrag en omgangsvormen. Een sociaal klimaat, waarin kinderen zich veilig en gerespecteerd voelen, geeft – samen met het visueel maken van moeilijke situaties – deze kinderen de mogelijkheid om positief gedrag aan te leren.

Vraagstelling

Sociaal en praktisch

Steeds vaker volgen kinderen met het Downsyndroom het reguliere basisonderwijs. Dit gebeurt op grond van beslissingen, die voor het desbetreffende kind om sociale, cognitieve en andere moverende redenen genomen worden. Het is een stap, die ouders en school samen aangaan.
Maar ondanks alle goede zorgen en voorbereidingen kunnen er zich soms problemen voordoen op het gebied van omgangsvormen en gedrag bij het kind. Deze problemen kunnen zowel op het sociale vlak als op het praktische vlak liggen. Een voorbeeld uit de sociale hoek is: het wegduwen van kinderen, om langs die kinderen heen te kunnen gaan. En een praktisch voorbeeld is: de jas pakken en ermee gaan zwaaien, zodat anderen geraakt kunnen worden.

Oorzaken

De oorzaken van deze problemen kunnen verschillend zijn. Het kan om een situatie gaan, die voor het kind onverwacht is of te veel prikkels met zich meebrengt. Maar ook kunnen het situaties betreffen, waarin het kind niet weet hoe het adequaat moet handelen. Dit kan leiden tot impulsieve reacties, aangezien het kind niet weet hoe het moet reageren (of omdat het kind dingen niet kan verwoorden). Daarnaast kunnen er zich ook situaties voordoen, waarbij het kind wel degelijk in de gaten heeft wat er aan de hand is, maar bewust negatief gedrag vertoont, om aandacht te krijgen of om een bepaalde vorm van macht uit te oefenen.
De vraag is nu: op welke manier kan het probleem – dat zowel door het kind, als de leerkracht en de medeleerlingen wordt ervaren – zodanig worden begeleid, dat het probleem minder optreedt en er nieuw gedrag voor in de plaats komt?

Sociaal klimaat

Positieve sfeer

Een belangrijke factor is het sociale klimaat, waarin het kind zich beweegt. Een kind met het Downsyndroom voelt zich gerespecteerd en veilig in een school, die een positieve sfeer uitstraalt.
Dit speelde bij Puck, een achtjarig meisje met het Downsyndroom, dat bij aanvang van groep 3 naar een andere basisschool ging. Deze school, het hele team, straalde een uitnodigende, warme sfeer uit, waarbij omgang met alle leerlingen centraal stond. Puck voelde de sfeer aan, leerde contacten te leggen en begon meer oogcontact te maken. Het omgaan met andere leerlingen blijft voor haar een leerproces. Maar de omgeving gaf (en geeft) haar het gevoel erbij te horen. En dat bevorderde in korte tijd een sterke groei.

Elkaar leren kennen

Naast de positieve sfeer is het leren kennen van elkaar belangrijk. Bij jongste kleuters en bij leerlingen die nog nooit in contact zijn gekomen met kinderen met het Downsyndroom is een vorm van angst, een vorm van onmacht waar te nemen. Angst voor het onbekende. Angst voor iemand, die (soms) anders reageert dan ze zelf doen. En onmacht over de manier van omgaan met deze kinderen.
Ook dit speelde bij Puck. Puck voelde de angst van de kleuters aan en kon daar op een minder positieve manier op inspelen. Het voorbereiden van de groep en het beantwoorden van vragen bevorderden het leren kennen van elkaar en leidde tot acceptatie en respect. Het samenwerken (onder begeleiding) van deze kinderen met Puck verrichtte wonderen. Kleuters gingen bepaalde uitingen zien als uitingen, die nu eenmaal bij Puck hoorden. Ze leerden haar kennen. En de angst en de onmacht verdwenen. Puck voelde de acceptatie aan. En het gevolg was, dat ze zelf op een positieve manier contact ging zoeken met de kinderen.

Hulpmiddel

Ondanks een positief sociaal klimaat kunnen er zich tóch nog problemen voordoen, die om extra begeleiding vragen. Door een gesprek aan te gaan of door een sociale vaardigheidstraining aan te bieden, kunnen bij veel basisschoolleerlingen moeilijke situaties verhelderd worden en kan de leerling zijn/haar gedrag hierop aanpassen.
Maar als kinderen met het Downsyndroom in nieuwe (of moeilijke) situaties terechtkomen, is bovenstaande werkwijze vaak niet voldoende. Aangezien kinderen met het Downsyndroom sterk visueel ingesteld zijn, is een hulpmiddel ontwikkeld, waarbij door middel van boekjes nieuw gedrag aangeleerd wordt.

Nieuw gedrag aanleren

Boekjes

Het uitgangspunt van de boekjes is: het visueel maken van een situatie, die voor het kind moeilijk hanteerbaar is. Door aanbieding in verhaalvorm kan het kind leren de gebeurtenis te overzien. Positief gedrag wordt aangereikt, dat bekrachtigd wordt door beloning en blijdschap om dat gedrag. Het ongewenste gedrag wordt kort vermeld, alsmede de gevolgen, die dat ongewenste gedrag voor anderen heeft.
Inoefenen geschiedt aan de hand van vertellen en herhalen, rollenspel en toepassen (aanvankelijk mét hulp, maar geleidelijk aan zónder hulp). Transfer vindt daarna plaats door het toepassen van de nieuwe vaardigheid in vergelijkbare situaties.

Een voorbeeld: Puck

• Inzicht krijgen
Voor het maken van de boekjes is het belangrijk om inzicht te krijgen in de situatie, die visueel gemaakt gaat worden. Vaak wordt het moment gezien, dat verandering nodig heeft. En daarop wordt dan door leerkracht, begeleider of ouder gereageerd, door aan te geven wat hij/zij van het kind verwacht.
Een probleem, dat zich bij Puck voordeed, was: het halen van de jas in de drukte van de gang. Puck duwde kinderen weg en zwaaide met haar jas, waardoor andere kinderen geraakt werden. Omdat dit regelmatig plaatsvond, begonnen de andere kinderen geïrriteerd te raken. De oplossingen die de leerkracht uitprobeerde, waren niet doelmatig.

• Van analyse tot automatisme
Door de situatie te analyseren, bemerkten we, dat Puck te veel prikkels kreeg en te weinig bewegingsruimte had. Door middel van tekening en tekst is de situatie toen in verhaalvorm aangeboden. Het verhaal start met de situatie, dat een kind op school is en dat zijn/haar jas gehaald moet worden. Omdat de leerkracht zelf gebruik maakte van het liedje Met het jasje op de arm, tiereliere… is dit liedje ook in het boekje verwerkt.
Puck vond het boekje prachtig. Regelmatig is het verhaal voorgelezen, uitgebreid en ingeoefend. Op een gegeven moment was het boekje niet meer nodig, maar Puck verwachtte wél dat de leerkracht het liedje zong. Dan haalde ze de jas, legde die op haar arm en kwam daarna rustig de klas binnen. Ook het zingen van het liedje is ten slotte afgebouwd, omdat de handeling van “het halen van de jas” geautomatiseerd was.

Opzet en beschrijving

• Hoofdpersoon (of hoofdpersonen)
Voor Puck zijn meerdere boekjes gemaakt. De keuze bij haar was, om als hoofdpersonen een jongen én een meisje te kiezen, die aansloten bij de sociale vaardigheidstraining die op school aanwezig was. Maar een andere mogelijkheid is, om het kind zélf als hoofdpersoon te nemen en vanuit dat kind de situatie te beschrijven. Hierbij kan – naast tekeningen – ook gebruik worden gemaakt van foto’s van het kind én van de situatie, die bespreekbaar gemaakt gaat worden.

• Opbouw
De boekjes hebben een opbouw met betrekking tot de achtergrondideeën aangaande het aanleren van nieuw gedrag, belonen en emoties. Hierdoor zijn ze overzichtelijk en gestructureerd voor het kind.
– Het eerste boekje is een kennismaking met de hoofdpersoon (of hoofdpersonen): het kind zelf óf een jongen en een meisje, die aansluiten bij de leeftijd van het kind.
– Het tweede boekje bespreekt de meest voorkomende emoties. Hierdoor leert het kind in te zien, dat door het verrichten van een bepaalde handeling het kind zelf en/of anderen blijdschap, boosheid, angst of verdriet kunnen ervaren.
– De introductie van de hoofdpersoon (of hoofdpersonen) en de bespreking van de emoties vormen samen de basis, om de situatie die verandering behoeft verder bespreekbaar te maken.
– Elk vervolgboekje behandelt vervolgens een probleem (of omgangsvorm) en biedt een vorm van positief gedrag aan.
– Als een school in het bezit is van een sociale vaardigheidstraining, waarbij poppen behoren, dan kunnen die poppen worden gebruikt bij het aanbieden van de boekjes. Als er geen poppen aanwezig zijn, is het aanbevelenswaardig om twee zachte poppen (een meisje en een jongen) aan te schaffen. Met behulp van de poppen kan het boekje dan worden nagespeeld. En het kind kan de poppen vasthouden tijdens het lezen.

Wijze van aanbieden

Het aanbieden van een boekje gebeurt in een een-op-eensituatie. Werkwijze:
– De voorkant van het boekje geeft het onderwerp weer. Dat onderwerp wordt geïntroduceerd bij het kind.
– De tekeningen in het boekje zijn “ondertiteld” met korte tekstjes. De begeleider kan aan de hand van die “ondertiteling” de tekst van het verhaal bedenken en ook verder uitbreiden, waardoor het verhaal aantrekkelijker wordt. Ook bestaat de mogelijkheid het verhaal aan te passen aan de situatie, die begeleiding nodig heeft. Belangrijk is om steeds de aandacht te vestigen op de tekst, waardoor de kern van de betreffende pagina benadrukt wordt.
– Tijdens het voorlezen zijn de emoties erg belangrijk. Het laten tonen van emoties geeft een meerwaarde aan de verwerking en de verdieping van het nieuw aan te leren gedrag.
– Na het boekje gelezen en besproken te hebben, vindt het kind het interessant om het boekje ook zélf te lezen. Door het lezen, het verwoorden en het beleven van het verhaal onthoudt het kind de bedoeling van het boekje en kan het de tekst in de vorm van innerlijke spraak gaan gebruiken. Het is de taak van de begeleider om het kind in dit proces te helpen, door steeds de kern duidelijk weer te geven.
– Inoefenen gebeurt door het verhaal na te spelen (met de poppen) én in een rollenspel met andere kinderen.
– Tot slot is er dan het toepassen van de nieuwe vaardigheid in vergelijkbare situaties.

Rode en groene pagina’s

• Nieuw gedrag tegenover oud gedrag
Alle boekjes zijn voorzien van een groene pagina en een rode pagina. De groene pagina’s stellen het nieuwe gedrag voor en de rode pagina’s het gedrag, dat veranderd moet worden. Een voorbeeld van een rode pagina:

27-06-01-01
En een voorbeeld van een groene pagina:

27-06-01-02
• Volgende stap
Wanneer de begeleider merkt dat het kind de inhoud van het boekje begrijpt, is de volgende stap: het verwijderen van de rode pagina en de aandacht vestigen op het nieuwe gedrag van de groene pagina. Bij terugval – waarbij volledige herhaling noodzakelijk is – kan de rode pagina weer aan het boekje worden toegevoegd. Het is belangrijk om het positieve gedrag te laten zien en in te laten prenten en het gedrag dat uitgedoofd moet worden niet steeds in beeld te brengen.

Belonen en emoties

Aan het eind van het boekje bevinden zich de pagina’s, die het nieuwe gedrag belonen. Dat gebeurt in de vorm van een compliment (“Goed gedaan!”) én de blijdschap hierover (bijvoorbeeld: “Rick en Maya zijn blij!”).

Afbouwen

Door herhaling van de boekjes maakt het kind zich het positieve gedrag eigen. Wanneer het kind steeds meer het nieuwe gedrag vertoont, kan er afgebouwd gaan worden. Soms is het tonen van de groene pagina (met daarop het positieve gedrag) al genoeg om het kind nog even te attenderen op wat gewenst is.

Vormgeving

Wanneer er meerdere situaties in verhaalvorm gevisualiseerd worden, is het aanbevelenswaardig om voor een uniforme vormgeving te zorgen. Aandachtspunten bij die vormgeving:
– Voor Puck zijn er verschillende boekjes gemaakt, die bestaan uit een aantal pagina’s (op A6-formaat).
– De pagina’s zijn geplastificeerd, waardoor Puck ook zelfstandig met de boekjes kan werken.
– Door middel van ringetjes worden de pagina’s verbonden tot een boekje, waardoor het altijd mogelijk is om pagina’s toe te voegen of te verwijderen.
– De boekjes zijn allemaal in dezelfde kleur samengesteld, om duidelijk te maken dat de boekjes met de verschillende onderwerpen bij elkaar horen.
– Een boekje behandelt één onderwerp.
– Elke pagina bevat een deel van de totale tekst en is voorzien van een eenvoudige, maar duidelijke tekening.
– Ook de tekst (uitgevoerd in een groot lettertype) is eenvoudig van opzet, zodat de boekjes zelfstandig gelezen of verwoord kunnen worden.
– De woorden worden van elkaar gescheiden door meerdere spaties, zodat er ruimte ontstaat om eventueel de woorden aan te wijzen.
– Ook de groene en de rode pagina’s zijn op dezelfde wijze vormgegeven.

Conclusie

Puck reageert positief op de boekjes. Ze probeert het verhaal te vertellen en te lezen, waarbij mimiek en emoties niet ontbreken. De jas wordt zonder problemen aangetrokken. En ze vraagt andere kinderen of ze mee mag spelen.
Onderwerpen, die zich heel goed lenen om in een boekje te verwerken, zijn:
– leren om samen te spelen;
– vragen om te mogen passeren;
– aangeven dat je wilt stoppen met een bepaalde activiteit.
Een positief sociaal klimaat op school én in de groep is heel belangrijk, is gesteld in dit artikel. Maar kinderen met het Downsyndroom hebben ook heel veel baat bij het werken met boekjes, die nieuw gedrag of andere omgangsvormen aanleren. Het visueel maken van de probleemsituatie biedt de mogelijkheid om verschillende keren in verhaalvorm het nieuwe gedrag te bespreken en in te oefenen. Ouders, begeleiders en leerkrachten kunnen hun creativiteit gebruiken om het verhaal uit te breiden of aan te passen aan het kind. Herhaling blijft mogelijk, waardoor nieuw gedrag geautomatiseerd wordt.

Veel succes!

Meer informatie

Wilt u meer informatie over het onderwerp van dit artikel, de werkwijze en de boekjes? Stuur dan een e-mail naar de auteur van dit artikel: cmgeerts@home.nl.