Voor een betrouwbare toetsafname dienen de condities, waaronder toetsen afgenomen kunnen worden, voor alle leerlingen zo veel mogelijk gelijk te zijn. Alleen dan kunt u de resultaten van leerlingen met elkaar en met de normgroep vergelijken. Aanpassingen zijn soms wenselijk en mogelijk. Daarover gaat dit artikel.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding.

Twee toetsvoorbeelden

Zoek de eerste zin.
a Daar gaat hij iedere week naartoe.
b Maar vandaag gaat hij niet.
c Mijn broer zit op judo.
d Want hij heeft hoge koorts.

Jonas zit op een SBO-school en maakt de toets Begrijpend lezen. Deze vraag is makkelijk, denkt hij. Overtuigd vult hij antwoord a in op zijn antwoordblad.

Hoeveel kilometer?
Oom Frits rijdt van Dudam naar Stopwijk en weer terug.
Hoeveel kilometer rijdt hij in totaal?

Jerry heeft PDD-NOS en zit op een reguliere basisschool. Hij maakt de toets Rekenen & wiskunde. Hij is goed in rekenen en schrijft vlot het antwoord op de vraag op: 196.

Niet eerlijk

Bij zowel Jonas als Jerry zal de leerkracht het antwoord fout rekenen. Maar is dat wel zo eerlijk?
– Jonas interpreteert de opdracht letterlijk. De eerste zin is de zin, die hij het eerst tegenkomt. En dat is de zin bij antwoord a.
– Jerry ziet dat de auto precies in het midden tussen Dudam en Stopwijk rijdt. De hele weg van Dudam naar Stopwijk is dus niet 49 km, maar 2 x 49 km = 98 km. Oom Frits rijdt dus in totaal 4 x 49 km = 196 km.

VERKEERDE METINGEN
Uit de voorgaande toetsvoorbeelden blijkt, dat sommige leerlingen opgaven anders interpreteren dan de makers van de opgaven bedoelen. Zeker leerlingen met een autisme spectrum stoornis (ASS) vatten opgaven dikwijls anders op dan de meeste andere leerlingen. Bij deze leerlingen meet de opgave dan niet wat we wíllen meten:
– Als we Jonas de vraag voorleggen: met welke zin begint het verhaaltje?, dan vult hij antwoord C (het juiste antwoord) in. Met de vraag uit het voorbeeld meten we dus geen begrijpend lezen. Maar we meten of hij de opdracht kan vertalen naar de boodschap, die de meeste kinderen uit de tekst Zoek de eerste zin kunnen halen!
– Jerry is een goede rekenaar. De opgave 4 x 49 rekent hij vlot uit. Hij laat zich alleen in de war brengen door de afbeelding. Bij Jerry meten we in dit geval niet of hij kan rekenen. Maar we meten of hij het plaatje net zo opvat als andere kinderen!

Wat willen we meten?

Een toets moet meten wat we wíllen meten. Een toets Spelling moet spelling meten en dus niet (bijvoorbeeld) concentratie. Een toets Woordenschat moet woordenschat meten en dus niet (bijvoorbeeld) of leerlingen zich laten afleiden door details in illustraties. Een toets Rekenen moet rekenen meten en dus niet (bijvoorbeeld) of leerlingen de getallen wel in de tekening kunnen vinden.
Afhankelijk van specifieke behoeften van leerlingen kan een opgave soms iets totaal anders meten dan bedoeld is. In het vervolg van dit artikel komen enkele veelvoorkomende stoornissen aan bod, met daarbij vragen, die voor de kinderen met die stoornissen problemen kunnen opleveren. Ook wordt bij elke stoornis beschreven op welke wijze opgaven aangepast kunnen worden, zodat de opgaven wél het toetsdoel meten.
Aan het eind van het artikel staat beschreven welke aanpassingen u als leerkracht zélf kunt en mag doen.

Stoornis, probleem en aanpassing

leerlingen met autisme

Vragen letterlijke opnemen

Leerlingen met een autisme spectrum stoornis (ASS) nemen vragen vaak letterlijk. Bij begrijpend lezen hebben de leerlingen bijvoorbeeld moeite met de «husselverhaaltjes», waarbij gevraagd wordt naar de eerste zin. Door de vraagstelling aan te passen, kunnen veel leerlingen de vragen echter tóch goed maken.

Doolhofspel

Bij dit spelletje moet op elk vakje op het speelbord een kaartje gelegd worden.
Hoeveel kaartjes zijn dan nodig?

Bij rekenen vragen opgaven met plaatjes om extra aandacht. In het voorbeeld van het doolhofspel waren er leerlingen met autisme, die het kaartje met de spelregels gingen opmeten (met een liniaal) en vervolgens bekeken hoe vaak dit specifieke kaartje op het speelbord paste.

5fb783f6-54c2-4387-9a92-7ecff6f443e6_metenWatWe2

FICTIE
De genoemde voorbeelden maken duidelijk, dat opgaven voor leerlingen met autisme soms aangepast moeten worden. Maar niet in alle gevallen zijn aanpassingen mogelijk. In sommige gevallen hebben de leerlingen namelijk moeite met een bepaald vraagtype, dat duidelijk bij het betreffende vakgebied hoort. Zo hebben de leerlingen vaak moeite met fictieverhalen.

…………………………….. (1)

Kind Banaan ligt in bed.
Mama Banaan kijkt … (2).
‘Gijs, je ligt niet goed,’ zegt ze.
‘Zorg dat je recht ligt!’

Wat past het best op plaats 1?
a De banaan die niet goed keek
b De banaan die niet goed lag
c De banaan die niet goed luisterde
d De banaan die niet goed oplette

In het voorbeeld van de banaan raken nogal wat leerlingen met autisme van slag en kunnen daardoor lastig de draad van de toets weer oppakken. De vaardigheid begrijpend lezen bestaat echter uit zowel het begrijpen van non-fictieteksten als het begrijpen van fictieteksten. In de toets is het daarom belangrijk dat er tóch fantasieverhalen in voorkomen.

Leerlingen met adhd

SNEL AFGELEID EN IMPULSIEF
Het grootste probleem voor leerlingen met ADHD is het vasthouden van de aandacht gedurende de hele toets. Wanneer ze langere tijd achter elkaar opgaven moeten maken, kan de aandacht afdwalen. De toets is voor veel van deze leerlingen dus te lang. Ook kunnen plaatjes, die bedoeld zijn als ondersteuning, voor deze leerlingen juist afleidend werken. Zeker wanneer een plaatje (irrelevante) details bevat, kan de aandacht van de leerling afdwalen. Leerlingen met ADHD reageren daarnaast dikwijls impulsief.

Spellingopgave
Jullie daar achterin, ga eens rechtop zitten!
Schrijf op: rechtop.

VRAAGSTELLING AANPASSEN
Bij deze spellingopgave vergeten de leerlingen vaak het goede antwoord op te schrijven. In plaats daarvan reageren ze op deze opdracht door rechtop te gaan zitten. Ook bij spellingopgaven, die als vraag zijn geformuleerd, gaat het dikwijls mis. In plaats van het gevraagde woord schrijven de leerlingen dan het antwoord op de vraag op.
Dergelijke fouten zijn eenvoudig te voorkomen door de vraagstelling te veranderen. In het genoemde geval kan de tekst dan (bijvoorbeeld) gewijzigd worden in:

Spellingopgave
De kleuters zitten rechtop.
Schrijf op: rechtop.

Slechtziende leerlingen

TIJDSPROBLEEM
Slechtziende leerlingen zijn bij de toets vaak onevenredig veel tijd kwijt met het lezen van de opgaven en het vinden van de juiste informatie. Zoals in het voorbeeld Welk huisnummer? hiernaast.

Welk huisnummer?
Welk huisnummer heeft het huis, waar de pijl naar wijst?
Dat huis heeft nummer: ……..

60c5c93f-932a-4d04-b8fc-6a25da38459b_metenWatWe3
TWEE MOEILIJKHEDEN
In dit voorbeeld uit de toets Rekenen & wiskunde gaat het om het kennen van de getallenlijn. Voor een slechtziende leerling zitten in de tekening echter vooral moeilijkheden. En dat zijn er in dit geval twee:
– het kunnen vinden van de pijl;
– en het kunnen lezen van de huisnummers.

Voetbal

Lars speelt met Tom.
Tom schopt de bal.
Hij rolt in het doel.
– ‘Hoera!’ roept Tom.

5d2109ed-d6ab-4ab3-b4df-3f72dae418bd_metenWatWe4
Lees de zin met de stip ervoor.
Daar staat: ‘Hoera!’ roept Tom.

Hoe voelt Tom zich hier?
a Blij.
b Boos.
c Naar.
d Ziek.

OPLOSSINGEN
In het voorbeeld Voetbal uit de toets Begrijpend lezen (zie hiernaast) zal een slechtziende leerling relatief veel tijd kwijt zijn met het vinden van de stip, waar de vraag naar verwijst. Voor slechtziende leerlingen bieden vergrotingen dikwijls een uitkomst. Ook vragen deze kinderen om «strakke» plaatjes en – met name bij begrijpend lezen – om een overzichtelijke lay-out.
Nota bene. Voor leerlingen met autisme kan deze opgave overigens óók problemen opleveren, omdat gevraagd wordt naar een gevoel. Omdat het kunnen herkennen van gevoelens in een tekst een vaardigheid is, die bij begrijpend lezen hoort, is weglaten van deze opgaven voor leerlingen met autisme geen optie. Die opgaven zijn nodig, zodat de leerkracht in staat is om zich een goed beeld te kunnen vormen van de vaardigheid begrijpend lezen als totaal.

Leerlingen met dyslexie

Leerlingen met dyslexie hebben veelal baat bij dezelfde type aanpassingen als slechtziende leerlingen. Een vergrote versie en duidelijkere plaatjes zijn voor deze leerlingen eveneens een verbetering.
Daarnaast zijn veel leerlingen geholpen met audio-ondersteuning in de toetsen. In digitale Cito-toetsen (zowel de reguliere versies als de SBO- en SO-versies voor Speciaal Basisonderwijs en Speciaal Onderwijs) is hier rekening mee gehouden. In het vervolg van dit artikel gaan we hier verder op in.

Welke aanpassingen komen eraan?

SPECIALE TOETSEN
Elke leerling heeft zijn/haar eigen behoeften. Elke leerling vraagt dus weer om eigen aanpassingen. Bij het maken van toetsen wordt rekening gehouden met het grootste deel van de leerlingen. Leerlingen met specifieke behoeften – zoals leerlingen met autisme, ADHD of dyslexie of slechtziende leerlingen – zijn daardoor soms in het nadeel.
Toetsen kunt u niet zomaar aanpassen. De normering is dan immers niet meer geldig. Daarom zijn momenteel speciale toetsen voor leerlingen in het SBO en het SO in ontwikkeling. Deze toetsen kunnen ook ingezet worden voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften in het reguliere onderwijs. In deze toetsen wordt – waar mogelijk – rekening gehouden met (bijvoorbeeld) leerlingen met autisme of slechtziende leerlingen.

FOCUS OP GROEI
Voor de ontwikkeling van de toetsen is gebruikgemaakt van opgaven uit de vernieuwde LVS-toetsen (bestemd voor het reguliere basisonderwijs) en van nieuw geconstrueerde opgaven. De uitgave bevat de volgende inhoudsgebieden: begrijpend lezen, rekenen & wiskunde en spelling.
De meettechniek, die voor de ontwikkeling van afgestemde toetsen voor SO en SBO is gebruikt, maakt het mogelijk om de resultaten van leerlingen die verschillende toetsen voor een leergebied hebben gemaakt, met elkaar te vergelijken. Zo ligt de focus niet op achterstand, maar juist op groei van individuele leerlingen.
Door een speciale meettechniek is ook een vergelijking met het reguliere basisonderwijs mogelijk. Daarvoor worden de toetsscores (het aantal goed gemaakte opgaven) op de verschillende toetsen voor dezelfde vaardigheid omgezet naar eenzelfde vaardigheidsschaal.

TOETSEIGENSCHAPPEN
Onderzoek en verschillende proeftoetsingen laten zien, dat leerlingen met extra onderwijsbehoeften om de volgende drie toetseigenschappen vragen:
1 Toetsen op maat
Een van de belangrijkste aanpassingen voor het SBO en het SO – én voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften in het reguliere basisonderwijs – is, dat de toetsen niveauadequaat kunnen worden afgenomen. Op basis van het (ingeschatte) functioneringsniveau van een leerling kiest u de toets, die bij die leerling past. Een te moeilijke of te makkelijke toets afnemen is dus niet nodig en zelfs niet wenselijk.
Speciaal daarvoor komen er toetsen, die qua moeilijkheid tussen de huidige toetsen in zitten. Deze toetsen kunt u gebruiken voor leerlingen, die minder snel door de leerstof heen gaan. Als een leerling (bijvoorbeeld) qua functioneringsniveau tussen M4 en E4 in zit, dan legt u de leerling de M4/E4-toets voor. Deze toets zit qua moeilijkheid tussen de M4- en E4-toets in. Op die manier kunt u nóg beter dan voorheen op maat toetsen!
2 Andere opbouw
Door opgaventypes geclusterd aan te bieden, is de leerling geen kostbare tijd en aandacht kwijt aan het schakelen tussen verschillende soorten opgaven. Daarom komen in de toetsen bijvoorbeeld eerst alle meerkeuzevragen aan de orde en pas daarna alle open opgaven. Voordat een leerling aan een nieuw type opgave begint, kunt u hierdoor gemakkelijk uitleggen wat er van de leerling verwacht wordt.
3 Andere samenstelling
In verband met een vaak wat lagere concentratieboog van leerlingen met extra onderwijsbehoeften zijn kortere taken (minder opgaven in één taak) in de toets wenselijk. Hierdoor bestaan sommige toetsen uit méér taken, maar zijn die taken dus korter. Tevens kunnen bij de samenstelling van toetsen bepaalde opgaventypen niet opgenomen worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan open vragen bij rekenen, waarbij de leerling meerdere antwoorden bij één vraag moet invullen.

Welke aanpassingen kunt u zelf doen?

Hieronder volgen enkele aanpassingen die u zélf mag doen, waarbij u de toetsresultaten nog steeds eerlijk kunt interpreteren.

TOETSPAUZE
Voor alle toetsen geldt, dat we de vaardigheid willen meten. En niet (bijvoorbeeld) het concentratievermogen van een leerling. Dit betekent, dat u een pauze voor een leerling kunt inlassen, als die betreffende leerling onvoldoende aandacht heeft, om alle opgaven achter elkaar te kunnen maken. U kunt in dit geval bijvoorbeeld een taak in twee delen aanbieden.
Uitzondering hierop vormen de toetsen met een tijdsfactor. Voorbeelden hiervan zijn: de DMT (Drie-Minuten-Toets), de AVI-toets (Analyse van Individualiseringsvormen) en de toets Leestempo. Bij deze toetsen vormt de tijd de basis voor de normering. Dus de tijd mag bij deze toetsen niet verlengd worden. De toetsen met een tijdsfactor mag u dus niet in stukken opdelen!

TOETSVERGROTING
Leerlingen met dyslexie en slechtziende leerlingen hebben vaak moeite om de letters van een toets te lezen. Voor deze leerlingen kan een vergroting een oplossing zijn. U mag alle toetsen op A3-formaat kopiëren!

TOETS VOORLEZEN
Bij sommige toetsen mag u de opgaven voorlezen. Zo wilt u (bijvoorbeeld) met de toets Rekenen & wiskunde geen leesvaardigheid meten, maar rekenvaardigheid. Deze toets bevat opgaven in een context, omdat het kunnen toepassen van rekenvaardigheden in reële situaties een belangrijk onderdeel van rekenen is. Wanneer de leesvaardigheid van de leerling onvoldoende is om de context te begrijpen, dan mag u de rekenopgaven dus voorlezen!
Nóg beter is het, om de leerling de toets digitaal te laten maken, zodat hij/zij de toets kan laten voorlezen door de computer. Zo voorkomt u, dat u door intonatie van uw stem een deel van de antwoorden aan de leerling weggeeft.
Let op! Het voorlezen van de toets Begrijpend lezen is niet toegestaan! Als u deze toets voorleest, dan meet u namelijk geen begrijpend lezen, maar begrijpend luisteren!
Nota bene. De opgaven uit de toets Begrijpend lezen zijn minder geschikt om de luistervaardigheid van een leerling in kaart te brengen. Om hier informatie over te verzamelen, kunt u de toets Begrijpend luisteren afnemen.

Meet wat u wilt meten!

Omdat een toets zorgvuldig wordt samengesteld, kunt u als leerkracht niet zomaar aanpassingen doen. Daarom zijn er volop ontwikkelingen, om voor speciale leerlingen aangepaste toetsen te ontwikkelen en uit te testen in de praktijk. Bij het doen van aanpassingen is altijd de hoofdvraag: wat wil ik meten met deze toets?
U kijkt allereerst of de toets óók bij leerlingen met specifieke behoeften meet wat de toets beoogt te meten! Want als u bijvoorbeeld helder voor ogen hebt wat een rekentoets moet meten, dan ziet u ook vlot, dat voor een slechtziende leerling de moeilijkheid van een opgave niet in het rekenen zit, maar in de visuele waarneming. (Dat is bijvoorbeeld het geval, als de slechtziende leerling getallen in een afbeelding moet zoeken.)
Bovendien kunt u de vraag ‘Wat wil ik meten?’ ook gebruiken, als u een aanpassing in de toets(condities) overweegt. Als u bijvoorbeeld besluit om begrijpend lezen te gaan meten, dan wordt het zó duidelijk, dat deze toets niet voorgelezen kan worden, omdat u dan niets meer kunt zeggen over de leesvaardigheid van de leerlingen!

Tot slot

Bedenk dus vóór elke toetsafname: wat wil ik meten? En ook: meet de toets wat ik wíl meten? Met deze vragen in uw achterhoofd krijgt u de informatie, die nodig is om het onderwijsaanbod af te kunnen stemmen op het niveau van de leerling. En… elke leerling krijgt een eerlijke kans, om te laten zien wat hij/zij kan! En dat is nóg belangrijker!

Veel succes!

Meer informatie
Meer informatie over het onderwerp van dit artikel vindt u op sbo.cito.nl.