Praktisch maandblad voor primair onderwijs
Home Groep 5-6 Kleuren met je stem

Kleuren met je stem

Tekst, notering, mp's en lessuggesties

937
Hier treft u de tekst, het notenschrift, de melodie en de karaoke en de lessuggesties aan.

Kleuren met je stem

Rood kan je zien, dat zijn mijn lippen.
Rood is een druppeltje van bloed.
Rood van de paddenstoel met stippen.
Zingen is het fijnste dat je doet!

Blauw is de lucht achter de wolken.
Blauw zie je onder aan de vlag.
Blauw is de zee, waar golven kolken.
Zingen is het fijnste van de dag!

Geel zijn narcissen in het voorjaar.
Geel is mijn plas in de wc.
Geel is van goud en o zo kostbaar.
Zingen, hoi! En iedereen doet mee!

Zwart-wit, dat zie je in je ogen.
Kijk maar eens goed bij haar, bij hem.
En weet je, dit is ongelogen:
zingen, dat is kleuren met je stem!

De liedjes beluisteren en downloaden

Hierboven staan de liedjesbestanden. Als u ze aanklikt, opent op uw computer een programma om ze af te spelen. Hebt u dit niet, dan kunt u de liedjes uiteraard wel gewoon opslaan.

Liednotering

435cf7fb-0845-4474-9675-e7ae7ee5fd5c_0000006835_2802-notenschrift

Lessuggesties

U treft achtereenvolgens de volgende lessuggesties aan:
• Instrumenten bij het liedje
• De kleurendans
• De kleuren van de regenboog zingen
• Tekenen
• Een nieuwe kleur maken
• De “wie wat waaropera” (drama)

Instrumenten bij het liedje

Doel: de kinderen kunnen de instrumentale begeleiding bij Kleuren met je stem uitvoeren.
Materiaal: handtrom(-men) en claves, triangel(s), schellenraam. Eventueel geluidsinstallatie en mp3 van het liedje.
Voorbereiding: verzamel de instrumenten.
Plaats: in de klas.
Tijd: 30 minuten.

VERLOOP VAN DE ACTIVITEIT
Nadat u de kinderen het lied Kleuren met je stem heeft aangeleerd kunt u de instrumentale begeleiding aanleren.

DIDACTISCHE TIP
Noteer de tekst van het eerste couplet (of vervang de tekst door picto’s) op het bord. Teken boven de tekst (picto’s) het instrument dat meespeelt. Zie onderstaand voorbeeld:

f75f30bb-fbf0-458c-9835-47bc8ca3da36_0000006836_ritme
DIDACTIEK: PRAATJE-PLAATJE-DAADJE
Het meest effectief leert u de instrumenten aan via de didactierk ‘praatje-plaatje-daadje. Dat gaat als volgt.
Praatje: pak het instrument, noem de naam en zeg hoe het moet worden vastgehouden.
Plaatje: doe het voor.
Daadje: vraag een kind om het ook eens voor te doen (zo weet u of de informatie is overgekomen).

AANLEREN VAN HET SPEELSTUK
Verdeel de instrumenten over de kinderen. Laat de kinderen die een instrument vasthouden, vertellen bij welke afbeelding van de speelpartituur hun instrument hoort.
Zing het lied in een rustig tempo samen met de klas terwijl u de tekst en de instrumenten op de speelpartituur aanwijst. Het speelritme van de instrumenten is gelijk aan het zangritme. Als dat bekend is kunt u het tempo opvoeren. Ook is het mogelijk dat u hierbij het mp3-bestand kleuren met je stem van de praxisbulletin-site gebruikt.

De kleurendans

Laat de kinderen voor hen zelf een origineel versierd verlanglijstje maken.

KLEDING
Doel: de kinderen kunnen gefaseerd op de muziek een beweging bedenken en uitvoeren of imiteren. Materiaal: waterverf in vijf kleuren, de kinderen krijgen een stip op hun neus. Wanneer u niet met verf wilt werken, kunt u een gekleurd plakkertje of sticker op de neuzen plakken. Voorbereiding: de kinderen moeten het lied goed kennen. Plaats: in de klas of in de speelzaal. Tijd: 30 minuten. Zorg ervoor dat de kinderen het lied goed kennen. Geef alle kinderen een gekleurde stip op hun neus. Dat kan zijn een rode, een gele, een groene, een zwarte of een blauwe stip. Maak vervolgens vijftallen waarin alle kleuren zijn vertegenwoordigd (dus in elk groepje een rode, blauwe, groene, zwarte en gele stip). Speel het liedje af (praxisbulletin.nl). Steeds mag het kind met de kleur die in het lied wordt bezongen (eerste couplet groen, tweede couplet rood, derde couplet blauw, vierde couplet geel en vijfde couplet zwart) vooruit dansen. Dat gaat op de volgende manier (hier uitgewerkt voor het eerste couplet): Opstelling is als volgt:

Tekst Dans Groen zijn de bossen en de bomen. Het groengestipte kind doet bewegingen voor.
Groen is het weiland van de koe. De vier andere kleuren doen het groengestipte kind na.
Groen zijn de wolken in mijn dromen. Het groengestipte kind doet bewegingen voor.
Zingen is het fijnste dat ik doe. De vier andere kleuren doen het groengestipte kind na.
Bij het tweede couplet staat het roodgestippelde kind in het midden. Enzovoort. De mogelijkheid bestaat om ter inspiratie een groepje als voorbeeld voor de andere kinderende dans op te laten voeren. Kies daarvoor een groepje kinderen dat motorisch vaardig is en beschikt over genoeg ideeën. Moeilijker maakt u het wanneer u aan een groepje beperkingen oplegt. Voorbeeld: de voordoener mag in de eerste zin alleen handen gebruiken (de anderen doen dat na) en in de tweede zin alleen maar voeten gebruiken (de anderen doen dat na). Bespreek na afloop de resultaten.

De kleuren van de regenboog zingen

Doel: de kinderen kunnen een grafische partituur uitvoeren.
Materiaal: grafische partituur.
Voorbereiding: teken de grafische partituur op het bord.
Plaats: in de klas.
Tijd: 20 minuten.

Zing vooraf met de kinderen het lied ‘kleuren met je stem’ als introductie van de les. Vraag vervolgens aan de kinderen of ze weten wat u op het boord heeft getekend (een vereenvoudigde versie van de regenboog). Bespreek met de kinderen wat een regenboog is en wanneer het fenomeen zich vooral voordoet (veel vocht in de lucht en ineens een zon die door die vocht heen schijnt). Wie heeft er wel eens een regenboog gezien? Vertel de kinderen dat er wordt gefluisterd dat aan het eind van de regenboog ‘een pot met goud staat’. Bevraag de kinderen hoe je van deze regenboog met je stem muziek kunt maken. Vervolgens wijst u links onderaan de rode balk aan en gaat langzaam omhoog en dan weer omlaag om rechts onderaan uit te komen. Terwijl u het aanwijst maakt u met uw stem dezelfde beweging. Dus Rooo↑ooooooo↓ooooooood. Nadat u het heeft voorgedaan wijst u het aan terwijl de kinderen het stemgeluid maken. Natuurlijk kunt u hetzelfde ook met de andere kleuren doen. Daag de kinderen uit om ook echt ‘omhoog’ te gaan met de stem en ook om ‘omlaag’ te gaan, zoek naar de grenzen maar pas op dat kinderen niet hun stem forceren of gaan schreeuwen. Bewaak het volume.
Vanzelfsprekend kunt u variaties aanbrengen in:
-tempo van stijgen en dalen
-halverwege van richting veranderen
-tussendoor van kleur veranderen
-van dirigent (aanwijzer) te wisselen door het een kind te laten doen.

Moeilijker:
Wanneer u de klas splitst in twee groepen met elk een eigen dirigent wordt het ineens veel lastiger.

Tip:
Maak ook eens een opname van zo’n ‘regenboog’ uitvoering en beluister het eens kritisch met de kinderen.

– Rood
– Geel
– Groen
– Blauw
– Paars

Tekenen

Doel: de kinderen kunnen de muziek/tekst van het lied omzetten in een afbeelding.
Materiaal: papier met kleurtjes/verf of ander beeldende materiaal. Eventueel een digitale camera en een computer.
Voorbereiding: zorg ervoor dat alle klaar staat. Neem als voorbeeld wat cd-hoesjes mee.
Plaats: in de klas.
Tijd: 60 minuten.

Zing ter introductie van de activiteit het lied nog eens. Vraag de kinderen of ze thuis cd’s hebben. En vraag vervolgens naar de cd-hoesjes. Stel vragen als

• Wat zie je allemaal op z’n hoesje?
• Zegt de afbeelding wat over de muziek?
• Hoe kun je horen dat het bij elkaar hoort?
• Wat zorgt ervoor dat de sfeer van muziek in de afbeelding terug is te zien?

Laat de kinderen wat geselecteerde cd-hoesjes zien en bespreek de afbeelding. Daarna kunt u de muziek beluisteren. (Spelletje: laat één muziekfragment horen en vraag de kinderen bij welk van de geselecteerde cd-hoesjes het muziekfragment het beste past, laat het kind zijn motivatie vertellen.)
Geef de kinderen de opdracht om bij het liedjes ‘kleuren met je stem’ een cd-hoesje te ontwerpen. U kunt zelf kiezen welke media de kinderen mogen gebruiken. Van kleurpotlood tot digitale camera, van een collage van tijdschriftplaatjes tot en ‘gefotoshopte’ internetafbeelding. Beperk daarbij zoveel mogelijk het gebruik van letters in de gemaakte afbeelding.
Bespreek na afloop de resultaten.

Een nieuwe kleur maken

Doel: de kinderen kunnen vanuit de drie primaire kleuren drie ander kleuren maken.
Materiaal: papier met een lege kleurenkrans + één mengvel per kind, kwasten, verfbakjes en verf (rood, geel en blauw).
Voorbereiding: zorg ervoor dat alles klaar staat.
Plaats: in de klas.
Tijd: 30 minuten.

Laat de kinderen de onderstaande afbeelding (kleurenkrans) zien. Vertel dat u maar drie kleuren nodig heeft om zes kleuren te maken. Vraag aan de kinderen of zij weten hoe je dat kunt doen. Wanneer geen van de kinderen op het idee van mengen komt dan vertelt u het ze zelf. Geef een voorbeeld, meng wat rood en geel, oranje zal ontstaan. Kleur de cirkel tussen rood en geel in. Laat één van de kinderen blauw en geel mengen zodat er groen ontstaat. Ook met groen wordt een cirkel ingekleurd. Tenslotte wordt ook rood met blauw gemengd en ontstaat er paars. Het resultaat is de volledig ingevulde kleurenkrans (zie onderaan). Maak met de kinderen goede afspraken over de werkwijze, zoals eerst een krant op tafel etc. en daarna gaan de kinderen aan de slag met hun eigen kleurenkrans.

Tip: plaats de kinderen in een groepje, geef elk groepje de drie basiskleuren. Elk kind heeft een individueel papier om op te mengen.

De wie wat waaropera (Drama)

Doel: de kinderen kunnen vocaal (gezongen) improviseren vanuit het wie-wat-waar gegeven.
Materiaal: 10 wie-kaartjes, 10 wat-kaartjes, 10 waar-kaartjes. Deze kunt u hieronder op een kopieerblad downloaden.
Poppenkast en poppenkastpoppen.
Drie doosjes, een wie-doos, een, wat-doos en een waar-doos.
Voorbereiding: verzamel de materialen. Doe de kaartjes in de juiste doos.
Plaats: in de klas.
Tijd: 15 minuten.

Zing ter voorbereiding van deze activiteit het liedje kleuren met je stem met de kinderen. Daarna plaatst u de drie doosjes met kaartjes voor u. Zoek een kind uit dat uit elk doosje één kaartje mag trekken. Een wie-kaartje (bijvoorbeeld “de brandweerman”), een wat-kaartje (bijvoorbeeld “op de fiets”), en een waar-kaartje (bijvoorbeeld “jarig”).
Vraag het kind of deze een verhaaltje kan bedenken over een brandweerman die op de fiets zit en jarig is of naar een verjaardag toe gaat. Als dat zo is dan mag het kind het verhaaltje vertellen.
Vraag anders een andere leerling om een verhaaltje. Laat het kind het verhaaltje vertellen.
Als het verhaaltje klaar is, vraagt u het kind om in de poppenkast te gaan en daar het verhaaltje met een poppenkastpop na te spelen. Maar nu niet sprekend, nee de tekst wordt gezongen. het kind mag zelf een eigen melodie verzinnen, het hoeft niet te rijmen.
Om het verhaal een nieuwe impuls te geven, kunt u een ander kind mee laten doen. Deze leerling trekt daarvoor alleen een wie-kaartje (bijvoorbeeld “de clown”). Het verhaaltje zal dan over de twee personen gaan, de brandweer en de clown. Bijvoorbeeld: de clown rijdt op z’n fiets en botst tegen de brandweerman. De brandweerman laat dan van schrik z’n verjaardagstaart vallen.
Als u het verhaaltje lang genoeg vind duren, sluit u de gordijntjes van de poppenkast en applaudisseert. Daarna kan een nieuwe wie-wat-waar situatie worden getrokken en uitgespeeld.

Moeilijker (onveiliger) wordt het spel als er geen gebruik wordt gemaakt van poppenkastpoppen, maar de leerling zelf is “de wie”. Makkelijker (veiliger) wordt het spel als het in een (drama-)hoek wordt geplaatst en kinderen er in vrij werktijd hun eigen “wie-wat-waar”-opera in kunnen spelen.