Kan ik met elke pen op elke papiersoort schrijven? Dat is een probleem, dat zich steeds meer schijnt voor te doen. Het is de bedoeling, om kinderen te laten ervaren, dat niet elke pen even prettig schrijft op iedere papiersoort. Een les, in het teken van ontdekkend leren, waarbij technisch schrijven en techniek centraal staan.

Aandachtspunten bij de les

Bespreek grondstoffen en maak ze visueel

Het onderwerp van dit artikel – de kennismaking met papier – kan op veel manieren worden ingeleid. Zo kunt u vertellen over de geschiedenis, het gebruik van papyrus in Egypte vanaf 2400 voor Christus en het gebruik van perkament in Klein-Azië. U kunt vertellen over de échte uitvinding van papier, die wordt toegeschreven aan de Chinees Ts’ai-lin, in 105 na Christus.
Ingaan op de grondstoffen die gebruikt werden (en worden), is belangrijk in het kader van deze les. Voor papyrus gebruikte men de papyrusplant. Voor perkament de huid van een schaap. Voor een heel dik boek was de huid van wel meer dan honderd schapen nodig. Ts’ai-lin gebruikte voor de papiervervaardiging onder andere touw, hennep en garens. In de late middeleeuwen werd ook in ons land papier van touw, garens en (gedragen) geweven kleding gemaakt. Pas later gebruikte men houtslijpsel, houtvezels en lompen. In Noord-Afrika werden bamboe, stro en bepaalde grassen gebruikt. Zo wordt duidelijk, dat er altijd gebruik is gemaakt van grondstoffen, die het land zelf bood. Indien mogelijk laat u die grondstoffen zien. Visueel maken is belangrijk.

Pas de informatie aan aan het niveau van uw groep

Bij papierfabricage wordt water gebruikt. Heel veel water! Vandaar dat papierfabrieken altijd bij beken en rivieren te vinden zijn. Het gaat erg ver om met kinderen van groep 5/6 te kijken naar de oppervlaktebehandeling (gestreken of ongestreken), de vezelsoort, de vezelbehandeling (houthoudend of houtvrij) of de bleking (ongebleekt of gebleekt). Maar na de les moeten de kinderen toch wél tot de conclusie zijn gekomen, dat het meeste houtvrije papier beter met inkt te beschrijven is dan houthoudend papier. Houtvrij papier (zoals papier voor drukwerk en schrijfpapier) bevat uitsluitend celstof, terwijl houthoudend papier (zoals krantenpapier) soms wel tot 90 procent houtslijp bevat.
Nota bene. Zorg ervoor dat u deze informatie aanpast aan het niveau van uw groep, zodat die voor iedereen begrijpelijk is.

Voorbereidingen

Geef dagen van tevoren al aan wanneer de les Praten over (en schrijven op) papier gegeven wordt. Geef de kinderen tips hoe ze zelf voorbereidingen kunnen treffen voor de les (bibliotheek en internet) en probeer – samen met de kinderen – zo veel mogelijk papiersoorten te verzamelen.

Bij een inleidend gesprek kunnen de kinderen het papier al in soorten bij elkaar leggen. Dit kan een dag van tevoren of aan het begin van de les gebeuren. Laat de kinderen vooral zelf aan het woord. Wellicht weten zij al meer over perkament, watermerken, handgeschept en houtvrij papier dan u kunt vermoeden.

Papiersoorten

Bij het samen praten over papier kan onderscheid worden gemaakt in de volgende soorten (hoofdgroepen):
– grafische papieren (bijvoorbeeld: krantenpapier, schrijfpapier, drukpapier);
– papier en karton voor verpakkingsdoeleinden (bijvoorbeeld: pakpapier en golfkarton);
– hygiënische en sanitaire papieren (bijvoorbeeld: tissuepapier, toiletpapier en keukenpapier);
– speciale papieren (bijvoorbeeld: waardepapier, sigarettenpapier en rijstpapier).

Tactiele waarneming

Bij de bespreking van de verschillende papiersoorten is de tactiele waarneming belangrijk. En dan bedoel ik: het papier tastend verkennen en het herkennen van verschillen. Met de ogen dicht of geblinddoekt is het betasten vaak intenser en het onder woorden brengen moeilijker.
Dit onder woorden brengen vraagt extra aandacht. Laat bij de beschrijving zo veel mogelijk gebruik maken van bijvoeglijke naamwoorden. Bijvoorbeeld: zacht, fluweelachtig, stijf, glad, ruw, geribbeld, stroef, doorzichtig, scherp (randen), mat, glanzend, dof, dik, dun, grof, korrelig, hard, licht en zwaar. Het is belangrijk dat de kinderen in hun eigen woorden vertellen en uitleg geven wat ze precies bedoelen.
Nota bene. Waarschuw voor de zijkant van iets harder papier. Want kartonachtige soorten kunnen snijwonden veroorzaken!

Schrijfopdracht

• Conclusies trekken
Het zal verschil maken of je met het ene of met het andere schrijfinstrument op een bepaalde papiersoort schrijft. Het kunnen werken met verschillende schrijfinstrumenten op verschillende papiersoorten komt aan bod bij de nabespreking van opdracht 3: papier beschrijven (in groepsverband). Kinderen moeten dit zelf ervaren en ontdekken en samen conclusies trekken.

• Temposchrijven
Houding en pengreep blijven belangrijk. Het maken van korte notities en het telkens neerleggen en oppakken van de pen horen bij het technisch schrijven. Bovendien moeten bevindingen snel genoteerd kunnen worden. Met snel schrijven (temposchrijven) wordt bedoeld: dóórschrijven, niet “tutten”.
Het is uiteraard van belang, dat kinderen leren wanneer je het best een pen en wanneer je het best een toetsenbord kunt gebruiken. Maar bij de hier bedoelde oefeningen is het gebruik van een pen te verkiezen boven het gebruik van een toetsenbord. Bespreek dit ook samen met de kinderen.

Benodigdheden bij de opdrachten

Bij de nu volgende opdrachten hebt u materialen nodig voor de kinderen. Ik zet ze hier even voor u op een rijtje:

• Velletjes papier (circa 10 × 10 cm) van zo veel mogelijk verschillende papiersoorten. (Denk hierbij aan: krantenpapier, schrijfblokpapier, sitspapier, kladblokpapier, folie, behangselpapier, servetten, tijdschriften, kringlooppapier, handgeschept papier en zijdevloei.)

• Verschillende schrijfinstrumenten. (Denk hierbij aan: vulpen, potlood, balpen, viltstift, fijnschrijver, rollerpen en kroontjespen.)

• Inkt en/of ecoline en een afveeglapje.

• Gelinieerd papier (blaadje uit een schrift).

Kennismaken met papier

Opdracht 1 papier voelen en betasten (als voorbeeld voor de groep)

Benodigd materiaal

Een velletje van twee verschillende papiersoorten. (Bijvoorbeeld: servettenpapier en schuurpapier.)

Inleiding

– Op het bord schrijft u de volgende vragen:

1 Is het papier buigzaam?
2 Hoe voelt het papier aan?
3 Is het papier doorzichtig?

– Twee kinderen geven in eigen bewoordingen elk hun mening over een van de twee papiersoorten. Deze beschrijvingen dienen als voorbeeld voor de groep. In hun beschrijving gebruiken de twee kinderen dan ook (vooral) bijvoeglijke naamwoorden.
Nota bene. Waarschuw voor de eventuele scherpe zijkanten van het papier!

Werkwijze

– Beide kinderen voelen en betasten het papier en geven hun omschrijving. Dit mag met de ogen dicht of geblinddoekt.
– Een ander kind schrijft de bevindingen (bijvoeglijke naamwoorden) op het bord.
– Tot slot praat u met de hele groep over de kenmerken/eigenschappen van de beide papiersoorten.
Nota bene. Als kinderen weinig woorden ter beschikking hebben, kan de opdracht een heel andere wending krijgen. Samen met de kinderen zou dan – na de uitleg – het bord volgeschreven kunnen worden met de genoemde bijvoeglijke naamwoorden. Bordgebruik – of het nu op een schoolbord, een whiteboard of een smartboard gebeurt – is en blijft van groot belang. Laat kinderen zien hoe een woord geschreven wordt.

Opdracht 2 papier voelen, betasten, kreuken en scheuren (individueel)

Benodigd materiaal

– Voor elk kind een velletje van vijf uiteenlopende papiersoorten. (Neem andere soorten dan bij opdracht 1.) Elke papiersoort krijgt een nummer. De vijf nummers zijn van tevoren op de vijf velletjes papier genoteerd.
– Een half (gelinieerd) blaadje uit een schrift.
– Een (vul)pen.

Inleiding

– U maakt gebruik van de vragen van opdracht 1, die op het bord staan. De kinderen mogen hier ook zelf vragen aan toevoegen. Als er extra informatie nodig is, dan geeft u die.
– Naar aanleiding van de vragen schrijft elk kind kort in eigen woorden zijn/haar mening op. Wijs de kinderen erop dat ze duidelijk moeten schrijven en alles overzichtelijk moeten noteren.
– Hier wordt er bewust niet voor gekozen om dingen in te vullen of om een kruisje te zetten op een geheel uitgewerkte woordenlijst. Er wordt veel meer (en beter) aan het doel van deze les beantwoord, als kinderen zelf zoeken naar woorden, als ze hun pen telkens neerleggen en oppakken, als ze hun pen in de juiste greep vasthouden en alles op een duidelijk leesbare en overzichtelijke manier noteren.

Werkwijze

– De velletjes papier worden zo uitgedeeld, dat elk kind vijf verschillende (en dus ook verschillend genummerde) papiersoorten heeft.
– Elk kind onderzoekt het gekregen velletje papier aan de hand van de vragen en noteert zijn/haar eigen mening kort op het gelinieerde blaadje papier.
– Spreek een tijd af: bijvoorbeeld vijf minuten.
– Na de tactiele waarneming door de kinderen worden de papiersoorten aan de hand van de genoteerde opmerkingen elk afzonderlijk besproken. De genoemde kenmerken (bijvoeglijke naamwoorden) worden op het bord geschreven. Probeer tegenstellingen en synoniemen bij elkaar te plaatsen.
– Daarna worden de velletjes papier een voor een opgefrommeld, weer opengevouwen en gladgestreken. Welk velletje houdt de meeste kreukels? Klassikaal wordt hierover een beslissing genomen.
– Dan worden de velletjes een voor een verscheurd. Bij welke papiersoort gaat dit het moeilijkst? Ook nu wordt hierover weer klassikaal beslist.
– Tot slot wordt al het papier in de papierbak gedeponeerd.

Opdracht 3 papier beschrijven (in groepsverband)

Benodigd materiaal (voor elk groepje)

Elk groepje moet beschikken over een (schoenen)doos, met daarin de volgende materialen:
– Minimaal vijf verschillende schrijfinstrumenten (bijvoorbeeld: potlood, balpen, rollerpen, schrijfstift, fijnschrijver en/of kroontjespen).
– Een potje inkt of ecoline (met een afveeglapje).
– Een gelinieerd blaadje uit een schrift.
– Voor elk kind een velletje (circa 10 x 10 cm) van vijf verschillende papiersoorten. (Bijvoorbeeld: kladblokpapier, sitspapier, inpakpapier, behangselpapier, krantenpapier. Géén schuurpapier!) Elke papiersoort heeft weer – net zoals bij opdracht 2 – een nummer. De vijf nummers zijn van tevoren op de vijf velletjes papier genoteerd.
– Voor elk kind een eigen vulpen.

Inleiding

– Op het bord schrijft u de volgende vragen:

1 Op welk papier schrijft de vulpen het prettigst?
2 Op welk papier vloeit de vulpen het meest?
3 Welk schrijfinstrument schrijft het prettigst op (bijvoorbeeld) papiersoort 4?
4 Welk schrijfinstrument schrijft het slechtst op (bijvoorbeeld) papiersoort 2?
5 Welk papier lijkt het minst geschikt om op te schrijven?

– Alle materialen bevinden zich in een (schoenen)doos. Voor elk groepje één. Bespreek met de kinderen de inhoud van een doos.
– De verwerking van de opdracht vindt plaats in groepjes van (bijvoorbeeld) vier kinderen.
– De opdracht voor de kinderen is: zoek uit met welk schrijfinstrument je wel of niet kunt schrijven op de aangeboden papiersoorten. Elk schrijfinstrument wordt dus op elke papiersoort uitgeprobeerd!
– De leden van een groepje noteren samen, om de beurt, hun ervaring per papiersoort op het gelinieerde schrijfblaadje.
– Daarna geven de groepjes klassikaal hun mening.
– En tot slot geeft de hele groep een eindoordeel.

Werkwijze

– Elk groepje krijgt een (schoenen)doos.
– De schrijfinstrumenten en de genummerde velletjes van de papiersoorten worden in het groepje verdeeld.
Met alle gegeven schrijfinstrumenten en zijn/haar eigen vulpen schrijft het kind de naam van het schrijfinstrument waarmee geschreven wordt enkele malen op elk velletje papier.
– Na overleg in het eigen groepje schrijven de leden van het groepje, om de beurt, de conclusie van het groepje op een vraag op het gelinieerde schrijfblaadje. (Er zijn vijf vragen, dus er worden vijf conclusies genoteerd.)
– Bij de klassikale bespreking, die daarna plaatsvindt, geeft een lid van elk groepje de conclusies per papiersoort door. Samen wordt gesproken over (onder andere) de oorzaken van wel of niet prettig schrijven met een bepaald schrijfinstrument en de voor- en nadelen van papiersoorten.
– Tot slot geeft de hele groep een gezamenlijk eindoordeel.

Tot slot

In deze eenvoudig lijkende les zijn het samen ervaren, praten, overleggen, beslissen en het samen conclusies trekken een uitdaging voor elk kind. Van de kinderen wordt een goed pengebruik gevraagd. Want het kunnen maken van een goed leesbare en overzichtelijke notitie vraagt oefening. Van u wordt een goede organisatie en een optimaal bordgebruik verwacht. Mijn ervaring is, dat de opdrachten in dit artikel prachtige lessen zijn. Ideale lessen ook voor de pabostudent!

Veel succes!