Kleuters vinden het heerlijk om voorgelezen te worden, ook als hetzelfde boek meerdere malen aangeboden wordt. Hoe vaker, hoe beter. Het geeft u ook de kans om steeds dieper op allerlei aspecten van het verhaal in te gaan. Uit recent onderzoek blijkt, dat interactief voorlezen een goede manier is om de taalontwikkeling bij kleuters te stimuleren. Bij interactief voorlezen zijn de kinderen niet muisstil tijdens het voorlezen, maar betrekt u ze actief bij het verhaal. Hoe werkt dat? Daarover gaat dit artikel.

Omslag en titel

• Buitenkant
Natuurlijk is de keuze van een (prenten)boek belangrijk. Bij voorkeur kiest u een boek, dat qua inhoud aansluit bij de beleving van de kinderen op dat moment of op het thema waarmee u bezig bent. De eerste keer dat u een boek aanbiedt, neemt u de tijd om het boek te bekijken aan de buitenkant. Wat zie je op het omslag? Kunnen de kinderen al voorspellen waar het boek over gaat? Wie heeft het boek geschreven? En wie heeft het geïllustreerd? Waar staat de titel? Enzovoort. Zo leren de kinderen spelenderwijs de functie van titel, omslag en illustraties.

• Voorspellingen
Deze voorspellingen kunt u tekenen (dat kan heel simpel) en schrijven op een groot vel papierOok bladert u het boek met de kinderen door, zónder voor te lezen. Kinderen kunnen aan de hand van de illustraties voorspellen waar het boek over gaat en wat er gebeurt. Ze maken kennis met de verhaallijn van boeken.
Daarna leest u het verhaal een keer helemaal voor. Na afloop kunnen de kinderen controleren of hun voorspellingen klopten. U pakt de voorspellingen er weer bij en vergelijkt die met het echte verhaal. Komen voorspellingen en werkelijkheid overeen? Zo niet, teken en schrijf dan met een andere kleur de juiste antwoorden erbij.

• Nadenken
De tweede keer dat u het verhaal gaat voorlezen, kunt u het grote vel papier er weer bij pakken en het boek kort met de kinderen bespreken. Als u weer gaat voorlezen, is het de bedoeling, dat de kinderen gaan nadenken over wat er gebeurt in het verhaal.
Tijdens het voorlezen betrekt u de kinderen bij het verhaal door voorspellende vragen te stellen. Het antwoord wordt pas op de volgende bladzijde duidelijk. Bijvoorbeeld: “Kijk, wat een rommel! En morgen is de koningin jarig. Wat nu?” Nadat een paar kinderen antwoord hebben gegeven, slaat u pas de bladzijde om en leest u voor hoe het in het boek is opgelost. Doe dit bij jonge kinderen niet te vaak, zodat de vaart er wél in blijft en zij de verhaallijn kunnen blijven volgen. Taalzwakke kinderen kunt u simpele antwoorden ook laten aanwijzen in het boek.

Zelf vragen stellen

De derde keer dat u het boek voorleest, kunt u dat op een meer interactieve manier doen. Het is de bedoeling, dat de kinderen onder woorden brengen wat ze beleven bij het verhaal of wat ze kennen uit eigen ervaringen. U stimuleert de kinderen om zélf op onderzoek uit te gaan, om zélf vragen te stellen en te beantwoorden. Dat gebeurt in een gesprek, waarbij de kinderen – onderling en met u – volop de gelegenheid krijgen om hun gevoelens, ideeën en commentaar te uiten, hun vragen en twijfels onder woorden te brengen en antwoorden te geven op de vragen, die het verhaal oproept. U hebt als leerkracht een begeleidende en coachende rol.

• Interactiemoment
Kies van tevoren een zo rijk mogelijk interactiemoment in het verhaal: bijvoorbeeld vlak voor een wisseling in het verhaal of bij een plot. Tijdens het interactief voorlezen is het de kunst om vragen te stellen, waarmee de communicatie op gang komt. Het gaat erom de kinderen aan het woord te laten, zonder al te sturend te zijn. Vooral open vragen lokken communicatie uit. Vragen naar persoonlijke beleving werken ook goed om een gesprek te openen. (Bijvoorbeeld: “Heb jij dat ook wel eens meegemaakt?” Of: “Wat zou jij doen in zo’n geval?” En: “Wat vind je daar nou van?”) Ook kunt u de kinderen laten reageren op een “vreemde uitspraak” van u. (Bijvoorbeeld: “Natuurlijk trek je in de winter geen jas aan.” Waarna u even stil blijft.) Maar ook andere, uitnodigende opmerkingen kunnen voldoende zijn om een gesprek op gang te brengen. (Bijvoorbeeld: “Vertel eens…” Of: “Want…?”) Maak eventueel voor uzelf van tevoren een lijstje met goede vragen.

Kinderen stimuleren

U stimuleert de kinderen om verder te praten door een actieve luisterhouding. Laat merken dat u de bijdrage van de kinderen waardeert. Daardoor voelen ze zich uitgenodigd om meer te vertellen. U kunt verbale luisterreacties geven, zoals doorvragen op wat het kind zegt. Maar ook non-verbale luisterreacties zijn effectief, zoals even stil blijven na een antwoord van de leerling, knikken of hummen. U kunt niet-vragende uitingen gebruiken, zoals “O” en “Nee, toch!”, om initiatieven van de kinderen uit te lokken. Probeer de gedachtenlijn van kinderen te volgen en vermijd daarbij inhoudelijke feedback (feedback op onjuistheden). Beter kunt u zélf de bijdragen van de kinderen herverwoorden, doorspelen of met elkaar verbinden. (“Dus Puck denkt dat het hier lente is? Wat denk jij daarvan, Gijs?”)

• Voorbeeldgedrag
Stimuleren kan ook met voorbeeldgedrag. Bijvoorbeeld door zélf op te schrijven of te tekenen wat u ziet, terug te blikken en feedback te geven.
Om de interactie tussen de kinderen te stimuleren, stelt u zich op als gespreksleider. U stelt zo min mogelijk inhoudelijke vragen, maar laat kinderen op elkaar reageren. Dit kunt u doen door kinderen hiervoor uit te nodigen, met vragen als: “Snap jij wat Joshua bedoelt?”
Deze gesprekjes over boeken zijn ook zeer geschikt voor de kleine kring. Tijdens de interactieve gesprekken hebt u de leiding. Spreek met de kinderen vooraf de regels door. (Bijvoorbeeld: laat elkaar uitpraten.) U bewaakt de kwaliteit van het gesprek en de lengte van de interacties.

Gebruik van stem en mimiek

Uw stem kunt u gebruiken tijdens het interactief voorlezen. Kinderen reageren over het algemeen heel sensitief op stemgebruik. Met stemvariaties kunt u veel bereiken. Bij een belangrijke passage gebruikt u een voorleesstem, waardoor de kinderen aandachtig zullen luisteren. Uw tempo wordt langzamer (of juist sneller) of u gaat zachter (of juist harder) lezen. Kinderen voelen aan dat u gaat stoppen met lezen en dat zij aan de beurt zijn om te reageren. Door zonder iets te zeggen met een bepaalde blik de kring rond te kijken, voelen de kinderen zich vast en zeker uitgenodigd om hun gevoelens en gedachten te uiten of om commentaar te geven. Dat is een mooi begin voor een kort gesprek.

• Mimiek
Ook mimiek is een goed hulpmiddel tijdens het voorlezen. Uw gezicht kan boekdelen spreken. Door uw mimiek laat u uw eigen beleving zien. Wordt er verwonderd gekeken? Verbaasd, nieuwsgierig of verrast? Misschien is het tijd voor een zucht, gelach of gegiechel? Kinderen met een geringe woordenschat hebben steun aan de ondersteuning die u geeft met stem en mimiek. Door een woord als bang zacht en angstig uit te spreken, terwijl u ook angstig kijkt, geeft u het woord betekenis.

Hoe gaat het verder?

Na afloop van een interactief gesprek maakt u weer de overgang naar het boek. Dat kunt u doen door de bijdragen van de kinderen even kort samen te vatten en de draad van het verhaal weer op te pakken. (Bijvoorbeeld: “Zullen we eens gaan kijken hoe het verder gaat?”)
Het is wél belangrijk, dat u het aantal interactiemomenten beperkt houdt. Zorg dat de vaart in het verhaal blijft. Als u bij elke bladzijde stopt, dan raken kinderen de draad van het verhaal kwijt.
Tip. Bereid eventueel van tevoren het interactief voorlezen voor, door op de bladzijden waar u wilt stoppen een geel stickertje te plakken, met daarop de vraag die u op die plek gaat stellen.

• Herbeleving in activiteiten
Zodra de kinderen het verhaal goed kennen, kunt u het terug laten komen in verschillende activiteiten in het lokaal. Zo kunnen de kinderen het verhaal naspelen in bijvoorbeeld de huishoek of met kleine poppetjes op een verteltafel. Als u een of enkele figuren uit het boek kopieert en op een vel schilderpapier plakt, dan kunnen de kinderen de omgeving waar het verhaal zich afspeelt schilderen. Daardoor beleven de kinderen het verhaal nogmaals.
Kinderen die uit zichzelf niet snel een boek pakken, worden op deze manier tóch betrokken bij het verhaal. Het herbeleven van een verhaal draagt bij aan het verhaalbegrip van de kinderen en consolideert de woordenschat uit het boek.

Nooit meer gewoon voorlezen?

Mag u nu nooit meer gewoon lekker voorlezen? Ja, natuurlijk wel. Want voorlezen blijft gewoon een plezierige en ontspannen activiteit, zowel voor u als voor de kinderen. Maar… als u regelmatig interactief voorleest, dan werkt u doelgericht aan boekoriëntatie, verhaalbegrip, begrijpend luisteren en woordenschatuitbreiding. Interactief voorlezen is daarmee een rijke activiteit, waarbij u weinig middelen nodig hebt en waarvoor weinig voorbereiding nodig is.
Veel kleuterleerkrachten die met interactief voorlezen starten, zijn aangenaam verrast door de enthousiaste reacties van de kleuters en de talloze aanknopingspunten die een boek biedt om een gesprek te houden. “Ik wist niet dat er zo veel in dit boek zat,” is een veelgehoorde reactie. Interactief voorlezen verhoogt bovendien het leesplezier.
Veel succes!

Zie ook: www.kleuterplein.nl.