Dierendag is een goede aanleiding om op school te praten over verschillende dieren. Misschien mogen er wel (knuffel)dieren mee naar school worden genomen en worden er vrolijke dierenverhalen voorgelezen. In ieder geval krijgen de huisdieren thuis een extra aai en een extra brokje.
In het toneelstuk in dit artikel gaat een klas nog een stapje verder. De kinderen gaan geld inzamelen voor een goed dierendoel. De hele school is enthousiast. Maar dan komt er een kink in de kabel. Kunnen de kinderen de dieren nog wel helpen?
Een vrolijk toneelstuk, waar u gemakkelijk een échte inzameling voor een goed dierendagdoel aan kunt koppelen!

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Informatie vooraf

Toneelbeeld

Op het toneel zien we rechts een summier ingericht klaslokaal. Twee tafeltjes met stoeltjes en een klein schoolbord (te koop in een speelgoedwinkel). Dat is voldoende om de suggestie te wekken.
In het midden van het toneel zien we een hek, waaraan een bord is bevestigd. Op dat bord staat: Tehuis voor oude dieren. Het bord is niet meer in goede staat en het hangt scheef.
Aan de linkerkant van het toneel zien we een summier ingericht kantoor. Een bureau en een leren bureaustoel. Op het bureau staan een telefoon en een radio. Dat is weer voldoende.
Vóór de drie decors moet genoeg ruimte zijn voor de spelers om zich te kunnen bewegen. Die ruimte is namelijk het dorpsplein. Als er ruimte op uw toneel is, dan zouden een standbeeld en een bankje het beeld van een dorpsplein compleet maken.

Personages

– Juf Karin.
– Wethouder Zuurbes.
– Burgemeester Stavast.
– Meneer Vleugel.
– Kinderen uit de klas van juf Karin (onder wie Maarten).
– Een aantal dames en heren.

Rekwisieten

– Telefoon.
– Radio.
– Collectebussen.
– Speelgoedgeld.
– Hamer.

Het verhaal in scènes

In actie voor dieren! is een toneelstukje met een eenvoudige verhaallijn en is verdeeld in acht scènes. Hier volgt de beschrijving.

Scène 1

Aan zijn bureau zit wethouder Zuurbes aantekeningen te maken. de radio staat zachtjes aan. Hij mompelt, terwijl hij aantekeningen maakt: “De burgemeester wil dat Groezeldam een bekende gemeente wordt. Zó bekend, dat mensen hier vakantie komen vieren. Dat ze Groezeldam willen zien. Dat ze Groezeldam willen leren kennen. Maar hoe…?”
Op de radio begint een filebericht. De wethouder stopt met het maken van aantekeningen, zet de radio harder en luistert aandachtig. Hij glimlacht, terwijl de lange lijst met files op de radio wordt voorgelezen.
“Vijf kilometer bij het knooppunt Ypenburg in Den Haag. Vlak voor Leende staat ook weer een lange file richting Eindhoven. En richting Amsterdam is het, zoals altijd, erg druk op dit tijdstip.” (U neemt hier een écht filebericht op van de radio. Het maakt niet uit waar de files staan. Als er maar duidelijk enkele bekende plaatsnamen in voorkomen!)
Als het filebericht is afgelopen, zet de wethouder de radio uit. Hij staat op van zijn bureaustoel en loopt rond. Hij oefent hardop: “Bij het knooppunt Groezeldam staat een file van drie kilometer.” En: “Vlak voor Groezeldam staat, zoals elke ochtend, een lange file.” En: “Bij Groezeldam is het druk.”
Wethouder Zuurbes knikt tevreden en mompelt hardop: “Wat zou dat mooi zijn. Perfect. Een snelweg, dwars door Groezeldam. Elke dag Groezeldam op de radio. Gratis en voor niks. Dat is pas reclame!”

De wethouder schrikt als de telefoon gaat. Hij gaat achter zijn bureau zitten, kucht, trekt een “belangrijk gezicht” en neemt op.
“Met wethouder Zuurbes van de gemeente Groezeldam.”
“Ah, meneer de burgemeester. Hoe gaat het met u op deze mooie ochtend? Ja, ja. Natuurlijk. Jazeker, uwe excellentie meneer de burgemeester. Ja, daar ben ik mee bezig. Ik kan wel zeggen dat ik een paar BRILJANTE ideeën heb om Groezeldam wat meer naamsbekendheid te geven. Ja, hoor. Nog even en iedereen in Nederland zal Groezeldam kennen. Ja, ja. Natuurlijk. Geen woorden, maar daden. Geen daden, maar resultaten. Natuurlijk, meneer de burgemeester. Ik…”
De wethouder stopt plotseling en kijkt verbaasd naar de telefoon.
“Opgehangen. Hij heeft gewoon opgehangen! Ik moet snel handelen, want anders hoeft de burgemeester mijn praatjes niet meer te horen, zei hij. Goed! Er is dus werk aan de winkel. Ik moet nu gaan bedenken hoe ik zo snel mogelijk een prachtige snelweg kan aanleggen, dwars door Groezeldam heen. Zonder snelweg geen files. En zonder files komen we niet op de radio! Nu moet ik eerst zorgen, dat ik aan geld kom. Geld voor een snelweg. Laat ik eens beginnen met de achterstallige huur in het dorp te innen. Dat levert toch ook wel wat op. En alle kleine beetjes helpen! De burgemeester kan trots op me zijn.”
De wethouder doet een das om en vertrekt…

Scène 2

In de klas van juf Karin zitten alle kinderen gezellig bij elkaar op de tafeltjes en de stoeltjes. Juf Karin leest de laatste twee zinnen voor van een bekend dierenboek. (Het is leuk om een boek te kiezen, dat écht bekend is in uw klas!) Na deze laatste zinnen doet ze het boek dicht.
“Jongens,” zegt ze, “dit was een mooi dierenverhaal. En dat verhaal heb ik niet voor niets voorgelezen. Jullie weten toch wel dat er volgende week een speciale dag is voor dieren?”
De kinderen knikken en lachen. Natuurlijk weten ze dat. Het wordt dierendag! De kinderen stellen (om de beurt) vragen. Of ze weer hun knuffeldieren mee mogen nemen naar school. Of ze weer een dierenfilm mogen kijken. En of ze, net als vorig jaar, weer naar de dierentuin mogen met de bus.
De juf schudt met haar hoofd. “Nee,” zegt ze. “Het was erg leuk wat we vorig jaar deden. Het was heel gezellig. Maar toch heb ik eens nagedacht. Het was voor ONS gezellig. Het was voor ONS leuk. Maar wij zijn geen dieren. Wij zijn mensen. Het is geen mensendag. Het is dierendag!”
De kinderen kijken elkaar even aan. Dan steekt een van de kinderen zijn vinger op. “Juf…,” zegtde jongen, “kunnen we dan niet iets verzinnen waar de dieren wat aan hebben?”
De juf lacht. “Dat bedoel ik! Ik wil jullie vragen om vanmiddag en vanavond goed na te denken. Want morgen wil ik van jullie allemaal ideetjes horen. Hoe kunnen we van dierendag volgende week een échte dag voor de dieren maken? Ik hoor het graag van jullie. Tot morgen!”
De kinderen lopen druk pratend de klas uit. Buiten de klas (op het lege stuk vóór de decors, het dorpsplein) blijven ze staan. Ze spreken nóg een keer af dat iedereen goed zal nadenken over een bijzonder dierendagplan. Ze zeggen elkaar vrolijk gedag en stuiven allemaal een andere kant op. Behalve Maarten. Die blijft zitten nadenken…

Scène 3

Door het hek van het dierenbejaardentehuis komt meneer Vleugel. Hij poetst met zijn mouw het bord dat aan het hek hangt een beetje op. Maar al gauw haalt hij moedeloos zijn schouders op en houdt op met poetsen. Het heeft geen zin. Meneer Vleugel loopt met afhangende schouders naar het midden van het toneel, waarschijnlijk op weg naar huis. Hij heeft niet door dat Maarten daar zit.
Plotseling komt van de andere kant wethouder Zuurbes aangelopen. “Ha, meneer Vleugel! U wil ik net hebben!” roept hij. Meneer Vleugel is duidelijk niet blij met deze ontmoeting. Hij probeert misschien zelfs om te draaien en weg te lopen.
“Joehoe, meneer Vleugel! U moet ik net even hebben!”
“Ja…, daar was ik al bang voor, wethouder Zuurbes.”
“Aha! U weet dus dat u al drie maanden huur achterloopt voor dat bizarre dierentehuis van u. U moet mij uiterlijk volgende week drie keer vijftienhonderd euro betalen. Inclusief de boete voor te laat betalen is dat vijfduizend euro, meneer Vleugel. Hoort u dat?”
“Ja, maar wethouder Zuurbes…, zo veel geld heb ik nu niet. U weet toch wel dat ik dat lieve paard heb laten opereren. En daar is toen de huur aan opgegaan. En een maand later had die lieve, oude, rode kater nieuwe medicijnen nodig. We hebben nieuwe hokken nodig voor de oude kippen en konijnen. En het dak van het varkenshok lekt. Zo zijn er zo veel dingen…”
“U regelt het maar!”
“Ja, maar…”
“U regelt het maar! Ik vind het trouwens helemaal niet erg, als u met dat tehuis vol stokoude dieren moet oprotten, meneer Vleugel. Want waar uw tehuis staat…, daar bouw ik veel liever een mooie snelweg! Dus u krijgt van mij niet zo veel tijd meer, snapt u? Als u mij nu niet betaalt, dan moet u vertrekken en dan kan ik mijn snelweg gaan bouwen! En als u mij wél betaalt…, dan kan ik in ieder geval beginnen met sparen voor een snelweg. Dan leg ik die snelweg gewoon naast uw dierentehuis. Dat kan makkelijk.”
“Ja…, maar…, dat lukt écht niet….! Een snelweg?”
“Als ik volgende week woensdag om twaalf uur precies uw geld niet heb, meneer Vleugel, dan zult u meteen met uw dieren moeten vertrekken. Dan kunt u geen dag langer blijven, begrijpt u wel?”
“Ja, maar…”
“Geen gemaar, meneer Vleugel. Dat is het. Volgende week woensdag, anders pakt u met al uw oude, lelijke dieren maar uw koffers!”

De wethouder loopt met stevige passen weg. Meneer Vleugel blijft moedeloos staan. Hij snikt wat en snuit luidruchtig zijn neus. Dan ziet hij Maarten. Maarten heeft duidelijk alles gevolgd.
“Oh…, eh…, sorry. Sorry,” zegt meneer Vleugel.
Maarten komt dichterbij. “Klopt dat, meneer Vleugel? Klopt het wat ik hoor? Dat u misschien het tehuis voor bejaarde dieren moet sluiten?”
Meneer Vleugel knikt.
“Ja. Het geld is op. En die Zuurbes heeft geld nodig voor een snelweg. Waar moet ik nou toch heen met dat lieve, oude varken? En met mijn oude paarden, waar niemand meer op kan rijden? En met die lieve, oude herdershond, die nog maar drie poten heeft? En met al die andere, lieve, oude dieren, die een rustige, oude dag verdienen?”
Maarten staat plotseling van enthousiasme te stralen.
“Meneer Vleugel…,” zegt hij, “maakt u zich maar geen zorgen meer. Ik denk dat ik, ik bedoel wij, u wel kunnen helpen. Ik laat u morgenmiddag meer weten!” En hij rent weg.
Meneer Vleugel kijkt hem even verwonderd na en loopt dan ook weg…

Scène 4

De kinderen en de juf staan in het klaslokaal. Ze hebben een paar collectebussen bij zich. Meneer Vleugel staat erbij. Hij ziet er heel vrolijk uit.
De juf zegt: “Kinderen, we gaan vandaag het dorp in om te collecteren. Als mensen meer willen weten over het tehuis voor oude dieren, dan kunnen ze met meneer Vleugel komen praten. Hij zal op het dorpsplein klaarstaan.”
Meneer Vleugel knikt enthousiast: “Ja, ik kan de mensen alles vertellen over die arme dieren, die zijn afgedankt, omdat ze te oud zijn. Hoe wij voor ze zorgen. En hoe wij ze een heerlijke, oude dag bezorgen. Ik zal iedereen vertellen dat we nieuwe hokken nodig hebben. Dat we hooi en stro moeten kopen. Dat we eten nodig hebben, dat we goed kunnen prakken voor al die lieve, oude dieren zonder tanden. En dat we de huur niet meer kunnen betalen, als de mensen ons niet helpen. Tja…, dat we dan eh…, weg moeten.”
De juf klopt meneer Vleugel bemoedigend op de schouder en zegt: “Kom op, meneer Vleugel. Niet zo somber! Hop…, naar het dorpsplein!”

Iedereen gaat naar het dorpsplein. Regelmatig loopt er een dame of een heer langs, die een portemonnee trekt en geld geeft. Sommige dames en heren lopen even naar meneer Vleugel, die enthousiast vertelt en wijst naar het hek van het dierentehuis.
Nota bene. Dit laatste gedeelte van de scène wordt alleen uitgebeeld. Er wordt niet gesproken. Een vrolijk muziekje ondersteunt deze scène.

Scène 5

Terwijl de kinderen druk aan het collecteren zijn, komt plotseling wethouder Zuurbes tevoorschijn. Als hij op het dorpsplein staat en zijn arm omhoogsteekt, valt de muziek stil en kijkt iedereen verschrikt naar hem op.
“Wat is hier aan de hand?” buldert hij. De juf legt uit dat ze collecteren voor het dierentehuis. Wethouder Zuurbes keek al kwaad, maar nu gaat hij nóg kwader kijken!
“Hebt u een collecteaanvraag gedaan bij het gemeentehuis? Hebt u een vergunning gevraagd om hier te mogen collecteren?”
De juf zegt: “Nee, het was een spontane actie. In verband met dierendag, snapt u wel?”
“Dierendag!” buldert wethouder Zuurbes. “Dierendag! Belachelijk! U moet nú stoppen met collecteren. Het zou me wat worden, als iedereen hier maar gaat rondlopen met collectebussen en zielige verhalen gaat ophangen tegen alle mensen die hier langslopen. Het zou een zootje worden, snapt u wel? Een zootje! Daar zijn wij niet van gediend, hier in Groezeldam.”
“Ik wist niet eens dat ik een vergunning moest aanvragen,” zegt de juf nogal beduusd.
“Zeven maanden van tevoren moet dat, juffrouw!” roept de wethouder. “Er zit nu niets anders op dan de collectebussen in te nemen. Inleveren alstublieft!”
De wethouder begint de collectebussen af te pakken van de kinderen. En die zijn heel verontwaardigd!
“En het geld dan?” vragen ze.
“Het geld dan? Het geld dan?” schampert de wethouder. “Dat geld hebben jullie zonder toestemming afgetroggeld van langslopende mensen. Zonder toestemming! Dus dat geld is nu van de gemeente. Goedemiddag!”

De wethouder loopt weg met alle collectebussen. De kinderen, meneer Vleugel en de juf zitten duidelijk in zak en as. Ze lopen gearmd het toneel af…

Scène 6

Wethouder Zuurbes staat in zijn kantoor. Op zijn bureau staan de collectebussen op een rij.
Hij stoft ze af en kijkt op zijn horloge. Het is duidelijk dat hij iemand verwacht. Plotseling komt de burgemeester binnen. Burgemeester Stavast. De wethouder buigt onderdanig voor hem.
De burgemeester zegt: “Wat moet ik hier nou toch komen doen, Zuurbes? Ik zit net mijn toespraak voor de Groezeldamse borduurclub te schrijven en nou krijg ik een raar telefoontje over geld dat onderschept is en eh… over een snelweg?”
“Ja, meneer de burgemeester, excellentie…, kijk…, het zit zo…, kijk!” En de wethouder wijst trots naar de collectebussen.
“Ja, dat zijn collectebussen, Zuurbes, die ken ik. Mijn vrouw collecteert ook wel eens voor de Zonnebloem.”
Wethouder Zuurbes glimlacht. “Ja, maar… meneer de burgemeester. Deze collectebussen heb ik onderschept! Onderschept!”
De burgemeester bekijkt de collectebussen. “Wat bedoelt u nou toch? Hoezo, onderschept?”
“Deze collectebussen liepen ONRECHTMATIG rond. De schoolkinderen liepen ermee rond. Er werd onrechtmatig gecollecteerd, burgemeester. Dus ik heb ze onderschept. En nu hebben wij ruim zesduizend euro voor in onze spaarpot!”
De burgemeester begrijpt er duidelijk niets van. “Spaarpot, Zuurbes? Hebben wij een spaarpot?”
“Ja! Een spaarpot! Voor de snelweg! We gaan een snelweg aanleggen dwars door Groezeldam, burgemeester, zodat we elke dag op de radio komen. En nu heb ik de collectebussen afgepakt, eh…, ik bedoel ingenomen. En nu hebben we al zesduizend euro voor die mooie snelweg!”
De burgemeester begint zich op te winden. “Een snelweg door Groezeldam? Wat een belachelijk slecht idee. En hoe bedoelt u… collectebussen onderschept? U hebt ze gewoon gestolen, wethouder Zuurbes. Bent u helemaal gek geworden? Kom mee! Die collectebussen gaan terug. En daarna heb ik een appeltje met u te schillen!”
De burgemeester pakt een paar collectebussen van het bureau, loopt weg en roept: “Kom mee, Zuurbes!”

Scène 7

De kinderen, de juf en meneer Vleugel staan op het dorpsplein. De burgemeester heeft een enorme cheque in zijn handen. Hij houdt een speech.
“Beste Groezeldammers, u hebt met uw collecte zesduizend euro opgehaald. De gemeente legt daar nog eens een leuk bedrag bovenop. Hierbij hebt u een cheque van tienduizend euro!”
Er volgt een groot applaus. Maar de burgemeester is nog niet klaar. “Dit is een geweldig idee van onze schoolkinderen, om écht iets voor de dieren te doen. Vanaf nu is het in het tehuis voor oude dieren elke dag dierendag!”
Er volgt weer applaus.
“Verder kan ik u melden, dat de plannen voor een snelweg in Groezeldam absoluut van de baan zijn! We hebben betere plannen voor Groezeldam. We gaan een gezellige camping aanleggen achter het dierentehuis. En de kinderen die komen kamperen, mogen komen knuffelen met onze oude dieren!”
En opnieuw is er applaus.
“Omdat de gemeente wil laten zien hoe belangrijk ze het vindt om goed voor onze dieren te zorgen, zal wethouder Zuurbes hoogstpersoonlijk morgen, op dierendag, komen helpen om het dierentehuis op te knappen! Een likje verf. Een nieuw hek. We gaan er iets moois van maken!”
Applaus.
“En vanaf nu hoeft meneer Vleugel geen huur meer te betalen. De huur voor het dierentehuis wordt voortaan door de gemeente Groezeldam betaald!”
Een enorm applaus.
Mijnheer Vleugel, de kinderen, de juf en de burgemeester en alle andere dames en heren, die aanwezig zijn, zijn duidelijk opgetogen. Wethouder Zuurbes staat er een beetje beteuterd bij.
We horen muziek. En iedereen loopt van het toneel af. Behalve wethouder Zuurbes…

Scène 8

Terwijl er weer muziek speelt, loopt wethouder Zuurbes naar het hek. Hij haalt een hamer uit zijn zak. Hij klopt en timmert wat en hangt het bord recht. Daarna verdwijnt ook hij van het toneel…