Duurzame ontwikkeling raakt zowel de wereld van nu als de wereld van later en begint bij de leerlingen. Een wezenlijk onderdeel ervan is de kwaliteit van leefomgeving en sociale participatie.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Doelen en speerpunten

Duurzame ontwikkeling raakt zowel de wereld van nu als de wereld van later. Duurzame ontwikkeling begint bij de leerlingen. De belangrijkste plek van de toekomst ligt bij hen. Een wezenlijk onderdeel daarvan is de kwaliteit van leefomgeving en sociale participatie. Deze kwaliteit ondersteunt de P van People in de cirkel van duurzame ontwikkeling. (Ton Remmers, Duurzame ontwikkeling is vooruitzien, SLO, 2007.)
In dit artikel wordt uitgegaan van de mens en de sociale gevolgen van menselijk handelen. Voor leerlingen gaat het vooral om de verbinding met de directe wereld om hen heen, waarin ze leven, leren, werken en met elkaar omgaan: hun leefwereld. De verwondering, zorg, ervaring en oriëntatie in die leefwereld dienen als uitgangspunt voor dit verhalend ontwerp.
Leren voor duurzame ontwikkeling sluit aan bij de reële, dagelijkse leefwereld van de leerlingen, ouders en leerkrachten. Wij vinden het daarom van groot belang, dat deze werelden samen kunnen komen. Het zou onjuist en irreëel zijn, om de school een exclusieve verantwoordelijkheid te geven voor opvoeding en vorming. Ook thuis en instellingen buiten het onderwijs dienen hun steentje bij te kunnen dragen.
Kinderen moeten leren rekening te houden met de consequenties van hun handelen voor de leef-, woon- en werkomstandigheden van andere mensen, eventueel op andere plekken in de wereld. Kijken over grenzen heen en het ervaren van nieuwe aspecten: dat zijn in dit artikel onze uitgangspunten.

Verhalend ontwerp

Omschrijving

Een verhalend ontwerp is een benadering in de onderwijsleeractiviteiten, die worden “gestuurd” door een doorlopend verhaal. Een verhaal, dat voor een groot deel door de leerlingen wordt gestuurd en/of afgemaakt.
De grootste waarde daarvan is de betrokkenheid in de activiteiten. Leerlingen moeten geboeid raken. En de nieuwsgierigheid moet gewekt worden. Daarnaast moet er een samenhang ontstaan in verschillende vakken en moet er geleerd worden in zinvolle contexten.
De leerlingen sturen de activiteiten voor een deel zelf, maar die activiteiten moeten dan wél planmatig verlopen. Daarom is een goede voorbereiding (met draaiboek) nodig.

Vijf componenten

Daarnaast zijn er vijf belangrijke componenten te noemen in een verhalend ontwerp:

– De verhaallijn. Die vormt de rode draad. De verhaallijn helpt de samenhang vast te houden.
– De episodes. De verhaallijn is onderverdeeld in episodes. Hierin worden de leerlingen actief.
– De sleutelvragen. Dit zijn vragen, die in de verschillende episodes passen. Het zijn eigenlijk vragen, die de kinderen uitdagen om zelf antwoorden te gaan bedenken, om zelf te gaan onderzoeken.
– De incidenten. Die komen voort uit de antwoorden op de sleutelvragen. (Wat gebeurt er? Waar gaan we naartoe?)
– Het wandfries. Alles wat de leerlingen ontwerpen/maken, wordt in een chronologische volgorde opgehangen in het lokaal. Zo groeit het verhaal zichtbaar.

Het belang is, dat kinderen vragen leren stellen, die structuur scheppen en een activiteit zinvol maken.

Verdere uitleg

Draaiboek

In dit artikel is een uitgewerkt verhalend ontwerp te vinden, met betrekking tot duurzame ontwikkeling. Het verhalend ontwerp bevat alle genoemde componenten.
Een verhalend ontwerp staat echter nooit vast. De specifieke benadering zorgt er juist voor, dat de uitwerking verschillende kanten op kan gaan. Toch is een draaiboek in dit geheel van wezenlijk belang.
In het vervolg van dit artikel is een uitwerking van dit draaiboek opgenomen. Het geeft u een beeld van welk effect het verhalend ontwerp kán hebben op de kinderen, als er sprake is van voldoende structuur en planmatig werken, terwijl de eigen inbreng van de kinderen centraal staat!

Verloop

U krijgt een beknopt overzicht van de activiteiten. En diverse gesprekken zijn uitgewerkt. Die illustreren hoe een dergelijk gesprek kan verlopen en welke ideeën daaruit voortkomen. Dit artikel is dan ook gebaseerd op de dagelijkse praktijk. En de ideeën zijn voornamelijk uit de kinderen zelf gekomen. U krijgt hierdoor een overzicht van hoe een dergelijk verhalend ontwerp kan verlopen.
Nota bene. In de internetuitbreiding bij dit artikel staat een beknopte handleiding, die handzaam in het gebruik is als u gaat beginnen. Raadpleeg daarom ook deze handleiding online!

Uitwerking draaiboek verhalend ontwerp

Episode 1: Wat vind ik en wat vind jij?

Verhaallijn

Als de kinderen binnenkomen, staat er midden in de klas een kastje. Op dat kastje staat in sierlijke letters: IK & JIJ = WIJ. De kinderen kijken nieuwsgierig naar het kastje. En het volgende verhaal wordt door u verteld: “Ik was de zolder aan het opruimen. En toen vond ik daar een heel vreemd kastje. Het zat onder het stof. Ik heb het stof van het kastje geveegd. En toen zag ik boven op het kastje een brief. Zal ik die eens voorlezen?”

De brief

Beste vinder van dit kastje!

Ik woon in Darheimnaduuz. Dat is een land, dat niemand op de hele wereld kent. En in dat land woont een boze koning. Die koning heeft een heel groot land. Met lakeien, die voor hem buigen als hij voorbijkomt. Met koks, die door het paleis rennen om de koning genoeg eten en drinken te geven. En met enorm veel ridders, die buiten de wacht houden.
De koning is niet zo lief. Hij vindt dat heel het land goed naar hem moet luisteren! Hij heeft daarom heel strenge regels bedacht voor alle mensen, die in zijn land wonen. De mensen mogen niet meer lachen en niet meer aardig zijn tegen elkaar. De mensen mogen alleen hun huis uit om boodschappen te doen. En de kinderen mogen niet meer spelen. Ze mogen alleen nog maar naar school om te leren.
De koning heeft al die regels bedacht, omdat hij bang is dat er anders niemand meer naar hem zal luisteren. Hij vindt hard werken veel belangrijker dan lachen. En hij vindt dat je beter alleen kunt zijn dan samen met elkaar.
Ook ik woon in dat land. En ik zie dat de mensen steeds verdrietiger worden. En soms ook heel boos op elkaar. Iedereen leeft in zijn eigen huisje. En niemand maakt nog samen plezier. De mensen hebben geen vrienden meer en zijn alleen nog maar aan het werk.
Op mijn zolderkamertje heb ik toen op een dag dit kastje gemaakt. Stiekem, want de koning mocht natuurlijk van niks weten. Ik heb het toen per boot naar Nederland gestuurd. En om het kastje open te krijgen, heb ik een spreuk bedacht. Een geheime spreuk, die ik heb opgeschreven. Want de koning kan één ding niet en dat is lezen.
Als je met de spreuk het kastje openmaakt, zul je in elk laatje iets vinden. Iets dat je samen kunt doen en waar je veel plezier van kunt hebben. Ik weet dat op een dag iemand dit kastje zal vinden en dat er dan iets zal gaan veranderen! Ik hoop dat jullie met dit kastje de koning kunnen laten zien hoe fijn het is om samen te werken en om aardig te zijn voor elkaar.
Probeer alles wat je doet een mooi plekje te geven in de klas. Dan ga ik de koning vertellen dat hij naar jullie school moet komen. En heel misschien verandert er dan wat in ons land. Ik hoop het!

Groetjes van mij!

Spreuk

Na dit verhaal zeggen de kinderen de volgende spreuk op:

Hallo kastje, mogen wij even zien
wat er in jouw laatje zit misschien?
Wij draaien drie keer in het rond
en stampen met onze voeten op de grond.
Jij en ik zijn toch samen wij?
Laatje, ga toch open en maak ons blij!

Gesprek met sleutelvragen

De kinderen vinden na het openen van laatje 1 een vraagtekenkaartje. Vervolgens ontstaat er een gesprek in de kring. De sleutelvragen, behorend bij deze episode, zitten in dit gesprek verwerkt. Voorbeelduitwerking van het gesprek:
Juf “Hé, een vraagteken! Waarom zit dat in het laatje?”
Kind 1 “Om na te denken.”
Juf “Waarover dan?”
Kind 1 “Nadenken over gezellig samen zijn. Misschien moeten we wel dingen doen, die daar mee te maken hebben.”
Kind 2 “Misschien moeten we wel een speurtocht doen en dan dingen zoeken, die daarmee te maken hebben. Of we moeten een kind zoeken, dat eerst alleen is. En als we hem vinden, dan zijn we weer samen. Da’s gezellig, toch juf?”
Juf “Heb je elkaar nodig?”
Kind 1 “Ja, hoor. Bijvoorbeeld om een puzzel af te maken. Alleen zijn is niet gezellig. Dan heb je geen vrienden en kun je niets doen. En als ik ga gymmen en ik vind iets eng, dan ben ik blij als iemand mij wil helpen.”
Kind 2 “Ja, als je iemand helpt, voel je je blij!”
Kind 3 “Ja, vind ik ook. En vrienden kunnen elkaar vertrouwen en elkaar troosten.”
Juf “Hoe kun je dat laten zien? Dat je iemand vertrouwt?”
Kind 1 “Dat weet ik wel! Door foto’s te maken. Dan maak je foto’s, terwijl je elkaar helpt. Dan weet die koning het trouwens ook! Want hij kan niet lezen, maar wél kijken!”

Leeractiviteiten

• De kinderen denken na over de betekenis van de woorden samen en alleen.

• De kinderen denken verder. Ze filosoferen en leren, dat alle kinderen verschillende antwoorden kunnen geven en dat al die antwoorden goed zijn. Omdat het eigen gedachten zijn, die niet als goed of fout zijn te definiëren.

• Kinderen stellen voortdurend vragen. Filosoferen met jonge kinderen geeft een eerste aanzet tot het ontwikkelen van een eigen mening.

• Boekentip: Jij daar! (door Chris Raschka, Zirkoon Uitgevers). U kunt dit boek ook eventueel laten uitspelen, om het gevoel van vriendschap te benadrukken. Dit is een mooie dramavorm.

Wandfries

Het vraagtekenkaartje wordt vervolgens aan de muur bevestigd en dient als start voor het wandfries. Een wandfries geeft een duidelijk beeld van de vooruitgang, in chronologische volgorde.

Episode 2: Klik!

Gesprek met sleutelvragen

De volgende activiteit vindt plaats naar aanleiding van het eerste startgesprek. In het kastje vinden de kinderen het tweede onderdeel in laatje 2: een fotocamera. De volgende sleutelvragen worden daarbij gesteld:

– Waarom maken mensen foto’s?
– Wat doe je met foto’s?
– Hoe moet je een fototoestel vasthouden?
– Hoe kun je met foto’s laten zien dat je elkaar helpt?
– Hoe kun je met foto’s laten zien dat je elkaar vertrouwt?

Vertrouwen

Door middel van deze (en andere) vragen worden de kinderen uitgedaagd om verder na te denken over het aspect vertrouwen. De kinderen bedenken zelf situaties/posities, die het woord vertrouwen uitbeelden. Ze kunnen bijvoorbeeld denken aan:

– je hand op iemands schouder leggen;
– helpen tijdens de gymles;
– helpen met een werkje;
– een arm op iemands schouder leggen.

Nota bene. Ook tijdens een kringgesprek kunnen aspecten van vertrouwen worden besproken.

Foto’s

Van alle ideeën worden door de kinderen daarna zelf foto’s gemaakt, die weer aan het wandfries worden bevestigd.

Episode 3: Kan ik jou vertrouwen?

Gesprek met sleutelvragen

Voortbordurend op episode 2 volgt onderstaande activiteit. De kinderen vinden in laatje 3 een blinddoek. De volgende sleutelvragen worden daarbij gesteld:

– Waarom zou er een blinddoek in het kastje zitten?
– Hoe voel je je, als je niets kunt zien?
– Wie heb je nodig, als je niets kunt zien?
– Wat zou je doen, als je niets kunt zien?
– Wie durft er een blinddoek voor zijn/haar ogen te doen? En wie durft dit geblinddoekte kind dan te helpen?
– Wie durft er buiten een rondje te lopen, met een blinddoek voor zijn/haar ogen? Durf je het eerder, als een maatje jou begeleidt?

Samenwerkingsparcours

Bij het naar buiten gaan ontdekken de kinderen al snel het parcours, dat opgesteld is. Er zijn gymmaterialen opgesteld, zoals: pylonen, hoepels, rubberen handjes en voetjes, touw en banken. Terwijl het ene kind een blinddoek voor zijn/haar ogen heeft, begeleidt het andere kind hem/haar. De bedoeling is, dat de rubberen handjes en voetjes gevolgd worden. (Of dat de pijlen worden gevolgd, die gemaakt zijn met stoepkrijt.) Voetje voor voetje lopen de kinderen het parcours.
Bij terugkeer in de klas roept een kind: “Dat was lollig. Ik moest nu mijn oren gebruiken in plaats van mijn ogen!”

Leeractiviteiten

• De kinderen leren over vertrouwen.

• De kinderen leren samenwerken.

• De kinderen leren wat het betekent als je niets kunt zien. En ze proberen zich daar een voorstelling bij te maken.

Wandfries

Aan het wandfries kunnen bijvoorbeeld een rubberen handje en een blinddoek worden bevestigd. Deze attributen geven dan voldoende de uitgevoerde activiteiten weer.

Episode 4: Wat zie jij er hetzelfde uit?!

Gesprek met sleutelvragen

Gesprek met sleutelvragen:

Juf “Hoe zien deze kinderen eruit?”
Kind 1 “Ze dragen allemaal dezelfde kleren, juf!”
Juf “Hoe zou dat komen, denk je?”
Kind 2 “Misschien omdat ze dat leuk vinden.”
Kind 3 “Misschien heeft elke klas een ander kleurtje aan. Dit is een blauwe klas. Maar misschien is er ook wel een groene klas! Die kinderen dragen dan allemaal groene kleren!”
Klas (De klas lacht.)
Juf “Hebben er mensen in Nederland ook dezelfde kleren aan?”
Kind 1 “Uh…, nee!”
Kind 2 “Jawel, de mensen van de brandweer!”
Kind 3 “Ja. En ook de mensen van de politie!”
Juf “Waarom zou dat zijn, denk je?”
Kind 4 “Omdat je dan kunt zien wie er bij de politie zit. Of omdat je dan kunt zien dat iemand bijvoorbeeld in het ziekenhuis werkt.”
Juf “Maar waarom hebben de kinderen op de foto dan dezelfde kleren aan?”
Kind 5 “Nou, omdat mensen misschien tegen een kind zeggen: “Hé, heb jij een nieuwe trui aan?” En dat vindt een ander kind dan misschien niet leuk, omdat de ouders van dat kind geen geld voor nieuwe kleren hebben en dat kind dus nooit nieuwe kleren krijgt.”
Juf “Zouden jullie er hetzelfde uit willen zien?”
Klas (De klas lacht.)
Kind 1 “Ik weet het niet. Maar het is wel grappig. Dan moeten we allemaal in hetzelfde kleurtje naar school!”
Juf “Dat lijkt me leuk. Wat zouden we daarvoor moeten doen?”
Kind 2 “Een kleur afspreken!”
Juf “De kleur wordt blauw, want die kleur heeft iedereen wel thuis. Denk bijvoorbeeld maar aan je schoolshirt. Maar hoe vertellen we dat aan de papa’s en mama’s?”
Kind 1 “Dat vertellen we ze gewoon.”
Kind 2 “En als mama en papa het nou vergeten?”
Kind 1 “Dan zeggen we het nóg een keer. Ik kan heel goed dingen onthouden!”
Juf “Maar kan iedereen dat?”
Kind 1 “Hmmm…”
Juf “Wat dacht je van een brief?”
Kind 2 “Ik kan nog niet schrijven!”
Juf “Maar wél kleuren…!”
Kind 3 “Ja, cool. Ik ga een brief kleuren, zodat mijn papa en mama het niet vergeten!”

Hetzelfde zijn

Na dit kringgesprek gaan de kinderen hard aan de slag met hun eigen brief. Ze tekenen vooral poppetjes in dezelfde kleuren. En ook de kledingstukken komen aan bod. Ze overhandigen de brief zelf thuis aan hun ouders. Ook op school hangt er een brief op de voordeur.
Nota bene. De tekst van de ouderbrief treft u hieronder aan. Bovendien is de brief als pdf-bestand opgenomen in de internetuitbreiding bij dit artikel, zodat u hem eenvoudig kunt downloaden, aanpassen en vermenigvuldigen voor uw groep.
De kleuters moeten op de afgesproken dag allemaal in dezelfde kleur kleding naar school komen. Op de bewuste dag wordt er veel gefilosofeerd over hetzelfde zijn. In een binnen- en een buitenkring vertellen de kinderen aan elkaar hoe ze zich voelen en hoe de kinderen in het buitenland zich nu zullen voelen.
Ook worden er foto’s gemaakt, die later weer worden bevestigd aan het wandfries.

Leeractiviteiten

• De kinderen denken na over een cultuurverschil tussen Nederland en Engeland, op het gebied van klederdracht.

• De kinderen ervaren, dat hetzelfde eruitzien betekent, dat je méér gaat kijken naar hoe lief, aardig of bijzonder de ander is.

• De kinderen moeten allemaal één dag in een spijkerbroek en een T-shirt (in één bepaalde kleur) naar school komen. Voor één dag voelen ze zich net als de kinderen in Engeland.

• De kinderen bedenken dat er een brief moet komen voor de ouders/verzorgers, om ze te informeren.

Ouderbrief

Geachte ouder(s)/verzorger(s),

In de groep zijn we bezig met een project over duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling hoort bij nu en de wereld van later. Duurzame ontwikkeling zorgt ervoor, dat we bewuster omgaan met de wereld en ons steentje daaraan bijdragen.
Leren over duurzame ontwikkeling sluit aan bij de reële, dagelijkse leefwereld van kinderen, ouders en leerkrachten. We vinden het daarom van groot belang, dat deze werelden samen kunnen komen in het onderwijs.

We hebben het deze weken over IK & JIJ = WIJ. In dit project laten we zien hoe belangrijk het is om zowel naar anderen als naar jezelf te kijken. We willen u daarom vragen om op (dag/datum) … uw kind naar school te laten komen in een (kleur) … T-shirt en een spijkerbroek. We willen deze dag filosoferen met de kinderen, om op die manier bewust bezig te zijn met anders zijn, overeenkomsten en respect voor de ander.

Voor de kinderen gaat het vooral om de verbinding met de directe wereld om hen heen, waarin ze leven, leren, werken en met elkaar omgaan: hun leefwereld. Daarom willen we dat de kinderen zich op deze manier verwonderen en ervaren hoe het is om er hetzelfde uit te zien.

Alvast vriendelijk bedankt voor uw medewerking!

(Naam van de leerkracht) …

Episode 5: Wat ben je mooi, zo mooi!

Gesprek met sleutelvragen

In laatje 5 vinden de kinderen een kwast, met een briefje, waarop staat: Mooi! De volgende sleutelvragen worden met de kinderen besproken:

– Wat is mooi zijn?
– Wat vind jij mooi aan … (naam van een kind)?
– Wat valt jou op?
– Waarom zit er een kwast in het laatje? Wat zouden we daarmee moeten doen?
– Hoe kun je op papier laten zien wat je mooi vindt aan … (naam van een kind)?
– Wat gebruik je daarbij? (Verf, wasco, houtskool, kleurpotloden, enzovoort.)

Uiterlijke kenmerken

De kinderen benoemen eerst in een kringgesprek wat ze mooi vinden. En vervolgens gaan ze met een specifiek onderdeel aan de slag.
Daarna worden alle “mooie” tekeningen aan het wandfries gehangen. Het doel is, dat de kinderen leren te benoemen wat ze mooi vinden aan de ander. Het gaat hier om uiterlijke kenmerken. Daarnaast krijgen de kinderen complimenten van elkaar. En ze leren zelf te kiezen uit de aangeboden materialen.

Leeractiviteiten

• De kinderen mogen met zelfgekozen materiaal (krijt, potloden, stiften, verf, enzovoort) een tekening maken van een ander kind.

• De kinderen leren te benoemen wat ze mooi vinden aan de ander.

• De kinderen krijgen complimenten van elkaar.

• De kinderen krijgen allemaal een maatje. Ze moeten hun maatje tekenen of schilderen. Daarna overhandigen ze de tekening aan elkaar.

Episode 6: Ik neem je mee aan de hand

Gesprek met sleutelvragen

Bij laatje 6 komen er twee handpoppen naar buiten. In een gesprek met de poppen leren de kinderen meer over beleefdheidsnormen. Voorbeelduitwerking van het gesprek/poppenspel:

“Tjonge jonge, wat heb ik lekker geslapen!” Handpop 1 rekt zich uit en geeuwt uitbundig.
“Je moet je hand voor je mond houden als je geeuwt!” zegt handpop 2 waarschuwend. “Ik kan zelfs bijna zien wat je gegeten hebt vanmorgen!”
“Ja, mijn boterham met pindakaas was reuze lekker.” Handpop 1 lacht hardop.
“Dat is niet beleefd,” zegt handpop 2 zuchtend.
“Wat is dat nou weer voor raar woord, beleefd?” reageert handpop 1.
“Nou, dat je netjes bent. Dus bijvoorbeeld dat je je hand voor je mond houdt als je geeuwt,” zegt handpop 2.
“Dat vind ik onzin. Dat moet ik toch lekker zelf weten,” zegt handpop 1.
“In Nederland is het goed om beleefd te zijn. Wie van jullie weet iets te noemen? In welke situaties is het goed om beleefd te zijn?” Handpop 2 kijkt vragend naar de kinderen. (De kinderen geven diverse antwoorden.)
“Tjonge jonge, ik wist niet dat beleefd zijn zo belangrijk was in Nederland. Is dat overal in de wereld zo, denken jullie?” Vragend kijkt handpop 1 naar de kinderen. (De kinderen geven diverse antwoorden.)
“Ik vind het zo veel. Hoe kan ik dat toch allemaal onthouden?” zucht handpop 1. (De kinderen geven diverse antwoorden.)
“Daar weet ik wel wat op! Lieve kinderen, als jullie nou eens gaan toneelspelen? Dan speel je wanneer je beleefd moet zijn. De andere kinderen kijken mee. En daar leren wij dan allemaal weer van!” reageert handpop 2 enthousiast.

Leeractiviteiten

• De kinderen geven spelenderwijs antwoord op de sleutelvragen, die in het poppenspel verweven zitten.

• De kinderen leren na te denken over de manier(en) waarop je beleefd kunt zijn in Nederland.

• De kinderen spelen verschillende situaties uit en zijn zich ervan bewust, dat er een écht publiek is, dat zij wat moeten leren.

Episode 7: We kunnen niet zonder elkaar

Gesprek met sleutelvragen

Als de kinderen die ochtend de klas binnenkomen, heeft de juf losse veters in haar schoenen. Ze zucht en zegt: “Veters strikken is zo lastig. Ik heb vanochtend al drie keer mijn veters gestrikt, maar iedere keer gaan ze weer los. Het lukt me gewoon niet!” De kinderen willen allemaal helpen. Maar één kind mag de veters van de juf strikken.
In laatje 7 van het kastje vinden de kinderen een plaatje van een schoen met veters. De volgende sleutelvragen worden met de kinderen besproken, nadat het laatje is geopend:

– Waarom staat er op het plaatje een schoen met veters?
– Hoe voelt het om iemand te helpen?
– Waar kun je anderen nog meer mee helpen vandaag?
– Waarom kun je niet alles alleen?
– Kunnen grote mensen alles alleen?

In laatje 7 zit ook een liedje over helpen. Het liedje wordt gezongen op de wijs van Vader Jacob.

Als jij mij helpt, als jij mij helpt,
help ik jou, help ik jou.
Zoals met veters strikken, zoals met veters strikken.
Dat voelt fijn, dat voelt fijn.

Als jij mij helpt, als jij mij helpt,
help ik jou, help ik jou.
Zoals een spelletje spelen, zoals een spelletje spelen.
Dat voelt fijn, dat voelt fijn.

Als jij mij helpt, als jij mij helpt,
help ik jou, help ik jou.
Zoals een laatje openen, zoals een laatje openen.
Dat voelt fijn, dat voelt fijn.

De kinderen gaan samen puzzels en spelletjes doen. Bij de presentatie (episode 8) kan het liedje aan het wandfries bevestigd worden. Een paar kinderen kunnen het liedje zingen en uitbeelden.

Leeractiviteiten

• De kinderen ervaren, dat volwassenen ook hulp nodig hebben.

• De kinderen voelen, dat het leuk en prettig is om een ander te helpen.

• De kinderen kunnen bedenken, dat je eigenlijk niet zonder elkaar kunt.

• De kinderen leren, dat om hulp vragen “de gewoonste zaak van de wereld” is.

Episode 8: Presentatie aan de koning van Darheimnaduuz & ouders

Gesprek met sleutelvragen

Laatje 8 bevat een foto van het wandfries. De kinderen worden uitgedaagd om hun wandfries te gaan presenteren aan de koning en aan de ouders/verzorgers. De volgende sleutelvragen komen naar voren:

– Wie zou ons wandfries willen zien?
– Hoe kunnen we vertellen dat het wandfries hier staat?
– Wie durft bij het wandfries te vertellen?
– Wat vond je het leukst van het kastje?
– Waar ben je het meest trots op?

De kinderen vertellen aan hun ouders wat ze de afgelopen weken gedaan en beleefd hebben. Ze vertellen over de koning en hoe ze hem nu willen laten zien hoe belangrijk het is om samen plezier te maken.

Brief van de koning

Aan het eind van deze episode ontvangen de kinderen een brief van de koning! Hij schrijft, dat hij van gedachten is veranderd en dat hij de strenge wetten in zijn land niet meer zal uitvoeren. (Zie de brief hierna.)
Tip. Het is leuk om bijvoorbeeld een ouder of een collega nu als échte koning te laten fungeren.

Beste kinderen,

Een man uit mijn land Darheimnaduuz vertelde, dat ik bij jullie een kijkje moest komen nemen. Eerst was ik erg boos, want dit was tegen de regels! Ik hield niet van vriendelijk en aardig zijn! Maar de man keek me heel verdrietig aan. En toen besloot ik om tóch maar eens te komen kijken. Ik moest namelijk sowieso in Nederland zijn om lekkere haring te halen voor op de markt, dus ik dacht: ach, waarom ook niet?

Gisteren heb ik stiekem om het hoekje gekeken in jullie klas. Daar zag en leerde ik, dat het juist heel erg belangrijk is om vriendjes te hebben. Ik leerde, dat je heel veel voor elkaar kunt betekenen en dat samen altijd beter is dan alleen.

Ik wil jullie daarom heel erg bedanken, dat jullie dit voor elkaar en voor mij hebben gedaan. Terug in mijn land heb ik meteen een groot feest gegeven. Ik merk nu pas hoe belangrijk het is om vriendelijk te zijn tegen elkaar.

Dank jullie wel, lieve kinderen!

Groetjes van de aardige koning!

Leeractiviteiten

• De kinderen blikken terug op alle activiteiten.

• De kinderen leren verwoorden waar ze trots op zijn of waar ze blij van worden.

• De kinderen denken na over het onder de aandacht brengen van het wandfries. (Uitnodiging tekenen en verspreiden?)

• De kinderen denken na over de presentatie aan de ouders/verzorgers en/of de kinderen/leerkrachten van de school. (Kinderen presenteren elk onderdeel en maken daar afspraken over.)

• De kinderen ontvangen een brief van de koning, als bedankje voor hun harde werk. Veel succes!