Wie kent ze niet? De gekleurde, grote, houten blokken, hekken, mensen en dieren, waarmee kleuters hun eigen wereld kunnen nabouwen. Veel gangen en speellokalen van basisscholen worden in beslag genomen door dit houten speelgoed. Schoolleveranciers vermelden deze bouwmaterialen onder de naam Wereldspel in hun catalogus. En bijna alle basisscholen hebben dit bouwmateriaal.
De laatste decennia wordt de naam Wereldspel echter ook veelvuldig gehoord in het remediërende circuit van remedial teachers, orthopedagogen en andere onderwijsbegeleiders. Dit Wereldspelmateriaal heeft niets te maken met het reeds genoemde kleuterbouwmateriaal. Integendeel, het is een gestandaardiseerd onderzoeksinstrument onder licentie, dat gebruikt wordt bij onderwijskundige onderzoeken en diagnosticerende gesprekken.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Onderzoeksinstrument

Veel leerkrachten en onderwijskundigen zijn (nog) onbekend met dit specifieke Wereldspelmateriaal en het grote nut ervan bij het begeleiden van kinderen. Met dit artikel hoop ik, als bevoegd onderzoeker en opleider, een tipje van de sluier op te lichten over het Wereldspel als onderzoeksinstrument.
Leerkrachten, orthopedagogen en remedial teachers, die reeds met dit materiaal werken, zijn enthousiast. Het is een waardevolle aanvulling bij het begeleiden van kinderen. Ik hoop dan ook dat meer scholen na het lezen van dit artikel het Wereldspel én de bijbehorende kennis “in huis” zullen halen, zodat kinderen sneller en effectiever onderzocht en begeleid kunnen worden.

Elementen en categorieën

Het Wereldspel bestaat uit 160 kleine, meestal houten elementen, uit de leefomgeving van mensen. De elementen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën:
– Huizen (groot en klein), daken en torens.
– Voertuigen (auto’s, vrachtauto’s, locomotief, tractor, ziekenauto).
– Mensen (volwassenen, kinderen, agent, soldaten).
– Bomen (groot en klein).
– Dieren (tamme dieren, wilde dieren).
– Hekken en verkeersborden.

26-03-01-01

Materiaalkenmerken

Neutraal

– De verschillende elementen zijn zodanig vervaardigd, dat geen enkel element expliciet opvalt. Kleur, vorm en grootte van de elementen zijn neutraal. Als alle elementen op een grote hoop liggen, springt geen enkel element eruit.
– Het materiaal is zo duidelijk van structuur, dat het zich niet leent voor een ander gebruik dan waarvoor het bedoeld is: het bouwen van een dorp.
– Het zijn allemaal elementen die men buitenshuis aantreft, waarbij moet worden aangetekend, dat de elementen ook niet consequent in verhouding zijn. De mensen zijn bijvoorbeeld groter dan de huizen. Dit alles heeft een duidelijke bedoeling.

26-03-01-02

Non-verbaal

Het Wereldspel wordt ingezet als non-verbaal onderzoeksinstrument. Dat betekent, dat het kind er niets bij hoeft te zeggen. Het kind kan vrijuit bouwen, zonder dit verbaal te hoeven ondersteunen of uitleggen. En dat is heel effectief bij niet-talige kinderen (dyslexie, allochtoon) of faalangstige kinderen.

Preventief

Het Wereldspel is uitsluitend bedoeld als preventief en oriënterendonderzoeksinstrument. De gegevens die bij het onderzoek naar voren komen, leveren een bijdrage aan de totstandkoming van een handelingsplan, zowel op leergebied als op het sociaal-emotionele vlak.

Licentie

Het aanschaffen van (en het werken met) het Wereldspel is gebonden aan een licentie. Alleen opgeleide en bevoegde leerkrachten en onderwijskundigen mogen het Wereldspel aanschaffen en ermee werken.
De opleiding kan op twee plaatsen worden gevolgd: bij Bureau Ojemann (Groningen) en bij Instituut Kind in Beeld/Bureau Bezem (Noord-Holland).

Historie

Floor games

In 1911 publiceert H. G. Wells een boekje, onder de naam Floor games. Hierin beschrijft hij hoe hij de verbeelding en de vindingrijkheid van zijn zoon gestimuleerd heeft, door samen steden te bouwen met behulp van houten speelgoedelementen. Niet alleen verwerkt zijn zoon persoonlijke elementen in de bouwwerken. Maar ook zijn toekomstige mogelijkheden komen naar voren.

Welttechnik

Omstreeks 1925 is Margaret Löwenfeld – na het lezen van het boekje van Wells – op zoek naar allerlei speelgoedjes en materialen. Ze zoekt met haar Welttechnik naar een manier, om uitingen van kinderen in een regelgeving vast te leggen en te interpreteren. Zij let vooral op leeftijdsovereenkomstig gedrag en persoonsbepaalde kenmerken. Ze plaatst het materiaal in de therapeutische sfeer.

Inzicht in gedragspatronen

Ongeveer gelijktijdig geeft Melanie Klein in haar geschriften aan, dat ze het idee heeft om spelmateriaal te gebruiken, als uitgangspunt voor psychoanalytische behandeling van kinderen. De manier, waarop het kind omgaat met het spelmateriaal geeft inzicht in de gedragspatronen, die in het spel tot uitdrukking worden gebracht.

Meer criteria

Na een bezoek aan Margaret Löwenfeld besluit Charlotte Bühler omstreeks 1955 om nader onderzoek te gaan doen naar het omgaan met het Wereldspelmateriaal. Ze gaat daarbij uit van de ontwikkeling van het kind en ze sluit aan bij de symptomatische verklaringswijze van Margaret Löwenfeld. Tegelijkertijd werkt ze aan het standaardiseren van het spel. Ze gebruikt het Wereldspelmateriaal als test, om het gedrag en de intelligentie van een kind te meten en een projectie te maken.
Charlotte Bühler legt ook meer criteria aan. (Hoeveel elementen gebruikt een kind? Welke elementen ontbreken of zijn veelvuldig aanwezig? Welke vorm heeft het bouwsel?)

Standaardiseren

Onder leiding van Charlotte Bühler doet Margaret van Wijlick in 1936 een poging om de standaardisering uit te werken. Van Wijlick is vooral geïnteresseerd in de invloed, die leeftijd en ontwikkelingsniveau hebben op de wijze van omgaan met het materiaal. Zij benadrukt – evenals Charlotte Bühler – het ontwikkelingspsychologische aspect. In datzelfde jaar (1936) komt het Wereldspel naar Nederland. Jarenlang wordt het spel gebruikt op de Werkplaats van Kees Boeke in Bilthoven.

Normen

In 1947 sluit L. N. J. Kamp (arts en psychiater) aan op het werk van Van Wijlick. Hij zoekt naar normen, in de vorm van leeftijdscriteria. (Welke wijze van omgaan met het materiaal heeft op een bepaalde leeftijd de voorkeur? Met andere woorden: hoe bouwt een kleuter, hoe bouwt een achtjarige en hoe bouwt een twaalfjarige?)

Vier categorieën

In de periode vanaf 1900 tot omstreeks 1950 zijn dus verschillende mensen – vanuit verschillende disciplines – bezig geweest met het Wereldspelmateriaal als onderzoeksinstrument. Ondanks de zeer verschillende uitgangspunten zijn er toch ook veel overeenkomsten te vinden. Steeds komen vier categorieën naar voren:
1 De mentale leeftijd.
2 De karakterstructuur.
3 Het cultuurpatroon.
4 De eigen wereld.

Nel Ojemann

Signaleren en verhelderen

In 1950 maakt pedagoge Nel Ojemann kennis met het Wereldspel door de publicatie van Kamp. Zij past deze kennis toe bij haar studiescriptie, met als titel: Het verschil in de wijze van uitwerking van het Wereldspel door het al dan niet dyslectische kind.
De gepubliceerde ervaringen van logopediste Maria J. Krabbe in haar boek Beelddenken en woordblindheid (1951) – dat kinderen met lees- en taalbelemmeringen niet alleen op leergebied problemen ondervinden, maar ook gedragsmatig afwijken van “gewone” kinderen – zetten Nel Ojemann aan tot verder onderzoek.
Ojemann gebruikt het Wereldspel om de verschijnselen van dit anders zijn te signaleren en te verhelderen. Zij ziet het Wereldspel als preventief onderzoeksinstrument: een manier om problemen voor te zijn en een handvat voor het maken van een handelingsplan.

Drie aspecten

In de jaren die volgen, wordt er – door onderzoek en praktijkervaringen – veel aandacht besteed aan de standaardisering en de vormgeving van het Wereldspel. Dit alles resulteert in 1976 in een eerste handleiding voor observatie, uitwerking en beoordeling van het eindproduct van het Wereldspel.
Tot op heden wordt het Wereldspelmateriaal door veel onderwijskundigen gebruikt als onderzoeksinstrument, waarbij steeds drie vaste aspecten aan de orde komen:
1 Het cognitieve aspect. (Hoe verkent het kind de wereld om zich heen?)
2 Het affectieve aspect. (Hoe beleeft het kind zijn (of haar) wereld?)
3 Het pedagogische aspect. (Hoe hanteert het kind zijn (of haar) wereld? Hoe gaat hij (of zij) ermee om?)
Daaruit voortvloeiend kun je dan de vraag stellen: hoe moeten we dit kind onderwijzen?

Inzicht

Het Wereldspel wordt altijd gebruikt als toegevoegd onderdeel in een compleet Individueel Onderwijskundig Onderzoek (IOO) of in combinatie met reeds eerder verkregen onderzoeksgegevens. Het feitelijke onderzoek met het Wereldspel zelf neemt ongeveer 15 minuten tijd van het kind in beslag. In deze korte tijd bouwt het kind een dorp en krijgt de onderzoeker – bij analyse – inzicht in alle drie de aspecten van het kind, zoals die hierboven zijn genoemd.

Onderzoek

Werkwijze

– Het onderzoek wordt individueel afgenomen, in een rustige ruimte, op een speciaal daarvoor gereedstaande tafel.
– De onderzoeker bekijkt allereerst – samen met het kind – alle verschillende elementen uit het Wereldspel, die als een grote hoop op tafel liggen.
– Dan krijgt het kind de opdracht om een dorp te bouwen.
– Tijdens het bouwen wordt er in principe niet gesproken. De onderzoeker observeert (en noteert).
– Als het dorp klaar is (en dat is meestal tussen de tien en de twintig minuten), mag het kind vertellen wat hij (of zij) gebouwd heeft. De onderzoeker luistert. En dan is het feitelijke onderzoeksgedeelte beëindigd.
– Het beoordelen van wat er door het kind gebouwd is, gebeurt achteraf, aan de hand van een notatieformulier.

Gegevens

De gegevens, die – samen met de andere onderzoeksresultaten – naar voren komen, zijn zeer waardevol voor de ouders, de leerkracht en het kind zelf. Ervaring leert dat remedial teachers, psychologen, logopedisten en orthopedagogen, die werken met het Wereldspel, veel dieper en effectiever naar voren halen wat er speelt bij een kind, zowel op leergebied als op sociaal-emotioneel gebied. En… het kost hen maar vijftien minuten extra onderzoekstijd!

Indicaties

Beeld of taal?

Allereerst komt uit het gebouwde dorp naar voren, of het kind nog veel in beelden denkt (analoog, divergerend, ruimtelijk-visueel) en of het talige denken (analytisch, convergerend, detailgericht) hierbij in het geding komt. Dit is een belangrijk gegeven voor leerkrachten. Methoden zijn immers talig, waardoor communicatieproblemen ontstaan bij het aanbieden van de leerstof. Niet de leerstof is vaak het probleem, maar de manier van overbrengen! Als dit op tijd wordt gesignaleerd, kunnen problemen (lijkend op dyslexie) voorkomen worden.
In het dyslexieprotocol, dat de meeste scholen hanteren, staan criteria van dyslexie. Deze criteria komen grotendeels overeen met die van het nog te veel in beelden denken. In tegenstelling tot dyslexie is beelddenken echter géén structureel probleem! Een kind kan het talige denken – met een juiste begeleiding – gewoon aanleren, waardoor de specifieke leerproblemen kunnen verdwijnen.
Door onwetendheid van leerkrachten worden kinderen vaak ten onrechte als dyslectisch aangemerkt. En dat blokkeert onbewust de motivatie bij kind, ouder én leerkracht. (“Ik ben dyslectisch. Dus dat gaat toch nooit over!”)

Persoonlijkheidskenmerken

Wat ook uit het gebouwde dorp naar voren komt – en wat door onderzoekers als zeer waardevol wordt ervaren – zijn indicaties van persoonlijkheidskenmerken van een kind, die op dat moment spelen. Bijvoorbeeld: agressie, protestgevoelens, communicatieproblemen, (faal)angst en zelfs persoonlijkheidsstoornissen en opvoedingsproblemen.
Als die dingen aan de orde zijn, haalt een ervaren onderzoeker deze kenmerken direct uit het gebouwde dorp, aan de hand van een checklist. De afgegeven signalen kunnen in een gesprek met de ouders en de leerkracht heel waardevol zijn. De ervaring leert, dat zo onderliggende problemen bespreekbaar worden, waardoor ook op het gebied van leren weer ruimte komt voor het kind.
In de praktijk blijkt, dat remedial teachers die met het Wereldspel werken, nieuwe leerlingen eerst laten bouwen. Dat is voor het kind een rustig begin. En het geeft een goede kijk op hoe het kind denkt, handelt en voelt, waardoor het een waardevolle aanvulling is op de verdere onderzoeken en/of begeleiding.

Cognitie

Als laatste kan uit het onderzoek een indicatie komen omtrent het cognitieve niveau van een kind. Er is een duidelijke, gestandaardiseerde onderverdeling gemaakt, waarbij leeftijdsovereenkomstige kenmerken worden gebundeld.
De manier van bouwen geeft aan hoe het kind zijn (of haar) wereld ordent. Hierdoor ontstaat inzicht in de cognitieve vermogens van het kind. Met behulp van de normering blijkt dan of een kind gemiddeld, onder het gemiddelde of bovengemiddeld scoort. De ervaring leert dat veel hoogintelligente kinderen (snelle denkers) door eventuele talige problemen op school niet zo uit de verf komen. Met het non-verbale Wereldspel komt dan naar voren, dat ze wel degelijk bovengemiddeld scoren en is verder onderzoek gewenst.

Belangrijk

Werken met het Wereldspel is verrijkend, vult aan en blijkt steeds weer effectief te zijn. Scholen, die een bevoegde leerkracht hebben, die met behulp van het Wereldspel kinderen kan screenen op beelddenken, cognitie en persoonlijkheidskenmerken, kunnen sneller en gerichter werken. En dit voorkomt onnodige problemen.

Informatie

Er is in Nederland en België reeds een behoorlijk netwerk van bevoegde onderzoekers aanwezig, die scholen ondersteunen. Maar het zou ideaal zijn, als iedere school de kennis ook in huis zou halen.

Marion van de Coolwijk (van Instituut Kind in Beeld) en Anneke Bezem (van Bureau Bezem) leiden samen onderzoekers op en geven voorlichting op scholen. De effectieve training Beeld en Brein® is ook onderdeel van deze samenwerking. Een netwerk van onderzoekers en trainers beslaat alle regio’s van Nederland.

Informatiebronnen

• Nel Ojemann / Joos Ockels, Het wereldspel in perspectief, Sartorius, 1996.
• A. Bezem & M. van de Coolwijk, Beelddenken in de praktijk, ISBN 978 90 808754 1 4.
• Websites:
www.kindinbeeld.nl
www.beelddenkenindepraktijk.nl
www.ojemann.nl