Het was een wat rommelige weeksluiting geweest. Zelfs bij het optreden van Guusje (zes jaar), met zijn viool, was niet iedereen vol aandacht. Jammer. De vader van Guusje kwam na afloop naar me toe.

“Ik ben niet tevreden,” zei hij.
Ik schrok. “Meneer, het is toch niet erg dat er door kleine Guus soms een nootje gekraakt wordt. Hij is pas zes!”
“Nee, daar gaat het niet om,” zei Guusjes vader. “Waar ik niet tevreden over ben, is het publiek. En dat komt door de leerkrachten. U hebt namelijk wél podiumacts voorbereid, maar aan uw publiek hebt u niets gedaan. Het enige dat u gedaan hebt, is boos kijken.”
Ik keek hem verbaasd aan. “Wat bedoelt u?”
“Ze wiebelden, ze klierden… Mevrouw, als er ergens op de wereld een voorstelling, concert, speech of wat dan ook op een podium is en het publiek dat erbij is, weet niet waar het voor komt, kan het niet goed zien, heeft het koud, zit niet goed, had iets anders verwacht, snapt er niets van of wou eigenlijk thuiszitten, dan zal het podium het verliezen. Zelfs de meest briljante artiest gaat dan ten onder. En het rare is, dat het podium altijd de schuld krijgt, ook als het mislukken van de show aan iets anders lag. Neem vandaag. Hier zaten tijdens de weeksluiting kinderen op een koude vloer, het duurde allemaal veel te lang en ze wisten niet wat er allemaal komen zou. Al was Guusje met z’n viool het achtste wereldwonder geweest, dan nóg hadden ze zitten wiebelen.”

Guusjes vader werd nu fanatiek.

“Stel, u zit lekker thuis thee te drinken. Plotseling roept iemand u met luide stem bij uw naam, u moet van de bank af en ergens naartoe. U komt in een achterafzaaltje met rotstoelen en er gaat iemand vioolspelen. Is dat uw gedroomde avondje uit? Nee, toch? Maar zo gaat het wél met kinderen op school. U moet ze vanaf nú gaan voorbereiden op hun rol als toeschouwer. Ga eens toneel met ze spelen. De rol die ze moeten spelen, is die van publiek. Wedden dat ze zich mooi aankleden, relaxed aan komen wandelen, rondkijken wie er zijn en wat ze aan hebben, minzaam knikken naar bekenden? Ze nemen ontspannen plaats op een voor hen gereserveerde stoel. Vol verwachting voor wat komen gaat. Samengevat: je hebt voorpret, je kleedt je er voor om, je komt leuk binnen en je hebt een goede plaats. Nou, datzelfde moet hier op school ook gebeuren!”

Ik keek wat verbaasd.

Die vader van Guusje kon het mooi vertellen. Maar deze school was géén stadsschouwburg!
Maar hij hield vol. “Mevrouw, bij de volgende weeksluiting doen we het zo: iedereen krijgt ‘s morgens in de klas een flyer, die voor voorpret zorgt. De leerlingen lenen van hun opa een stropdas of van de buurvrouw een nepparelketting en doen die om. De zaal ziet er piekfijn uit. De stoelen zijn vooraf klaargezet en er zijn netjes geklede zaalwachten, die iedereen een plaats geven. Bij de deur staan een paar lakeien, die de bezoekers welkom heten. Als de weeksluiting bijna begint, is er een bescheiden belletje, het licht wordt wat gedimd en er is géén pedagogisch dreigend welkomstwoord. De zaalwachten lossen eventuele probleempjes met een glimlach op. En het eerste nummer moet staan als een huis. De rest is een kwestie van vaart en timing. En volgende week kom ik verkleed als lakei.”

Zo gebeurde het.