Wanneer uw school tutorlezen wil gaan gebruiken als remediërend programma voor zwakke lezers, dan wilt u er uiteraard voor zorgen, dat dit zo effectief mogelijk plaatsvindt. Maar ook als u al enkele jaren met tutorlezen bezig bent, kan op een gegeven moment de vraag rijzen of de gekozen aanpak nog steeds effectief is en of het tutorlezen niet aangescherpt of verbeterd kan worden.

Dit artikel is een beknopte weergave van de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek, dat ik deed tijdens de masteropleiding remedial teaching. Doel van het onderzoek was, om tutorlezen zo effectief mogelijk te maken. In dit artikel worden tips en adviezen gegeven om dit te bewerkstelligen.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding.

Vooraf

Voordat ik begin met de praktische kant van tutorlezen is een stukje begripsverduidelijking op zijn plaats. Bij het begrip tutorlezen ben ik uitgegaan van de definitie, die Peeters (2002) hiervoor geeft: ‘Een kind met een hogere leesvaardigheid (= tutor) leest samen met een kind met een lagere leesvaardigheid (= tutee). De leesvorderingen tussen tutor en tutee verschillen minimaal 2 AVI-niveaus. Het niveau van de tutor is minimaal AVI 5, om voldoende vaardigheid te hebben in het voorlezen.’

Algemene, organisatorische voorwaarden

FREQUENTIE EN DUUR
De frequentie, waarmee het tutorlezen plaatsvindt, is belangrijker dan de duur van het lezen. Het is effectiever om uw leerlingen vier keer kort te laten lezen dan twee keer lang (Vernooy, 2007). Om de leerling gemotiveerd en taakgericht te houden, adviseert Vosse (1994) om de leessessies niet langer dan 15 minuten te laten duren.

TIJDSTIP
Tutorlezen vindt bij voorkeur plaats aan het begin van de ochtend of de middag. De kinderen die niet tutorlezen, kunnen dan stillezen in de klas. Dit zorgt voor rust in de school, omdat het voor iedereen duidelijk is, dat de ochtend of de middag begint met lezen (Vlastuin, 2004).

WERKPLEK
Uiteraard zorgt u voor een rustige plek voor de leesparen, om zo geconcentreerd mogelijk te kunnen oefenen. Bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de eigen klas. U kijkt zelf welke plek in uw school hier het meest geschikt voor is, zoals de gang of de overblijfruimte.

TIJDSDUUR PROGRAMMA
De totaal benodigde tijdsduur van het programma is 6-8 weken, afhankelijk van de resultaten van de tutees en de motivatie van de tutoren en de tutees (Vosse, 1994).

De manier, waarop gelezen wordt

HERHAALD LEZEN (MODEL LEZEN)
U kunt er natuurlijk voor kiezen, om de tutor en de tutee om de beurt een bladzijde uit een boek te laten lezen. Volgens Smits en Braams (2006) is deze werkwijze echter niet effectief genoeg. Het is beter, om een tekst (een bladzijde) meerdere keren (herhaald) te laten lezen, waarbij de tutor begint, zodat de tutee een voorbeeld heeft van hoe de tekst gelezen moet worden. Dit wordt ook wel model lezen genoemd. Het herhaald lezen (model lezen) bevordert zowel de woordherkenning als de vloeiendheid van het lezen.

SAMEN LEZEN
Nadat de tutor de tekst aan de tutee voorgelezen heeft, kan de tekst – als extra ondersteuning – ook eerst samen gelezen worden. Bijvoorbeeld: door om de beurt een zin te lezen of door de tekst tegelijk te lezen (koorlezen), voordat de tutee de tekst alleen leest. Dit zorgt ook voor afwisseling tijdens het herhaaldelijk lezen van de tekst. En praten over de tekst zorgt ervoor, dat de betrokkenheid van de tutee wordt vergroot.

7fce284a-d3ee-470b-8657-cc86324c2138_tutorlezen1
FOUTCORRECTIE
Ook is het belangrijk, om afspraken te maken over de manier van foutcorrectie. Wanneer hier namelijk geen afspraken over zijn gemaakt, kiest menig tutor ervoor, om een leesfout direct mondeling te verbeteren. De tutee kan hier onzeker door worden, wat het zelfvertrouwen kan ondermijnen.
Dit kan worden voorkomen, door even te wachten (tot het einde van de zin) en dan pas de fout aan te wijzen. Zo krijgt de tutee de gelegenheid om de fout zélf op te merken. De fout aanwijzen heeft de voorkeur boven de fout noemen. Dit bevordert de mogelijkheid tot zelfcorrectie (Osborn & Van Lehr, 2003). De zin wordt daarna in zijn geheel door de tutee herhaald. Dit is belangrijk voor het tekstbegrip.

Positieve feedback

De tutor moet tevens positieve feedback geven aan de tutee, zowel tijdens als na het lezen.

Vaardigheden van tutor en tutee

LEESTECHNIEK
Zoals in de definitie van tutorlezen al duidelijk werd, geldt als voorwaarde met betrekking tot de leestechniek, dat de tutor 2 Avi-niveau’s hoger leest dan de tutee en minimaal een leesniveau van Avi 5 heeft. Dit betekent voor de tutee, dat hij/zij minimaal een leesniveau van Avi 3 heeft.

SOCIALE VAARDIGHEDEN
Naast de leestechnische vaardigheden zijn sociale vaardigheden van belang. Ik noem de belangrijkste:
– De tutoren/tutees moeten zich goed kunnen gedragen, zonder aanwezigheid van een leerkracht.
– De tutor moet ervoor openstaan om een jonger kind (de tutee) te helpen.
– Daarnaast moet de tutor in staat zijn om met de tutee te lezen, op de manier die met de leerkrachten op school is afgesproken.
– De tutee moet op zijn/haar beurt bereid zijn om instructie en feedback van de tutor te ontvangen (Wright & Clearly, 2006).
– Verder moeten de tutoren/tutees over samenwerkingsvaardigheden beschikken, zoals: naar elkaar luisteren en vriendelijk op elkaar reageren.
Als u tijdens het tutorlezen wel eens rondgelopen hebt, dan weet u, dat deze sociale vaardigheden niet zo vanzelfsprekend zijn als ze in eerste instantie misschien lijken.

Rol van de leerkracht

CRITERIA
De leerkracht besluit op grond van de leesresultaten (toetsgegevens en eigen observaties) welke kinderen uit zijn/haar groep voor tutorlezen in aanmerking komen. Meestal zijn dit de leerlingen, die ondanks extra instructie door de leerkracht nog steeds een D- of een E-score halen voor de leestoetsen en/of niet op het gewenste Avi-niveau lezen (Onderwijsinspectie, 2003).

Instructie

De leerkracht zorgt ervoor, dat de instructie afgestemd wordt op de specifieke leesproblemen van de leerling en stelt die instructie – indien nodig – gedurende het tutorlezen bij, op grond van de leesvorderingen.

TOETSEN EN OBSERVATIES
Naast het afnemen van Cito-toetsen en de Avi-toets raden Smits en Braams (2006) aan, om wekelijks een running record (leesanalyse) te maken en tijdens het tutorlezen regelmatig langs te lopen, om het leesgedrag te observeren. Dit voorkomt, dat er onnodig lang met tutorlezen wordt doorgegaan, waardoor de motivatie voor het tutorlezen afneemt.

LEESGESPREK
Het voeren van een leesgesprek met de tutee kan helpen, om het doel van de leeshulp te bepalen en/of zicht te krijgen op de leesbeleving van de leerling zelf. Bovendien werkt het motiverend voor de leerling (Routman, 2003).

LEESPAREN
Het is ook belangrijk voor de motivatie, dat de leesparen – in overleg met de betreffende leerkrachten en/of de interne begeleider (IB’er) – nauwkeurig samengesteld worden. Bovendien moet er regelmatig gekeken worden of de samenwerking nog werkt.

SAMENHANG
De leerkracht zorgt ervoor, dat er samenhang is tussen de wijze waarop in de groep én bij het tutorlezen gelezen wordt en feedback gegeven wordt. (Zie: De manier, waarop gelezen wordt, op pagina 10.)

Tutortraining

Voordat het tutorlezen van start gaat, volgen de tutoren een training, om te leren hoe de tutees begeleid moeten worden.

VAARDIGHEDEN
In de training komen zowel de sociale vaardigheden (bijvoorbeeld hoe de tutor de tutee in de klas op moet halen) als de pedagogisch-didactische vaardigheden (bijvoorbeeld de foutcorrectie en het geven van positieve feedback) aan de orde (Vosse, 1994).

TWEE OF MEER LESSEN
De training kan na (of onder) schooltijd plaatsvinden en wordt over twee of meer lessen verdeeld. De hoeveelheid lessen is afhankelijk van de hoeveelheid tijd, die de school per les kan inruimen.

LANGERE LESSEN
Wanneer gekozen wordt voor langere lessen, dan moeten twee lessen kunnen volstaan (Klaassen, 1999):
– De eerste les duurt dan anderhalf uur. In deze les worden alle benodigde vaardigheden, met behulp van een rollenspel of een filmpje, gedemonstreerd.
– De tweede les duurt één uur en is bedoeld om de in les 1 gedemonstreerde vaardigheden in te oefenen (Klaassen, 1999).

KORTERE LESSEN
Wanneer gekozen wordt voor kortere lessen zouden zes lessen van een half uur moeten volstaan (Vosse, 1994). Een mogelijke indeling van de lessen zou dan kunnen zijn:
– Ophalen en terugbrengen van de tutee.
– Reageren op fouten.
– Complimenteren.
– Foutcorrectie.
– Feedback geven.
– En: het inoefenen van de vaardigheden, die in de voorafgaande lessen met behulp van een rollenspel of een filmpje gedemonstreerd zijn.

Stimulerende boeken en teksten

AANSLUITING
Om frustraties tijdens het tutorlezen te voorkomen, adviseert Klaassen (1999) om teksten te gebruiken, die aansluiten bij de interesse, het leesniveau en de leerdoelen van de leerling.

INSTRUCTIENIVEAU
Volgens Smits en Braams (2006) kan de leerkracht het best hulp bieden bij de boekkeuze, door erop toe te zien, dat de zwakke lezer een tekst op (of iets boven) het hoogste instructieniveau (het hoogste Avi-niveau, waarop het kind mét hulp kan lezen) uitkiest.

TEKSTLENGTE
Ambruster e.a. (2003) benadrukken, dat rekening gehouden moet worden met de lengte van de tekst (50-200 woorden), zeker wanneer bij het tutorlezen met behulp van herhaald lezen gewerkt wordt aan het verbeteren van de vloeiendheid.

Ondersteunende materialen

LEESKAART
Peeters (2002) raadt aan, om bij het tutorlezen een leeskaart te laten gebruiken. Dit is een blad, waarop de tutor zijn/haar bevindingen én die van de tutee noteert. De leeskaart wordt gebruikt om het tutorlezen aan het eind van de week en/of aan het einde van een periode (6-8 weken) te evalueren.
Als blijkt, dat de tutor niet goed weet wat op de leeskaart ingevuld kan worden, geeft de leerkracht aan waar de tutor bij de tutee op kan letten. (Bijvoorbeeld: op het correct lezen van woorden.) Ook geeft de leerkracht suggesties wat de tutor hierover in kan vullen op de leeskaart. (Bijvoorbeeld: hoeveel fouten zijn er in een tekstgedeelte gelezen? En: let de tutee op punten en komma’s?)

23a6c1d4-3a18-44ba-bc9e-e5738d689133_tutorlezen3

INSTRUCTIEKAART
Een instructiekaart, waarop precies staat wat de tutor vóór, tijdens en na het lezen moet doen, is volgens Klaassen (1999) nodig, om ervoor te zorgen, dat er volgens afspraak gelezen blijft worden.

CORRECTIEPERIODE
Om te leren hoe de tutor moet corrigeren, is het raadzaam om een kaart (een geplastificeerd blad) te gebruiken, met daarop de correctieprocedure. Op deze kaart is weergegeven wat de tutor kan doen, als de tutee een fout leest: vijf seconden wachten, voorzeggen, de zin laten herhalen, een compliment geven, verder lezen.
Het gebruik van deze ondersteunende materialen kan in de tutortraining aan bod komen.
→ Leeskaart, instructiekaart en correctieprocedure zijn opgenomen op praxisbulletin.nl, zodat u die ondersteunende materialen eenvoudig kunt downloaden en vermenigvuldigen voor uw groep.

Evaluatie

ERVARINGEN
De leerkrachten evalueren aan het eind van iedere week kort met de tutoren/tutees in hun groep hoe het tutorlezen is gegaan. In deze evaluatie wordt gevraagd naar positieve en negatieve ervaringen van tutoren/tutees, met betrekking tot het tutorlezen en naar wat er beter zou kunnen (Peeters, 2002).

BESLUITEN
De hiervoor besproken leeskaart kan gebruikt worden om het tutorlezen aan het einde van een periode (6-8 weken) in een teamvergadering te evalueren met de betrokken collega’s. Afhankelijk van de leesresultaten van de tutees en de motivatie van tutees en tutoren wordt dan besloten, of er met de begeleiding doorgegaan of gestopt moet worden (Peeters, 2002).

CERTIFICAAT
Klaassen (1999) adviseert een evaluatiebijeenkomst voor alle tutoren/tutees en de betrokken leerkrachten te organiseren. De leerlingen die mogen stoppen met tutorlezen, krijgen op deze bijeenkomst een certificaat uitgereikt.

Tot slot

Ik hoop, dat de tips en adviezen uit mijn onderzoek u zullen helpen bij het opzetten van het tutorlezen of het optimaliseren ervan.

Veel succes!