Stelt u zich eens een groep 4 of 5 voor. De AVI-niveaus in de klas lopen flink uiteen. Bij de gewone les technisch lezen werkt ieder kind dan ook op zijn/haar eigen niveau, om de meeste vorderingen te kunnen maken. Bij voortgezet technisch lezen gaat het om correct lezen in een vlot tempo. Tijdens het oefenen van woorden, zinnen en alinea’s spelen leesbegrip en leesbeleving een belangrijke rol. Hoe kunt u nu een goede les geven, waar écht sprake is van convergente differentiatie en waar alle kinderen baat bij hebben? Met convergente differentiatie zoekt u een balans tussen rekening houden met verschillen tussen kinderen en het vasthouden aan een gemeenschappelijk leesdoel voor alle kinderen in uw groep. Daarover gaat dit artikel.

Lees ook de uitbreiding

Bij dit artikel hoort een online uitbreiding. Klik hier om het artikel te lezen.

Muziek als inspiratiebron bij oefenen van leestechniek

Alle kinderen buigen zich over dezelfde leestekst. Iedereen levert een bijdrage aan het resultaat: een mooi verhaal. De tekst vormt de basis van het oefenen. Oefenen betekent aandacht voor details, het vasthouden van de grote lijn en vooral geduld.
De muziek dient als inspiratiebron voor het oefenen van de leestechniek. Je leert om de juiste noten in de goede maat te spelen. Je beoefent de kunst van het muziek maken. Het helpt als je je een voorstelling vormt van de klank, het ritme en de melodie van een stuk. Graag nodig ik u uit om de muzikale leidraad in dit artikel te volgen bij het voorbereiden en uitvoeren van de les. U bent de oefenmeester, die de verbeelding van de kinderen aanspreekt. U bent de leerkracht, die voorbeelden geeft, die meedoet en aanmoedigt. Kinderen ontwikkelen het talent om te oefenen.

Opzet

Doelgroep: groep 4.
Leesdoel: nauwkeurig en vlot lezen.
Uitdaging: leren oefenen.
Resultaat: een klinkende presentatie.

De voorbereiding

Opmerkingen vooraf

• Kies een verhalende tekst, die ook na herlezing de moeite waard blijft. Het technische leesniveau houdt het midden tussen de verschillende niveaus in de groep. De zwakke lezers kunnen zich dan optrekken aan het niveau van de andere lezers, terwijl er ook voor de betere lezers nog iets leuks aan de tekst te ontdekken valt.

• Maak gebruik van teksten uit de schoolbibliotheek, uit uw leesmethode of van teksten, die door kinderen worden aangereikt. Voor de oefenwoorden en oefenzinnen kunt u putten uit voorbeelden in het werkboek, uit eigen keuzes of uit woorden, die gekozen zijn door kinderen.

• Alle kinderen beschikken over dezelfde leestekst. Kinderen weten wie hun leesmaatje is. Zorg ervoor dat de leesniveaus van de “maatjes” niet te veel van elkaar verschillen.
Nota bene. Voor dit artikel koos ik een tekst uit de methode Lekker Lezen (AVI 4/Cito AVI M4). Titel: Heel erg deftig, van Carry Slee. Uit: Lekker Lezen, Leesboek 4: Ga 2 plaatsen vooruit, uitgegeven door Malmberg, ’s-Hertogenbosch.

Voorbereiding op woord- en zinsniveau

Verzamel moeilijke woorden uit de tekst. Kies oefenwoorden, die passen bij de personen in het verhaal, hun gevoelens, de bewegingen die ze maken, hun stemmen en gebaren. Zoek naar de klank, het ritme en de melodie in het verhaal.

• Vind de klank
Let op de personen in de tekst: Eef en Mark, oma en opa. Welk gevoel past bij de personen?
– Eef en Mark: nieuwsgierig, verveeld, ongeduldig, blij.
– Oma en opa: plagerig, gastvrij, blij.
Let op de bewegingen van de personen:
– Eef en Mark: onderuitgezakt, overeind schieten, wrijven, zitten, rennen, slepen.
– Oma en opa: rijden, parkeren, tillen.

• Vind de melodie
Let op de stemmen en de gebaren van de personen:
– Eef en Mark schrikken. Eef en Mark juichen. Eef en Mark schieten overeind. Eef en Mark snuiven en ruiken.
– Opa schudt zijn hoofd. Opa parkeert lachend.

Voorbereiding op het niveau van de alinea

Zoek naar de structuur in de tekst: de verschillende scènes, waaruit het verhaal is opgebouwd. Let op de hoogtepunten en de rustpunten, de plaats waar het verhaal zich afspeelt en het tijdstip van handeling.

• Vind alinea’s of tekstfragmenten
– Eef, Mark en opa in de auto onderweg.
– Hun aankomst bij het huis in het bos.
– De begroeting door oma.
– Eef en Mark op zoek naar de logeerkamer.

De oefening

Oefening op woord- en zinsniveau

• Begin de leesles met het voorlezen van de tekst. De kinderen lezen voor zichzelf mee. Bij het voorlezen houdt u rekening met de beleving, door in de voordracht aandacht te besteden aan klank, ritme en melodie.

“Zijn we er al?” vraagt Eef.
“Oh nee.” Opa schudt zijn hoofd.
“We zijn nog niet eens op de helft.”
Eef en Mark schrikken.
Duurt het nog zó lang voordat ze er zijn?

(Uit: Heel erg deftig. De complete tekst staat in de internetuitbreiding bij dit artikel.)

• Op het bord staan de oefenwoorden. Lees de woorden voor.

schrikken – verveeld – onderuit – overeind – bospad – klimboom – juichen – fopopa – parkeert – lachend – portier – logés – snuiven – omhoog – koffertjes – zoldertrap

Vraag de kinderen om bij het oefenen te denken aan de personen in het verhaal. Door aandacht te geven aan klank, ritme en melodie ondersteunt u het oefenen. Stimuleer de kinderen om bij het lezen van de woorden te denken aan de kinderen, de grootouders, aan wat ze doen en hoe ze zich voelen.

• Demonstreer twee oefeningen op woordniveau:
– Kijk naar het woord schrikken. Lees het woord schrikken. Zeg het woord uit je hoofd: schrikken. Doe hetzelfde met de andere woorden op het bord.
– Kijk naar de woord. Lees het woord twee keer: één keer hardop en één keer zachtjes. Doe het zo: schrikken (hardop), schrikken (zachtjes). Doe hetzelfde met de andere woorden. De kinderen oefenen individueel met vijf woorden van het bord.
Nota bene. Meer oefeningen op woordniveau vindt u in de internetuitbreiding bij dit artikel.

• Demonstreer twee oefeningen op zinsniveau:
– Zoek het woord overeind in de tekst. Laat zien hoe u dat doet. Lees de zin met dat woord: Nog geen tel later schieten ze overeind. Lees de zin woord voor woord. Doe hetzelfde met drie andere woorden en zinnen.
– Zoek het woord bospad in de tekst. Laat zien hoe u dat doet. Lees de zin met dat woord: Het lijkt op het bospad van hun klimboom. Lees de zin van hardop naar zachtjes en van zachtjes naar hardop. Doe hetzelfde met drie andere woorden en zinnen. De kinderen oefenen individueel met zelfgekozen woorden en zinnen.
Nota bene. Meer oefeningen op zinsniveau vindt u in de internetuitbreiding bij dit artikel.

Oefening op het niveau van de alinea

• Na het individuele oefenen volgt de herhaling. Schets de verschillende scènes in het verhaal. Samen met hun leesmaatje passen kinderen de geoefende leesvaardigheid toe bij het lezen van alinea’s of tekstfragmenten.

• Demonstreer twee oefeningen met alinea’s:
– Ieder kind leest de alinea eerst voor zichzelf. Een kind leest daarna de eerste zin tot de helft. En zijn/haar leesmaatje leest de rest van de zin. Doe hetzelfde met de andere zinnen.
– Ieder kind leest de alinea eerst voor zichzelf. Een kind leest daarna de eerste zin tot de helft. En kind én leesmaatje lezen de rest van de zin samen hardop. Doe hetzelfde met de andere zinnen.
Nota bene. Meer oefeningen op alineaniveau vindt u in de internetuitbreiding bij dit artikel.

• Verdeel de alinea’s over de tweetallen. De kinderen oefenen hun alinea of tekstfragment. Daarna spreken ze af hoe ze het tekstfragment zullen gaan voorlezen bij de presentatie. Bijvoorbeeld:
– Om de beurt lezen ze een zin.
– Ieder kind leest de helft van het aantal zinnen.
– De zinnen worden samen gelezen.
– Het ene kind leest de zin voor de helft en het andere kind leest de zin verder af.
De leesmaatjes overleggen welke zin uit hun alinea zij het mooist vinden.

De opvoering

Neem de leiding bij de presentatie van de tekst. Want u bent regisseur en dirigent. Alle kinderen dragen bij aan de opvoering. Ieder kind doet wat hij/zij kan. Niemand kan gemist worden. Bespreek welke leesmaatjes achtereenvolgens een alinea mogen voorlezen, op de door de kinderen gekozen wijze.

• Werkwijze
– Lees de titel voor.
– Adempauze.
– Twee leesmaatjes lezen de eerste alinea voor. Aan het eind herhalen ze hun favoriete zin. Alle kinderen zeggen deze zin in koor na.
– Adempauze.
– Twee leesmaatjes lezen de tweede alinea voor. Ze herhalen weer de favoriete zin, die daarna in koor door de groep wordt gelezen.
– Adempauze.
De overige alinea’s worden op dezelfde wijze gepresenteerd.

De finale

Het slot van de leesles krijgt bijzondere aandacht. Nodig kinderen uit om hun favoriete woord of zin uit te beelden.

Tot slot

Een leesles, zoals beschreven in dit artikel, kan – met een tekst op passend niveau – ook gegeven worden in groep 5 en groep 6. Met deze les werken de kinderen echt samen aan een tekst: van oefening op woord- en zinsniveau tot de uitvoering van de hele tekst. Ze leren met én van elkaar, met aandacht voor elkaars prestatie op het gebied van het lezen.

Veel succes!