Eten doen we elke dag. Dat moet ook wel. Bij veel eetgewoonten staan we nauwelijks (meer) stil. Maar hoe, wat en waarom eten we eigenlijk? In elk oneven nummer vindt u een artikel in deze serie.

Toelichting bij de werkbladen

Uitwerking

Onderzoek de rol van diverse zintuigen door de kinderen een aantal proefjes te laten doen met het ruiken, zien en proeven van verschillende ingrediënten. Een werkvorm met kleine groepjes (al dan niet in circuitvorm) geniet de voorkeur. De kinderen kunnen hun bevindingen invullen op onderstaande werkbladen. Zorg dat er bij elke proef een aantal exemplaren van het betreffende werkblad klaarliggen.

Leg diverse etenswaren klaar. Het liefst ook een aantal producten waarvan de kinderen de smaak nog niet kennen, zoals bijvoorbeeld een gedroogde vijg of dadel, cacaopoeder (het ruikt naar chocola, maar het smaakt bitter!), gemalen koffie, avocado, blaadjes munt (of een ander vers kruid), kaki-fruit of granaatappel. Deze etenswaren zijn bij de meeste grote supermarkten verkrijgbaar. Zorg voor voldoende lepels om te gebruiken bij het proeven. Zet ook een paar glaasjes water klaar, zodat de kinderen tussendoor (vieze) smaken weg kunnen spoelen.

Eerst ruiken, dan proeven

Laat de kinderen eerst ruiken aan het ingrediënt dat ze gaan proeven. Hoe ruikt het? Hoe denken ze dat het smaakt? Proeven ze het misschien al een beetje als ze goed ruiken? En komt dat dan omdat ze weten welke smaak erbij hoort, of alleen door het ruiken?

Dan proeven de kinderen het eten. Om goed te kunnen proeven, moeten ze het goed door hun mond laten gaan en niet hap-slik-weg doorslikken. Smaakt het zoals ze verwachten? Wat is er anders (of juist niet)?

Evalueer de proeftest kort: Wat was lekkerder: de geur of de smaak? Of was het even lekker/vies? Denken ze dat het voor de smaak uitmaakt als je het opeet zonder eerst te ruiken?

Proeven met en zonder geur

Wie eet er weleens spruitjes op met zijn neus dicht? Als je je neus dichthoudt, proef je je eten vaak minder goed. Onderzoek dit met de kinderen. Laat ze een hapje nemen van een paar verschillende etenswaren, bijvoorbeeld banaan, komkommer en appel. Doe er ook iets bij wat veel kinderen niet lekker vinden, zoals een spruitje, een stukje rode biet of witlof.

Eerst nemen de kinderen een hap, terwijl ze hun neus goed en stevig dichthouden. Hoe smaakt het? Wat valt op? Laat ze dan een hap nemen van hetzelfde, maar met de neus gewoon ‘open’. Hoe smaakt het? Smaakt het anders of hetzelfde als met de neus dicht?

Blind proeven

Maakt het uit of je je eten ziet? Kies voor deze opdracht ‘mooi’ eten, neutraal eten en eten dat er niet fraai uitziet. Liefst ook weer (deels) onbekende producten voor de kinderen, bijvoorbeeld geprakte avocado (niet fraai), een stukje fruit of wat noten (neutraal) en een toefje slagroom (mooi).

Laat de kinderen eerst geblinddoekt een hapje proeven van elk ingrediënt. Hoe smaakt het? Herkennen ze het eten? Laat ze ook goed voelen hoe het eten aanvoelt in de mond (mondgevoel).
Vervolgens proeven de kinderen de ingrediënten weer, maar dan zonder blinddoek. Laat ze eerst goed kijken: ziet het eten er lekker of aantrekkelijk uit? Zouden ze het graag willen eten of juist niet? Laat ze dan proeven. Hoe smaakt het? Smaakt het anders of beter of slechter dan met de blinddoek?

Eventueel kan hier ook de reukfactor weer gebruikt worden: laat ze bij het geblinddoekt eten eerst ruiken en dan proeven. En wat als je iets blind én met je neus dicht eet?

Laat de kinderen naar hartenlust variëren en experimenteren.

Andere artikelen uit deze reeks

Bewuste eters

Hollandse pot

Tafelmanieren