De dramamiddag – waar collega’s onder andere alle ins en outs van een tableau vivant leerden – leverde heel leuke ideeën op. “Maar… wat doe je vandaag aan drama met jonge kinderen?” was een grote vraag. Een paar aanvullende, concrete en makkelijk uitvoerbare spelsuggesties zouden wel erg handig zijn!
Met deze vraag kon ik alle kanten op. Want onder drama verstaan we niet alleen toneelspel, maar ook allerlei verschillende speloefeningen.

Dramadoelen

Het Griekse woord drama betekent: handeling. Met een dramales kunnen we op school mooie doelen nastreven:
– Als instructiemiddel is drama heel handig. Je kunt de kinderen voordoen wat (wel of juist niet) van ze verwacht wordt. De kinderen kunnen ernaar kijken of erin meespelen. De bedoeling van de leerkracht wordt zo op een aansprekende manier direct in woord en beeld voorgedaan.
– Om het inlevingsvermogen en het sociale gedrag te ontwikkelen, is drama een heel geschikte leervorm.
– Drama is een kunstzinnige uitingsvorm.
– Door deskundigen is drama als een heel bruikbare therapie in te zetten.
– Maar op de allereerste plaats is drama natuurlijk gewoon leuk en dient het als plezierige ontspanning!

Verrassend

In dit artikel staan een aantal speloefeningen, die met weinig voorbereiding in uw onderbouwgroep kunnen worden uitgevoerd. We gaan even voorbij aan alle mooie doelstellingen, maar kiezen deze keer alleen voor spelplezier. Des te verrassender is dan waarschijnlijk het resultaat van het spel. Want wat je voor je plezier begint, blijkt meestal onverwachte, positieve effecten op te leveren!
De beschreven spelletjes kunnen als korte tussendooractiviteit gespeeld worden. Maar ook worden er suggesties gegeven, waardoor u er gemakkelijk een hele dramales met opbouw van kunt maken.
En… van ideeën komt u zelf vast weer op vervolgstappen. Of op compleet nieuwe ideeën!

Speloefeningen

Opbellen

Dit simpele dramaspelletje kan als voorloper voor het volgende (aanbel)spel dienen. Natuurlijk is een (echte) telefoon of een (echt) mobieltje een stimulerend attribuut, maar ook met duim en pink als telefoon moet het lukken.

• Werkwijze
– U hebt een probleem: uw broodtrommeltje is thuis op het aanrecht blijven liggen. Tja, dan maar even naar huis bellen en hopen dat uw partner (of een van uw ouders of uw kind) thuis is en het broodtrommeltje naar school kan komen brengen. U toetst een nummer in en voert het telefoongesprek.
– Wat denken de kinderen dat het antwoord (dat ze dus niet konden horen) was? En waarom denken ze dat?
– Daarna belt u een leerling uit de groep op. Door wat nadenkend gemompel kunt u het gesprek zonodig wat sturen of de verlegen kinderen uitdagen om (toch) de telefoon op te pakken. Bij deze vorm is het gebruik van duim en pink als telefoon de meest laagdrempelige manier. Veel kinderen zullen het leuk vinden om naar de telefoon te lopen en die echt op te pakken, als de juf (of de meester) belt.
– Nu wil vast een van de kinderen wel iemand bellen. (Daan wordt gebeld, om te vragen of hij mee gaat zwemmen. Mama wordt gebeld, om te vragen of Ilona mag komen spelen. Sharim wordt gebeld, om te vragen of hij naar de nieuwe skelter (of de cavia) komt kijken. Enzovoort.)
– Ter uitbreiding van het spel kunt u twee telefoons gebruiken en twee leerlingen met elkaar laten bellen. (Oma belt Kaleb, om te vragen wat hij voor zijn verjaardag wil hebben. Je vriendinnetje komt logeren en je vraagt wat ze graag lust. Je bent je drinkbeker (of je gymkleren) vergeten en je vraagt of mama de beker (of de kleren) kan komen brengen. Je vraagt de dierenarts hoe het met je zieke poes gaat. Enzovoort.)

• Uitbreiding
– Ook kan het belspel zo worden gespeeld, dat de auditieve synthese geoefend wordt. Als u iemand opbelt, kan er een taalspelletje aan gekoppeld worden. U zegt bijvoorbeeld: “Wat zit er op mijn boterham? Pin-da-kaas?” (Of: “Ha-gel-slag?” Of: “Bo-ter-ham-worst?”) De kinderen raden wat er op uw brood zit. Of u zegt: “Waar ligt mijn broodtrommeltje? Op de ta-fel?” (Of: “Op de k-r-u-k?”) Enzovoort.
– Maar ook valt er met wat improvisatie te rekenen. U zegt bijvoorbeeld: “Waar moeten we Daan ophalen? Hij woont niet op nummer 5. En ook niet op nummer 7. Maar precies ertussenin.”
Deze uitbreidingsvormen vragen er natuurlijk wél om dat u eerst een keertje meespeelt. Want u bent de aangever van deze educatieve spelvorm, door woorddelen of rekenopgaven aan te bieden. Maar na een paar keer kunnen jonge kinderen het vaak ook zelf!

Bij iemand aanbellen en iets vragen

• Werkwijze
– De eerste keer begint u met het vertellen van een situatie. U bent bijvoorbeeld op de fiets op weg naar school, maar uw band raakt lek. Wat nu? U besluit aan te bellen en te vragen of u een fietspomp mag lenen. In deze situatie neemt u beide rollen op u: u belt aan, maar u bent ook degene die de deur opendoet. Een attribuut als een bril (of een sjaal) kan aangeven welke persoon u op dat moment speelt.
– Daarna vraagt u of iemand anders de deur wil opendoen. Of misschien wil een van de leerlingen deze keer de juf zijn? Door zelf mee te spelen, kunt u het spel wat sturen.
– Als de bedoeling een beetje duidelijk is, bedenkt u een nieuwe situatie. (Bijvoorbeeld: een kind is gevallen en gaat om een pleister vragen. Of: komt Jochem buiten spelen? Of: de hond is weggelopen en misschien heeft de buurvrouw hem wel zien lopen? Of: mama heeft onverwachts visite gekregen en wil graag een kopje suiker lenen van de buurvrouw. Enzovoort.)
– Als de kinderen dit spel voor het eerst doen, helpt het om te beginnen met voor hen herkenbare situaties. U kunt dus het best starten met situaties, die zich in de belevingswereld van de kinderen hebben voorgedaan. Dit nodigt dan ook de betrokkenen nog eens extra uit om de belevenis in deze vorm uit te spelen.
– Als de spelvorm na een paar toneelstukjes bekend is, kunt u de kinderen vragen of ze zélf een nieuwe situatie kunnen bedenken: bij wie wil je aanbellen en wat ga je vragen? Eerst bespreekt u (kort) het idee, zodat de kinderen al een beetje weten wat ze gaan vragen (of zeggen).

Handelingen uitvoeren

• Werkwijze
– U voert een eenvoudige handeling uit. De kinderen raden dan wat u doet. (Voorbeelden van handelingen zijn: een banaan afpellen en opeten, de gieter vullen en planten water geven, met de hond lopen die erg hard aan de riem trekt, een boek lezen en bladzijden omslaan, ranja inschenken en opdrinken, een boterham smeren en beleg erop doen, de tv aanzetten en gaan zitten kijken, jas aantrekken, tandenpoetsen, stofzuigen, fietsen, ramen lappen.)
– Na een aantal voorbeelden kunnen de kinderen het zélf vast ook. De makkelijkste vorm is, om ze een handeling te laten kiezen, die u al hebt laten zien. Daarna kunnen de kinderen vast ook zélf dingen bedenken of suggesties van u uitvoeren.

Met de hele klas op reis

• Werkwijze
– Een spelvorm, waaraan de hele klas kan meedoen, is het reisspel. U kunt overal met de kinderen naartoe. Het is de bedoeling, dat de kinderen zo veel mogelijk een eigen inbreng in het verhaal hebben en alle emoties en figuren uitbeelden, die in het verhaal voorkomen.
– Een voorbeeld. “Kom, we gaan wandelen in het bos. Hé, wat zien we daar?” (Ontlok bij de kinderen een reactie en beeld die reactie samen uit.) “O, jongens, pas op! Zie je dat?” (Beeld samen uit waar de kinderen voor moeten oppassen en wat er te zien is.) “Dat is wel heel mooi (eng, groot, klein).” (Beeld dat samen uit.) “Laten we ons verstoppen.” (U en de kinderen maken zich klein en verschuilen zich ergens achter.) “Wat moeten we nu doen?” (Ga weer in op de reacties van de kinderen.)

• Andere mogelijkheden
– U kunt met de kinderen naar de zee (schelpen zoeken, over golven springen, dingen in zee zien, zand scheppen, kuilen graven, enzovoort).
– U kunt met de bus naar de trein, via de trappen van een perron.
– U kunt aan een voetbalwedstrijd meedoen (omkleden, schoppen, als keeper vangen, de bal koppen, enzovoort).
– U kunt naar zwemles gaan.
– U kunt een dierentuin bezoeken (en allerlei dieren nadoen).
– U kunt gaan winkelen in een grote stad (waarbij iedereen goed moet opletten bij het oversteken en waar de kinderen ijs of patat gaan eten). Enzovoort.

Dierenspel

Dit is een spel, met behulp van (bijvoorbeeld) afbeeldingen van een Dierenlottospel.

• Werkwijze
– Leg twee kaartjes van heel verschillende dieren (bijvoorbeeld van een vogel en van een olifant) in de kring.
– Welk kind wil een van beide kaartjes uitbeelden? De andere kinderen raden welk kaartje wordt uitgebeeld.
– Verhogen van de moeilijkheidsgraad. Dit spel is moeilijker te maken door meer kaartjes neer te leggen en de verschillen tussen de dieren minder groot te laten zijn. Spreek met de kinderen af of er ook geluiden bij gemaakt mogen worden.

• Andere spelvorm (1)
Met de lottokaartjes is ook een andere spelvorm leuk:
– Deel de kaartjes uit aan de kinderen. Het is handig om een grondplaat (verzamelplaat met alle uitgedeelde dieren erop) in de kring neer te leggen. (Is die niet aanwezig, laat dan goed zien welke dieren er allemaal uitgedeeld worden.)
– Begin met het uitbeelden van een dier. Wie herkent de bijbehorende afbeelding? Het kind dat het juiste antwoord geeft, mag een volgend dier uitbeelden. Er ontstaat zo een soort Zwaan kleef aan, waarbij het laatste kind steeds een nieuw dier uitbeeldt.

• Andere spelvorm (2)
– Het is ook leuk als u twee kaartjes van één dier hebt. Deel de kaartjes uit en laat ieder kind zijn (of haar) afbeelding in een gesloten hand houden. (Ook kunnen de kaartjes met de afbeelding naar beneden op een stoel worden gelegd.)
– De kinderen beelden het dier uit dat op hun kaartje staat en proberen zo het kind te vinden, dat hetzelfde dierkaartje bezit.
Bij deze spelvorm is het maken van geluiden handig. Want zonder geluiden is het zoeken erg moeilijk. Als het maken van geluiden echter te rumoerig wordt in uw groep, dan kunt u ervoor kiezen om één kind (of een paar kinderen) in de kring hun dier uit te laten beelden.

Emoties in de bus

• Werkwijze
– Zet een paar stoelen (of krukjes) achter elkaar. Dit is de bus.
– Er stapt steeds een kind in de bus, dat een emotie uitbeeldt. De andere kinderen raden dan welke emotie er gespeeld wordt. Geef duidelijk aan, waar de ingang van de bus is. Het kind, dat de beurt heeft, loopt langs de krukjes en beeldt ondertussen de emotie uit. Het kind gaat daarna op het laatste krukje zitten.

• Uitbreidingen
– Dit spel kunt u uitbreiden door een buschauffeur voor in de bus aan een tafeltje te zetten, waar de strippenkaart afgestempeld moet worden.
– En als u bijvoorbeeld met het PAD-programma werkt, kunt u de bijbehorende emotiekaartjes goed inzetten. Ze kunnen dienen als opdracht. (Geef het kind in dit geval een emotie en laat het kind die emotie uitbeelden, terwijl het in de bus gaat zitten.) Ook kunnen ze dienen als antwoordenkaartje. (Leg in dit geval de emotiekaartjes in de kring en laat de kinderen steeds aanwijzen welke emotie wordt uitgebeeld.)

Hoe loop ik?

• Werkwijze
– Voor dit spel is een kist met verkleedattributen nodig. Verzamel spulletjes als een grote zonnebril, een stola, een kroon, een pet en een sjaal. Maar zorg bijvoorbeeld ook voor een vlaggetje, een pleister, een fluit en een politiepet. (In kringloopwinkels zijn soms de verrassendste outfits te vinden.)
– Met een grote pleister op je knie loop je natuurlijk heel anders dan met een kroon op je hoofd! Kunnen de kinderen vertellen wie (of wat) ze zijn en waarom ze zo lopen?
– Door te vragen wie er nog meer zo deftig kan lopen (of ook zo stiekem kan sluipen), kunt u de kinderen uitdagen om de uitbeelding te verfijnen (of juist te overdrijven).

• Uitbreidingen
– Ook dit spel is makkelijk uit te breiden. Laat hiervoor een kind een paar spulletjes uit de kist zoeken. Wat voor iemand kan dit zijn? Wat zou hij (of zij) gaan doen? Hoe loopt deze persoon? Kunnen er ook handelingen worden uitgebeeld?
– En het wordt nóg leuker als een tweede kind mee gaat spelen. Wie is dit? Waar komen de personen elkaar tegen? En wat gebeurt er dan?
Om er zeker van te zijn dat kinderen met ideeën komen, moeten ze wel een beetje aan verschillende dramaspelvormen zijn gewend. En als leerkracht kunt u het spel verder helpen (of een nieuwe impuls geven) door als verteller op te treden. Ook kunt u zo de kinderen uitdagen om tekst te gebruiken. (“De koningin werd er erg blij van. En toen zei ze tegen de jager…”)

Tot slot

Met de spelletjes uit dit artikel kunt u vandaag nog aan drama doen met de kinderen. Drama is leuk. Drama geeft plezier. Door regelmatig verschillende dramaspelvormen aan te bieden, worden de kinderen vrijer en zijn ze gemakkelijker tot eigen spel te brengen. En het zal bovendien verrassend zijn welke nevendoelen u ongemerkt bereikt met dat teruggetrokken jongetje, het ADHD-boefje of het olijke, maar o zo brutale meisje.

Ik wens u en de kinderen veel plezier!