Complete handleiding voor het maken van een komisch toneelstuk rond het voorjaar en Pasen, als uitgangspunt voor een lessenserie over de (wisseling van de) seizoenen.

Het voorjaar is voor de meeste mensen een vrolijke periode. Ook de kinderen verheugen zich op alles wat in het voorjaar weer tevoorschijn komt aan bloemen, kuikentjes en vlinders.
Maar niet iedereen is dol op het voorjaar! In dit toneelstuk wordt de hoofdpersoon juist erg depressief van alles wat met de lente te maken heeft. Dat levert natuurlijk een paar grappige situaties op. Voor u kan dit toneelstuk een goed begin zijn van een serie lessen over het voorjaar.

INFORMATIE VOORAF

Toneelbeeld

Aan één kant van het toneel staat een leunstoel. Boven die stoel hangt een poster van een winters tafereeltje. De rest van het toneel hoort duidelijk niet bij deze huiskamer en is leeg.
Een kamerscherm kan die scheiding duidelijk maken. Het toneel moet zodanig worden ingericht, dat het voor de hoofdpersoon makkelijk wordt om van situatie naar situatie te lopen. U kunt er ook voor kiezen om meneer Verkerk af en toe te laten verdwijnen achter een gordijn (de coulissen), om even later weer op te komen.

Personages

– Meneer Verkerk
– Zomers geklede mensen
– Vlindervrouw
– Bloemenverkoopster
– Klant van de bloemenverkoopster
– Buurman
– Leerlingen (met paaseieren, foto’s en weckpotten)
– Schooljuf

Rekwisieten en benodigdheden

– Winterkleding voor meneer Verkerk
– Poster van een winters tafereeltje (een berg met sneeuw, schaatsers, enzovoort)
– Een geluidsopname van een schaatswedstrijd
– Een rookworst
– Een afbeelding van een ijsje (of een plastic ijsje)
– Een flesje zonnebrandcrème
– Grote, papieren vlinders (op lange stokjes, die door kinderen worden vastgehouden)
– Paaseieren
– Barbecue
– Emmers, vol met bloemen (geknutseld van papier of pluche)
– Een bak van glas (of doorzichtig plastic), waarin duidelijk zichtbaar een bloembol zit
– Een grote foto van een zwerm trekvogels
– Grote winterfoto’s
– Grote lentefoto’s
Tip: de foto’s kunt u ook op een muur achter het toneel projecteren

Scène 1
We zien meneer Verkerk in zijn leunstoel zitten. Hij heeft een wintermuts op. Hij luistert naar een verslag van een schaatswedstrijd (op de radio, die we niet per se hoeven te zien). Hij neemt af en toe een hapje van een grote rookworst. Het is duidelijk dat hij geniet.
Tegelijkertijd zien we buiten zijn woning mensen in zomerse kleding zitten. Iemand zit een ijsje te eten. Iemand smeert zich in met zonnebrandcrème. Iemand leest een boekje in het zonnetje. Enzovoort.
Het moet voor het publiek duidelijk zijn, dat meneer Verkerk in een ander seizoen lijkt te leven dan de mensen buiten zijn huis!

Scène 2
Als zijn rookworst op is, trekt meneer Verkerk zijn jas aan en doet een sjaal om. De zomers geklede mensen buiten lopen langzaam weg, behalve één mevrouw. Die blijft staan. Zij heeft een grote vlinder op haar schouder. En om haar heen zwermen ook vlinders. (Grote vlinders, op lange stokjes, die door kinderen worden vastgehouden en op en neer worden bewogen.) Ze is erg vrolijk, kleurrijk gekleed en opgemaakt. Als ze meneer Verkerk ziet, gaat ze op hem af.
Vlindervrouw: “Hallo, meneer. Goedemorgen! Wat een heerlijk weer vandaag, vindt u niet?”
Meneer Verkerk: “Nee. Niet echt.”
Vlindervrouw (lijkt hem niet te horen): “Vandaag zijn we weer opengegaan. Het is nu écht voorjaar. Dus u kunt de vlindertuin bezoeken. We geven natuurlijk korting op deze feestelijke dag. U kunt voor slechts drie euro onze prachtige vlindertuin komen bekijken. En… u krijgt dan ook nog een heerlijk ijsje!”
Meneer Verkerk: “Nee, dank u. Wat een vreselijke gedachte! Vlinders! Al die kleuren! Al dat vrolijke gewapper!”
Vlindervrouw: “Bent u soms bang voor vlinders? Dat kan, hoor. Er zijn meer mensen, die dat hebben.”
Meneer Verkerk: “Bang voor vlinders? Wie is er nou bang voor vlinders? Belachelijk.”
Vlindervrouw: “Precies, meneer. Dat vind ik ook. Dus u wilt vast wel een bezoek brengen aan onze vlindertuin.”
Meneer Verkerk: “Laat me met rust!”

Meneer Verkerk loopt weg, met boze blik. De vlindervrouw staart hem verbaasd na. De vlinders om haar heen blijven vrolijk op en neer dansen. (Kinderen maken dansende bewegingen met de vlinders op stokjes.) Als de vlindervrouw uiteindelijk wegloopt, dansen de vlinders met haar mee.

Scène 3
Meneer Verkerk loopt verder. Op de hoek van de straat staat een bloemenstalletje. De verkoopster is, net als de vlindervrouw, erg vrolijk gekleed en opgemaakt. Ze straalt.
Bloemenvrouw: “Goedemorgen! Wat een fijn weertje, nietwaar, meneer? We hebben onze stal vol met voorjaarsbloemen. Wilt u een mooi boeketje meenemen misschien?”
Meneer Verkerk: “Nee, dank u. Wat een vreselijke gedachte! Voorjaarsbloemen! Al die zoete geuren!”
Bloemenvrouw: “O, maar ik geef u graag korting, hoor. Wat dacht u van deze prachtige narcissen voor maar twee euro? Zal ik ze voor u inpakken, meneer?”
Meneer Verkerk: “Nee. Ik hoef geen bloemen.”
Bloemenvrouw: “Nou, weet u wat, omdat het zulk mooi weer is, krijgt u ze voor maar één euro vijftig mee naar huis. Wat dacht u daarvan?” (Ze begint de bloemen in te pakken.)
Meneer Verkerk (op boze toon): “Nee! Ik wíl geen bloemen! Dat zei ik toch! Laat me met rust!”

Meneer Verkerk loopt weg. Hij kijkt nu nóg bozer dan hij al deed. De bloemenvrouw kijkt hem verbaasd na, maar wordt vervolgens afgeleid door een andere klant, die met een vrolijke gezichtsuitdrukking bloemen uitkiest en aanwijst.

Scène 4
Meneer Verkerk kijkt somberder dan ooit. Hij trekt zijn muts nog maar eens wat steviger over zijn oren en knoopt zijn sjaal nog wat beter om zijn nek.
Er loopt een man langs. Het is de buurman van meneer Verkerk. Met één hand draagt hij een barbecue (een rond, draagbaar model). En in zijn andere hand heeft hij een zak met kooltjes. Hij loopt in eerste instantie meneer Verkerk voorbij, maar lijkt hem dan plotseling te herkennen. Hij draait zich om en spreekt meneer Verkerk aan. Die draait zich ook om, maar is zichtbaar geïrriteerd.
Buurman: “Meneer Verkerk? Bent u dat?”
Meneer Verkerk: “Ja, ik ben het, buurman. Natuurlijk ben ik het.”
Buurman (wijst met een volle hand naar de kleding van meneer Verkerk): “Ach, hebt u een verkoudheidje opgelopen?”
Meneer Verkerk: “Nee, hoor. Natuurlijk niet. Ik ben nooit verkouden.”
Buurman: “Ach, gelukkig maar. Dan hebt u vast wel zin om vanavond bij ons te komen barbecueën. Het is vandaag écht voorjaar geworden, dus we hebben de saté al lekker in de marinade gelegd en een heerlijke aardappelsalade gemaakt.”
Meneer Verkerk: “Voorjaar!”
Buurman: “Pardon?”
Meneer Verkerk: “Gruwelijk!”
Buurman: “Dus u komt… eh… barbecueën? Gezellig bij ons in de tuin? Het bier ligt al koud, hoor!”
Meneer Verkerk (op schampere toon): “Nou, nee. Dank u wel! Wat een verwerpelijk idee, zeg. Al dat eten. Al die hapjes. Al die sausjes! Bah!”
Buurman: “O, dus u komt niet op onze barbecue, begrijp ik?”
Meneer Verkerk: “Inderdaad. Dat hebt u goed gezien. Ik kom niet!”

Meneer Verkerk loopt chagrijnig verder. De buurman schudt zijn hoofd, haalt zijn schouders op, maar loopt daarna met stevige passen en vrolijk fluitend weer door.

Scène 5
Een schooljuf is – samen met een aantal kinderen – bezig met een buitenproject. Kinderen lopen heen en weer met weckpotten, waar blaadjes in zitten. Ze hebben foto’s van insecten bij zich en kijken geïnteresseerd naar elkaars bezigheden. De juf gaat bij de kinderen langs en geeft aanwijzingen. Enkele leerlingen lopen rond met mandjes, die gevuld zijn met paaseieren. Die delen ze uit aan voorbijgangers. Er loopt bijvoorbeeld een dame langs, die een eitje krijgt. En een deftige meneer, die passeert, krijgt ook een paaseitje aangeboden van de kinderen. De juf kijkt tevreden toe. Dan loopt meneer Verkerk langs.
Leerling: “Goedemorgen, meneer. Wij zijn bezig met een lenteproject. We hebben zelf paaseitjes gemaakt in de klas en die delen we nu uit. Wilt u er eentje?”
Meneer Verkerk: “Nee. Nee, hoor.”
Leerling: “Maar ik heb pure chocolade én melkchocolade, hoor. En ik heb kleine en grote eitjes. U mag zelf kiezen welk eitje u wilt!”
Meneer Verkerk: “Ik wíl geen paaseitjes. Geen puur en geen melk!”

De juf komt wat dichterbij. Ze volgt het gesprekje tussen meneer Verkerk en de leerling.
Leerling: “Maar… we hebben de eitjes in de klas gemaakt, meneer. Van gesmolten chocola. Die hebben we in vormpjes gedaan. Het is écht heel erg lekker. En het is voorjaar. Dus het is ook bijna Pasen.”
Meneer Verkerk: “Hou toch op! Voorjaar, voorjaar, voorjaar! Het is verschrikkelijk! Iedereen praat er maar over!”

Meneer Verkerk barst in huilen uit. Met grote uithalen staat hij te snotteren. Af en toe hoor je hem tussen het snotteren door nog de woorden “Voorjaar” en “Verschrikkelijk” zeggen. De juf is ondertussen bij hem en de leerling komen staan.

Juf: “Nou, nou, meneer Verkerk. Wat is hier toch allemaal aan de hand? Eerst bent u ontzettend onaardig tegen de kinderen. En nu dit! Wat is er met u?”
Meneer Verkerk: “Dat voorjaar! Ik kan er helemaal niet tegen. Iedereen praat er maar over. Het is zó druk. Het voorjaar is voor mij veel te druk. Geef mij de winter maar. Of desnoods de herfst. Maar het voorjaar? Nee!”
Juf (geeft een zakdoek aan meneer Verkerk, die zijn neus snuit en de zakdoek vervolgens weer teruggeeft): “Wat bedoelt u precies, meneer Verkerk, dat het in het voorjaar zo druk is?”
Meneer Verkerk (een beetje gekalmeerd): “Al die bloemen! En al die insecten, die ineens om je hoofd vliegen! Iedereen is ineens buiten aan het spelen. En we moeten allemaal weer gaan barbecueën in de tuin. En dan ook nog al die vogels, die hun nestje gaan bouwen. En maar tjilpen! En maar tjilpen! Het is om gek van te worden!”
Juf: “Dus u denkt, dat de winter lekker rustig is, meneer Verkerk? Hebt u alleen maar last van de drukte in het voorjaar?”
Meneer Verkerk: “Ja, dat is zo. Zo is het wel. Zo ongeveer, ja.”
Juf: “Dan moeten we u maar even een lesje geven over de winter, meneer Verkerk.”

Na scène 5 kunt u even muziek laten horen. Dan kunnen de spelers zich hergroeperen en klaar gaan staan voor scène 6.

Scène 6
De juf zet een strenge blik op. Ze knipt met haar vingers. De leerlingen gaan meteen bij haar staan, in een duidelijk van tevoren afgesproken opstelling. De kinderen kijken met verwachtingsvolle blik naar hun juf.
Juf: “Gijs, ik wil graag de bloembol hebben.”

Een jongetje loopt met een doorzichtige, plastic bak naar de juf. In die bak is een dwarsdoorsnede te zien van een bloembol in de aarde.
Juf: “Dus u denkt, dat deze bloembol zijn werk niet doet, tijdens de winter? Alleen omdat u de bloembol niet ziet, vindt u het lekker rustig?”
Meneer Verkerk (duidelijk onder de indruk en net zo braaf aan het luisteren naar de juf als de kinderen): “Ja, eh…, eigenlijk wel.”
Juf: “Die bloembollen, meneer, die bereiden zich voor. Die zijn bezig, in de winter. Het is niet voor niets, dat u ze niet pas in de zomer in de grond moet zetten. Ze moeten in het najaar al in de grond, want ze hebben de kou in de winter nodig, om in de lente te kunnen bloeien. De bloembollen, meneer Verkerk, hebben het op hun manier, onder de grond, erg druk in de winter!”

De juf stuurt Gijs met een handgebaar en een schouderklopje weer terug naar zijn plaats.
Meneer Verkerk: “Nou ja, maar al die andere dingen dan?”
Juf: “De vogels bijvoorbeeld, meneer Verkerk, die in het voorjaar zo druk bezig zijn. Wat denkt u dat ze in de winter doen?”
Meneer Verkerk: “Eh…”

De juf gebaart naar een kind, dat met een grote foto van een zwerm trekvogels aan komt lopen.
Juf: “Die gaan op reis. Ze vertrekken vanuit Nederland naar het zuiden. Of ze komen vanaf het noorden juist naar ons toe. Hebt u nooit gezien hoe de vogels bezig zijn zich te verzamelen op de velden en hoe ze in grote groepen rondvliegen?”
Meneer Verkerk: “Eh…, ja.”
Juf: “Dat noem ik nou druk, meneer Verkerk.”
Meneer Verkerk (schoorvoetend): “Ja…”

De juf bedankt het kind en roept een ander kind bij zich.
Juf: “In de zomer barbecueën we. Maar wat doen we in de winter?”
Meneer Verkerk: “Eh…”
Juf: “Laat maar eens zien, Anne!”

Anne houdt een foto in de lucht van een grote groep mensen, die aan een lange tafel zit. Ze zijn bezig met het kerstdiner. Er staat veel eten op tafel en er is een kerstboom te zien. Als de juf met haar vingers knipt, houdt het kind een andere foto omhoog: een foto van kinderen, die langs de deuren gaan met lampions (Sint-Maarten). De juf knipt nóg eens met haar vingers. Meneer Verkerk krijgt nu een foto te zien van kinderen, die verkleed over straat lopen, met zakken snoep (Halloween).
Juf: “U ziet, meneer Verkerk, dat we in de winter óók bezig zijn met snoepen en eten. In de winter is het óók druk, zoals u kunt zien.”
Meneer Verkerk: “Ja, maar de mensen zijn niet zo overdreven vaak buiten aan het spelen als in het voorjaar.”

De juf roept weer een ander kind naar voren. Als ze met haar vingers knipt, laat het kind eerst een foto zien van kinderen, die met regenlaarzen in plassen springen. Daarna een foto van kinderen, die in een herfstbos rondlopen. Vervolgens een foto van kinderen, die aan het schaatsen zijn. En tot slot een foto van kinderen, die van een helling af sleeën.
Juf: “Veel kinderen én grote mensen zijn in de winter ook vaak buiten, meneer Verkerk.”
Meneer Verkerk: “Tja…”
Juf (op strenge toon): “U kunt wel zo chagrijnig zijn, omdat de winter voorbij is, maar de seizoenen, meneer Verkerk, hebben elkaar nodig. Zonder een goed voorjaar, een goede zomer en een goede herfst is de winter ook niet zo fijn. En andersom geldt dat precies hetzelfde. Als de winter niet goed is geweest, dan is het voorjaar ook niet goed. Alles wat in het voorjaar zo leuk is, is eigenlijk zo bijzonder dankzij de winter, die vóór het voorjaar komt!”
Meneer Verkerk: “Tja, daar zit wel wat in. Eigenlijk is het in de winter dus net zo druk als in de zomer, maar dan net een beetje anders.”
Juf: “Precies.”
Meneer Verkerk: “Maar… ik mag toch wel zeggen, dat ik de winter leuker vind dan de lente?”
Juf: “Dat mag u zeker vinden, meneer Verkerk. En dat mag u zeker zeggen. Maar u mag niet zo chagrijnig rondlopen en kinderen afsnauwen, meneer Verkerk.”
Meneer Verkerk: “Eh…, juist. Ja…, daar hebt u wel gelijk in.”
Juf: “En nu trekt u die winterjas uit en doet u uw muts maar eens af. Die legt u maar klaar voor over een half jaar. U had gewoon een kleine voorjaarsdepressie, denk ik, meneer Verkerk. Dat hebben wel meer mensen. Het wordt tijd, dat u van alle seizoenen gaat genieten!”

De juf knipt weer met haar vingers. Alle kinderen gaan staan. In hun handen houden ze grote foto’s omhoog van vrolijke voorjaarstafereeltjes.(Bijvoorbeeld: een veld vol bloemen, mensen op de fiets, mensen op het strand, lammetjes, kinderen in een zwembad.)
Juf: “Kijkt u nou toch eens, meneer Verkerk. Hier kunnen we in het voorjaar van genieten. Dat is toch de moeite waard. Of niet?”

Meneer Verkerk knikt, doet zijn winterkleding uit en neemt een paaseitje. Hij geeft alle kinderen vol berouw een hand en loopt weg.
De juf en de kinderen pakken al hun spullen en verlaten tevreden het toneel…

Tot slot

Ik wens u en de kinderen veel plezier met het spelen van dit toneelstuk. Het kan voor u een prima aanleiding zijn, om een aantal lessen te geven over de (wisseling van de) seizoenen, waarbij – in deze tijd van het jaar – het voorjaar uiteraard centraal staat. De kinderen zijn in het toneelstuk uitdrukkelijk met diverse aspecten van de seizoenen bezig geweest, zodat die daarna als uitgangspunt kunnen worden genomen voor een lessenserie.

Veel succes!