Het wordt in onze samenleving steeds belangrijker, dat we kinderen leren voor zichzelf op te komen. Laten we nu eens beginnen bij het leren vormen van een eigen mening en het leren verwoorden en beargumenteren daarvan. Weten waar je voor staat en dat te durven uiten vergroot de kans op succes in de verdere loopbaan. Daarnaast is het ook nog eens een uiterst rijke omgeving, om actief met taal bezig te zijn.

Wat is debatteren?

Debatteren wordt vaak verward met discussiëren. Maar dat is niet hetzelfde! Bij een discussie probeer je elkaar te overtuigen of je probeert samen tot een compromis te komen. Bij een debat daarentegen kun je niet veranderen van standpunt. Je blijft bij je eigen standpunt en verdedigt dit zo goed mogelijk. Voor wie doe je het dan, zult u zich afvragen. Er is altijd een jury, die uiteindelijk kiest welke partij zich het sterkst heeft doen gelden.

Toepassing in het basisonderwijs

Hoe kun je dit nu toepassen in het basisonderwijs? Neem een groep 7 of 8. Bedenk leuke, actuele, interessante stellingen en ga dan aan de slag met een van de werkvormen, die verderop in dit artikel beschreven worden.
Let op! Maak van tevoren duidelijk afspraken met de kinderen. Het is niet de bedoeling, dat een kind wordt aangekeken op zijn/haar (al dan niet toegewezen) mening. Een veilige sfeer is erg belangrijk, om goed te kunnen debatteren.

Stellingen formuleren

TIPS
Een goede stelling formuleren is lastig. Maar ik heb een aantal tips voor u:
– Een stelling mag nooit geformuleerd worden als vraag. Met een vraag kun je het niet eens of oneens zijn. Je kunt enkel antwoord geven op de vraag. En het gaat er nu juist om of je het met een stelling eens of oneens bent!
– Probeer in een stelling de woorden niet, nooit en geen te vermijden. Dit kan leiden tot verwarring: ben ik nu vóór of tegen met mijn mening?
– Kinderen worden het meest geprikkeld, als ze het heel erg oneens zijn met een stelling! Maar: let op! Er moeten natuurlijk wél argumenten vóór en tegen te bedenken zijn, anders staat bij voorbaat al vast wie de winnende partij is.
– Het is een goed idee, om stellingen te bedenken aan de hand van een aflevering van Schooltv-weekjournaal of het Jeugdjournaal. De meeste kinderen kijken hiernaar en weten dan ook wel wat er met de stelling bedoeld wordt. Daarnaast betrekt u meteen de actualiteit erbij.
– Wat het ook altijd goed doet, zijn stellingen, die te maken hebben met de school zelf of de belevingswereld van de kinderen. Kinderen kunnen zich hier namelijk altijd een beeld bij vormen.

VOORBEELDEN
Ik geef u enkele voorbeelden van goede stellingen:
– Ieder kind moet dagelijks meehelpen in het huishouden.
– Een schoolreisje moet leerzaam zijn.
– Televisieprogramma’s met geweld moeten verboden worden.
– Alle kinderen moeten zakgeld krijgen.
– Ouders hebben altijd gelijk.

Werkvormen

HOEKEN
– Schrijf een stelling op het bord en wijs twee hoeken in de klas aan. Eén hoek is vóór de stelling en de andere hoek is tegen de stelling.
– Geef de kinderen een moment om de stelling te overdenken en laat ze vervolgens naar een hoek toe gaan.
– In beide hoeken maken de kinderen tweetallen om het over de stelling te hebben. Want ook al ben je allebei vóór of tegen, het zou zomaar kunnen, dat beide meningen op verschillende argumenten zijn gebaseerd.
– Vervolgens maken de kinderen opnieuw tweetallen, maar nu met een kind uit de tegenovergestelde hoek. Hier gaat het wél om het overtuigen en het goed beargumenteren. Waarom ben je juist vóór of tegen?
– U zou kunnen afsluiten, door de kinderen te vragen naar de hoek te gaan met het standpunt, waar ze nu achter staan. Wie is er gewisseld? En waarom?

DEBAT
– Het debat wordt gevoerd door twee teams en duurt ongeveer tien minuten. Eén team is vóór de stelling en het andere team is tegen. Wie vóór en wie tegen is, bepaalt u!
– Splits niet de groep meteen in tweeën, want u hebt ook nog een jury en een gespreksleider nodig. De gespreksleider leidt het debat en geeft de beurten. Erg belangrijk: een gespreksleider is altijd neutraal. De jury kiest uiteindelijk welk team de stelling het best heeft aangevallen of verdedigd.
– De teams zitten tegenover elkaar (zonder tafels!) en de jury zit aan de zijkant. De gespreksleider heeft een soort voorzittersfunctie en zit tegenover de jury, zodat hij/zij goed zicht heeft op beide teams.
– Allereerst krijgen beide teams de gelegenheid om argumenten te bedenken. Voorbeelden en grapjes doen het ook altijd goed, om de jury te overtuigen. Het is ook belangrijk je in te kunnen leven in de tegenpartij. Door goed voor ogen te hebben met wat voor argumenten de tegenpartij zal komen, kun je alvast bedenken hoe je die argumenten kunt gaan weerleggen.
– Laat de jury bij het bedenken van argumenten gerust helpen! Dat de leden van de jury het zelf ergens mee eens of oneens zijn, zegt niets. Het gaat erom, wie het sterkst is. En dat zal moeten blijken uit het debat! Een idee is, om de jury aandachtspunten te geven, waarop ze moeten letten gedurende het debat. Denk dan aan: de samenwerking binnen een team, de presentatie en het wel of niet afwijken van het onderwerp.
– Het debat begint altijd met de voorstanders. Eén teamlid mag uitleggen waarom de leden van zijn/haar team vóór de stelling zijn en wat hun argumenten zijn. Dit mag één minuut duren. Hierna mogen de tegenstanders hun standpunt verkondigen.
– Als beide teams geweest zijn, krijgt de gespreksleider het druk. De teams mogen vanaf nu namelijk op elkaar reageren. (De sprekers moeten overigens wél op hun beurt wachten!) Een teamlid dat iets wil zeggen, gaat staan. Zo kan de gespreksleider zien aan wie hij/zij de beurt moet geven. De gespreksleider mag een spreker afkappen, als die afwijkt van het onderwerp, als wat hij/zij zegt niets met de stelling te maken heeft of wanneer het te lang duurt. Ook houdt de gespreksleider de tijd bij.
– Het debat wordt afgesloten, door beide teams nog even kort (één minuut) hun conclusie aan de jury te laten verwoorden.
– Hierna gaat de jury in beraad. Die krijgt dan maximaal vijf minuten om de winnende partij aan te wijzen. Voor de leden van de jury is belangrijk, dat ze kunnen beargumenteren waarom de gekozen partij de terechte winnaar is.
Nota bene. Als deze werkvorm voor het eerst uitgevoerd wordt, kunt u het best zélf de gespreksleider zijn. Later kan deze taak dan aan een van de kinderen worden gegeven.

BALLONDEBAT
– Voor het ballondebat heb je erg veel overtuigingskracht nodig. Wat is er aan de hand? Een aantal kinderen – de ballonvaarders – zitten in een luchtballon, die lek is. Er is maar één mogelijkheid om veilig te landen. En dat is, als er maar één persoon in de ballon zit. Niet iedereen kan dus in de ballon blijven. De ballonvaarders moeten dan ook aan de rest van de groep duidelijk maken waarom nu juist zij deze ballonvaart moeten overleven!
– Vijf tot (maximaal) tien kinderen staan in de denkbeeldige luchtballon voor de klas. Elk kind bedenkt voor zichzelf wie of wat hij/zij vertegenwoordigt. Dit hoeft dus geen persoon te zijn. Alles mag. Denk aan: de zon, je moeder, de toekomst.
– Elk kind moet de rest van de klas zo goed mogelijk proberen te overtuigen waarom hij/zij in de ballon zou moeten blijven. Bijvoorbeeld: “Je gooit je moeder toch niet uit de ballon! Wat moet je nou zonder je moeder?”
– Als elk kind heeft gespeecht waarom hij/zij in de ballon moet blijven, komt er een stemmingsronde. De helft valt af. (Bij een oneven aantal blijft de grootste helft staan.) De klas bepaalt wie er uit de ballon gaat. Dus in feite bepaalt de klas wie of wat ze niet langer nodig hebben! Noem de ballonvaarders op en laat de kinderen hun hand opsteken, wanneer ze vinden dat dit kind de ballon moet verlaten. De kinderen stemmen dus zo vaak als dat er kinderen uit moeten.
– Dan wordt er opnieuw gespeecht. Maar nu reageren de ballonvaarders in afzonderlijke beurten op wat anderen eerder in het debat gezegd hebben. Ze proberen zichzelf sterker te maken door argumenten tegen de anderen te noemen.
– Hierna is er opnieuw een stemmingsronde en wordt er een winnaar gekozen. Laat de kinderen weer hun hand opsteken, om de afronding zo soepel en snel mogelijk te laten verlopen.

Tot slot

Het is belangrijk, om niet te moeilijk te beginnen met debatteren. Want dan kan het gebeuren, dat er weinig uit de kinderen komt. En dat is niet de bedoeling natuurlijk! Kies een werkvorm, die past bij de beginsituatie van uw groep. Op die manier is de situatie veilig en kunt u op een gegeven moment naar andere werkvormen toewerken.

Veel succes!

Reageren?
Ik hoor graag uw ervaringen en zelfbedachte stellingen. Wilt u reageren? Stuur dan een e-mail naar: juf.manon@live.nl.