Kunt u zich een leven zonder muziek voorstellen? Een feest waar geen noot klinkt? Een verjaardag zonder verjaardagslied? Een bruiloft waar geen muziek in zit? Dat hadden de leden van de popgroep Abba goed begrepen, toen ze in 1977 het lied Thank you for the music uitbrachten. Het zingen van liederen maakt je blij. Het geeft je een fijn gevoel. Een leven zonder muziek kunnen de mensen van Abba zich dan ook niet voorstellen. Ze bedanken in hun lied voor het fenomeen muziek.

Waarom zingen we eigenlijk?

EEN MENS WIL GEWOON ZINGEN!
Zingen hoort bij mensen. Er is niet één cultuur op deze aarde, waarin niet wordt gezongen. En dat geldt voor de gehele geschiedenis: van de eerste homo erectus (Latijn voor: rechtopgaande mens) tot en met de moderne mens anno 2011 aan toe. Zingen hoort bij mensen. En mensen zingen graag!
Marco Borsato hoeft in het refrein van een lied alleen maar even zijn arm met de microfoon omhoog te steken en het hele GelreDome zingt het refrein! Soms bekruipt mij wel eens het gevoel, dat een populair concert er niet is om naar te luisteren, maar om mee te zingen… Een mens wil immers zingen!

FUNCTIES VAN ZINGEN
De redenen waarom wij zo graag willen zingen, zijn divers. Zo is er het volgende citaat uit het voorwoord van het Geuzenliedboek, waarin duidelijk wordt gemaakt waarom men zingt: ‘Ons volk beroofd van vliegtuigen, kanonnen en geweren had een geheim wapen ontdekt: het lied. En dat wapen heeft het den geheelen oorlog gehanteerd. (…) Liederen die den Nederlanders moed wilden inspreken, die hen wilden doordringen van de waarde van het eigene om hen zoo sterk te doen staan tegen de overweldiger.’ 2 (1945.)
Maar een reden om te zingen is niet altijd zo «zwaar van karakter», vertelt Bert van Oers in het artikel In the mood: ‘(…) zien we bij supporters in een stadion. Waarom zingen zij? Ze zingen alleen maar als het goed gaat met hun elftal. Het zingen geeft uiting aan hun overwinningsgevoel en smeedt tevens de groep tot een sterke eenheid. Zingen heeft een belangrijke functie in de groepsvorming.’ 3 (Prof. Dr. Bert van Oers.)

VAN WIEGELIED TOT KERSTSAMENZANG
Zo zijn er nog veel meer redenen om te gaan zingen. Ik denk bijvoorbeeld aan de moeder of de vader, die een huilende baby in slaap wiegt en er een liedje bij zingt, om het kind tot rust te brengen. Of aan de toost, die – vergezeld van ‘I prosit’ – wordt uitgebracht. De jarige, die wordt toegezongen. Sinterklaas, die wordt verwacht, waarbij kinderen oorverdovende zangkoren vormen, om de komst van de goedheilig man te bespoedigen. Ik denk aan het Wilhelmus tijdens de Dodenherdenking op 4 mei, dat zo heel anders klinkt en voelt dan het Wilhelmus, dat ten gehore werd gebracht bij bijvoorbeeld de overwinning van Sven Kramer. De hartverwarmende kerstsamenzang op het plein, in de koude kerstnacht. Enzovoort. Kortom…, er zijn enorm veel en uiteenlopende redenen om zo af en toe eens lekker de stembanden te laten trillen en een lied (mee) te galmen!

Waarom zingen in de basisschool?

UITEENLOPENDE REDENEN
Binnen het onderwijs werd altijd wel gezongen. De redenen waren uiteenlopend. Soms was de reden vooral religieus van aard. Er werden psalmen gezongen. En op die manier beleefden en doorleefden de zangers hun psalmteksten. ‘Het ging eerst en vooral om de tekst, de muziek diende er vooral toe de inhoud en betekenis van de tekst krachtig in het bewustzijn te verankeren.’ 4 (Constantijn Koopman, 2005). Soms was het vooral het overdragen van cultureel, muzikaal erfgoed. In sommige gevallen werden liederen ingezet, om teksten goed en nauwkeurig te kunnen onthouden. En natuurlijk waren feesten en gedenktijden altijd een reden om een lied aan te leren en te zingen.

ZINGEN ALS BASIS VAN MUZIKALE VORMING
Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw zette Willem Gehrels zich in voor het zingen in de basisschool (toen nog de lagere school), met als belangrijkste reden: ‘Het ideaal van de muzikale opvoeding moet zijn ieder jong mens zoveel muzikale ontwikkeling mede te geven, dat hij later actief of passief aan het muziekleven deel kan hebben.’ 5 (Gehrels, 1942.) ‘Om alle kinderen te bereiken met muzikale vorming moet je het aanbieden binnen het algemeen onderwijs. En omdat de jonge jaren beslissend zijn voor het niveau waarop men de rest van zijn leven muziek kan beoefenen, lijkt de basisschool zonder twijfel de meest aangewezen plaats om werk te maken van de muzikale opvoeding.’ 6 (Constantijn Koopman, 2005.) Gehrels wilde dat het culturele leven voor iedereen toegankelijk werd. Iedereen moest de mogelijkheid krijgen om te kunnen participeren in het culturele leven.De muzikale vorming van Gehrels ging dan ook verder dan enkel het zingen. Maar voor Gehrels is het zingen wél de basis om te starten. De stem is immers het instrument, waarover iedereen beschikt en waarmee je zonder al te veel techniek snel tot een muzikale beleving kunt komen. Soms zelfs meerstemmig, door in canon te zingen. ‘Het zingen van een canon is een prachtig middel om in korte tijd met een groep meerstemmig te musiceren.’ 7 (Jan Kruiming).

BREDER PERSPECTIEF
Ruim een halve eeuw later worden redenen om te zingen vanuit een heel andere optiek geformuleerd: ‘Singing in particular promotes children’s intellectual, social, emotional and physical development. In our world of increasing divisiveness along lines of color, creed, race or religion, singing is a powerful means of enabling access and inclusivity for all pupils.’ 8 (Roberta Alexandra, 2005.) Het zingen wordt in een veel breder perspectief geplaatst. Ook qua persoonlijke ontwikkeling blijkt zingen zich te legitimeren in de basisschool. Ook als instrument voor de intrapersoonlijke ontwikkeling wordt het zingen van liederen door de zangeres Roberta Alexandra gelegitimeerd.

Hoe het was…

Tot het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw was het zo, dat het vak muziek in de (toen nog) lagere school zingen inhield. Een vak tussen de andere vakken, dat normaal op het weekrooster van de klas stond. Elke week werd er dus met de klas gezongen. De liederen die werden gezongen, waren voornamelijk afkomstig uit het volksliedrepertoire, de volksbeweging. In het bijzonder onderwijs kwamen daar dan ook nog kerkelijke liederen bij. De zangcultuur werd zo overgedragen. ‘In ieder kind is een spontane drang tot zingen aanwezig. Wij willen verder gaan en beweren dat ieder normaal mens de drang tot muzikale uiting in zich draagt.’ 9 (Gehrels.) Het zingen was dus een doodnormale aangelegenheid in de lagere school van vóór 1960.

Wat veroorzaakte de verandering?

Met het gevaar om in de valkuil «vroeger was alles beter» te vallen, zal ik tóch proberen om een korte impressie te geven waarom de plaats van het zingen in de basisschool zo is veranderd.

MEEZINGVERSIE VEROVERT BASISSCHOOL
In de jaren zestig veranderde er veel. Er werden talloze «heilige huisjes» omvergehaald. Ook het lager onderwijs ontkwam er niet aan. En zeker niet het liedrepertoire. Want dat was onderhevig aan de opkomst van de o zo populaire popmuziek. De komst van de grammofoonplaat in de jaren zestig zorgde voor een grote verandering. Al snel kwamen er plaatjes, met daarop liedjes, inclusief meezingversies voor de lagere school (basisschool). In de jaren zeventig kwamen daar nog de cassettes bij. En in de jaren negentig de cd’s.
De meezingversie kwam dus de basisschool binnen. En dit had tot gevolg, dat de leerkracht zich minder geroepen voelde om zelf met de groep te zingen! (‘Laat de kinderen maar meezingen met de cassette!’) Bovendien konden de eigentijdse, «hippe» begeleidingen, die op de cassette werden gespeeld, niet door een leerkracht live worden waargemaakt.
Maar het zal duidelijk zijn: het zelfstandig zingen in de klas werd door deze ontwikkelingen en opvattingen niet bevorderd! ‘Zonder begeleiding kunnen we niet zingen!’ was de opvatting. En hierdoor werd de spontaniteit om «even wat te zingen» sterk onderuitgehaald. Maar toch is dit niet de enige verklaring waarom klassikaal zingen langzaamaan zo zeldzaam werd.

MUZIKALE COMPETENTIE
Voordat in de jaren zeventig van de vorige eeuw de pabo in het leven werd geroepen, werden kleuterleidsters opgeleid op de klos en werden onderwijzers van de eerste tot en met de achtste klas van de lagere school opgeleid op de kweekschool. Zowel de «klossers» als de «kwekelingen» kregen een gedegen opleiding in het zingen. Het was in die tijd helemaal niet gek, als men een lied a prima vista (direct de melodie van het blad aflezend) kon zingen of intervallen kon treffen. En de kwekeling had vaak een heel repertoire, zelfs met meerstemmige liederen, in zijn/haar liedbagage. De kleuterleidster was goed op de hoogte van de muzikale mogelijkheden, die een kleuter tot zijn/haar beschikking had. En bovendien kende ze de verschillende ontwikkelingsfasen van de kleuter(stem). ‘Zingen doe je niet alleen in de muziekles. Het is ook een ideale werkvorm om te gebruiken bij de organisatie van je lessen. Bijvoorbeeld bij het maken van een kring of als signaal bij het opruimen.’ 10 (Kleuterwijs.)

VROEGER WAS HET TÓCH BETER?
Met het samengaan van de klos en de kweekschool is er veel specifieke kennis van die opleidingen veralgemeniseerd (lees: gesneuveld). Het aantal vakken op de pabo-opleidingen was dusdanig, dat een vak als zingen in de muziekles minder aandacht kreeg. Maar juist voor een vak, dat sterk afhankelijk is van vaardigheden (het stemgebruik), is het noodzakelijk, dat er met grote regelmaat (minstens één keer per week) wordt «getraind», om die vaardigheid goed onder de knie te krijgen.
Tel daar dan ook nog eens bij op, dat de overgang naar de pabo gepaard is gegaan met de overgang naar een modulair systeem, waarin vakken per periode worden gegeven en niet meer wekelijks. Dan moet de conclusie wel zijn, dat de aandacht voor het vak zingen vroeger op de opleiding voor kleuterleidster en onderwijzer veel groter en gedegener was dan nu het geval is.

Hoe het is…

VICIEUZE ONTWIKKELING
Door de ontwikkelingen, zoals ik die in het voorafgaande beschreven heb, is er een soort vicieuze ontwikkeling ontstaan. In allerlei rapporten over muziek in het basisonderwijs is dat ook terug te lezen. Leerkrachten hebben binnen hun opleiding niet meer geleerd om goed te zingen en voelen zich daardoor niet capabel om een lied aan te leren. Ze zijn onzeker over hun eigen zangvaardigheid (durven niet te zingen) en kennen niet de educatieve waarde van het zingen van een lied. Het gevolg hiervan is, dat de kinderen in het basisonderwijs slechts sporadisch zingen.‘De meeste kinderen vinden zingen leuk. In veel situaties hoor je kinderen zingen. Vooral jonge kinderen hebben geen last van valse schaamte of gewenning aan de eigen stem. Als met kinderen echter niet regelmatig gezongen wordt, raken ze deze onbevangenheid kwijt. Motivatie van kinderen is verbonden met vaardigheid. Als ze iets kunnen, zullen ze het graag doen.’ 11 (Muziek, Meester!)
De studenten die een pabo binnenkomen (de toekomstige leerkrachten) nemen haast geen zangbagage mee en moeten de kinderen straks leren zingen. Dat zal dus niet lukken!

ZAL HET TIJ KEREN?
Gelukkig zijn er allerlei instanties, die het «probleem» zien. En al deze instanties proberen, ieder op een eigen manier, om «het tij te keren». Ik noem een paar voorbeelden:
Blad
Zo is er natuurlijk het Praxisbulletin, dat elke maand met een nieuw liedje komt. Op praxisbulletin.nl is het liedje te beluisteren. En ook staat er een meezingversie klaar. De lezer van dit blad hoeft dus nooit met de handen in het haar te zitten, omdat er geen materiaal voorhanden is. De leerkracht hoeft het lied niet vanaf het notenschrift te leren, maar beschikt over een voorgespeelde melodie. Hij/zij pakt de tekst erbij en… meezingen maar! Het liedje is zo geleerd én zo aangeleerd aan de klas!
(School)televisie
Via de schooltelevisie wordt het programma Liedmachine aangeboden, waar de bovenbouwleerling van de basisschool een eigentijds lied wordt aangeleerd. Ook niet te vergeten is het VARA-initiatief Kinderen voor kinderen, met aansprekende liedjes voor basisschoolkinderen. De leefwereld van het basisschoolkind wordt hierbij verklankt op een «popachtige» manier en gezongen door leeftijdsgenoten.
Vereniging
Heel actief stelt de Gehrels Vereniging zich op. Vijf keer per jaar verschijnt het tijdschrift De Pyramide, met allerlei liedjes en muzieklessen voor de basisschool. En daarnaast organiseert de vereniging nog tal van bijeenkomsten en workshops, om het muzikale peil op de basisschool te vergroten.
Vakspecialist muziek
Ook moet de vakspecialist muziek worden genoemd. Een relatief nieuw fenomeen in de basisschool, waarbij een van de collega’s de post-hbo-cursus vakspecialist muziek volgt, om vervolgens in de basisschool het muziekonderwijs een flinke impuls te geven.
Populaire zingactiviteiten
Naast deze typisch educatieve voorbeelden zijn er ook voorbeelden uit het huidige tv-aanbod te noemen, die aantonen, dat men (en dan bedoel ik met name de jongere) graag zingt. Ik noem programma’s als Idols, So you wanna be a popstar en The X-factor. En natuurlijk mag in deze (onvolledige) opsomming niet het Eurovisie Songfestival ontbreken, waarbij in 2009 Nederland de winnaar werd van de juniorversie.
Het wringt wél, dat deze populaire zingactiviteiten niet binnen een basisschool vallen! ‘Immers, elk mens beschikt over kunstzinnige potenties, ieder kind heeft de behoefte om te maken, te scheppen. Het zijn authentieke behoeften en potenties van ieder mens. En daarom moet er in het basisonderwijs ruim aandacht voor zijn.’ 12 (Nico Smit.)

Hoe het zou kunnen zijn…

INTEGREREN
Het zingen in de klas zou veel «gewoner» moeten zijn. ‘Want wij behoeven die belangstelling niet te wekken, wij behoeven er slechts zorg voor te dragen haar te behouden. Van huis uit heeft het kind belangstelling voor muziek, voor zingen.’ 13 (Gehrels.) Het zingen zou zich niet uitsluitend moeten beperken tot dat halfuurtje muziek op de donderdagmiddag, dat vaak ook nog eens niet doorgaat, omdat de rekentaak nog niet helemaal af is gekomen.
Nee, wat zou het mooi zijn, als we de rekentaak vandaag eens in de vorm van een liedje gingen doen. Ik weet zeker, dat de rekenles dan op een veel grotere motivatie van de kinderen kan rekenen. Alle leerlingen in de les wereldoriëntatie veren op als bij het onderwerp Slavernij in de Verenigde Staten een echte worksong wordt gezongen. De uitbreiding van de woordenschat zou een enorme impuls krijgen voor (NT2-)leerlingen, als ze elke week een nieuw lied zouden leren. Denk hierbij ook maar eens aan Engelstalige liedjes. Slissen, murmelen, nasaal praten: het zijn allemaal logopedische aandachtspunten, die door goed en regelmatig zingen kunnen worden getackeld!

BREED EDUCATIEF KADER
‘Muziek is voor kinderen een uitdaging. Ze vinden het heerlijk om met muziek bezig te zijn. Maar muziek is meer. Het is de sleutel tot de brede ontwikkeling van een kind: ontwikkeling van kennis, vaardigheden en inzichten. Terwijl de kinderen plezier beleven aan de liedjes vindt er ook ontwikkeling plaats op motorisch, sociaal, emotioneel, cognitief, creatief en zintuiglijk gebied.’ 14 (Hans van Eerden, 2006.) Met dit citaat wordt het zingen van liedjes in een breed educatief kader geplaatst. ‘Muziek is niet als zodanig waardevol, maar ook omdat het verbonden is met de andere levensgebieden.’ 15 (Constantijn Koopman, 2005.)
Emotioneel
Zingen helpt kinderen om zich emotioneel te ontwikkelen. Ze komen in liedjes allerlei gevoelens tegen, waar ze hun eigen gevoel in kunnen herkennen. En ze kunnen die gevoelens uiten.
Creatief
Ook de creativiteit komt bij het zingen aan bod. Niet de creativiteit van de productie (iets nieuws maken), maar wél de creativiteit van de reproductie: kinderen kunnen een lied tot leven brengen en misschien wel een canon met de klas uitvoeren. Kortom: ze kunnen een gezongen kunstwerk produceren.
Sociaal
De sociale ontwikkeling van de kinderen wordt door het zingen van liedjes ook bevorderd. Het is immers zo, dat het zingen bij uitstek een gemeenschappelijke activiteit is. Soms met verschillende taken, bijvoorbeeld in het geval van meerstemmigheid. Maar altijd is men gezamenlijk bezig aan één lied.
Motorisch
De motoriek wordt ook ontwikkeld door het zingen. En dan met name de fijne motoriek van het stemapparaat. Alle spieren hiervan moeten samenwerken, om een bepaalde klank te produceren: stembanden, aangezichtsspieren, mondstand, tong, enzovoort.
Zintuiglijk
Bij de zintuiglijke ontwikkeling gaat het vooral om de auditieve ontwikkeling: goed luisteren naar elkaar, een toon overnemen, het tempo volgen, op tijd stoppen, je eigen partij blijven volgen bij canon en meerstemmigheid, enzovoort.
Cognitief
En tot slot is er de cognitieve ontwikkeling, waar de kinderen door te zingen in groeien. Die groei bestaat uit: het onthouden van teksten, het leren van nieuwe woorden, het herkennen van rijmschema’s, het bevorderen van de leesvaardigheid (zingen van teksten) en het leren kennen van nieuwe liederen. Maar ook: het passief aanleren van het traditionele notenschrift, het verticaal lezen van notenschrift in combinatie met de tekst, het doen van meerdere dingen tegelijk (multitasken), het zingen en tegelijk opletten dat je het lied én de rest van de klas blijft volgen.

Maar ondanks al deze ontwikkelingspsychologische argumenten is er één feit niet genoemd. En dat is, dat het heerlijk is om te zingen! Zingen is de vrijetijdsbesteding, waar de meeste Nederlanders zich mee bezighouden. Als je zingt, dan vergeet je even alles. Als je zingt, maakt je lichaam het hormoon endorfine aan. En dat geeft je een geluksgevoel!

Cultuurgoed

‘Liedjes behoren tot het cultuurgoed van de Nederlandse taal en kunnen uitstekend benut worden als toelichting bij het onderwijs in de moedertaal en andere vakken; niet alleen om hun literaire waarde maar ook om hun sociologisch belang.’ 16 (Vic van de Reijt.)
Gelukkig is er de laatste jaren steeds meer aandacht voor cultuur gekomen, met name ook van de beleidsmakers. De laatste jaren is cultuureducatie hot in het onderwijs. Dit geldt overigens niet exclusief voor het basisonderwijs.
Het zingen in de basisschool maakt natuurlijk ook onderdeel uit van deze cultuureducatie. Zingen heeft namelijk ook een heel specifieke culturele waarde. Een culturele waarde, die niet alleen specifiek gericht is op de Nederlandse cultuur, maar die ook multicultureel (of intercultureel) van aard is. Een culturele waarde, die voor de leerlingen vanuit authentiek onderwijs naar voren komt. ‘U deelt met mij het streven om iedereen, van jongs af aan, in aanraking te laten komen met cultuur. Een brede culturele basis is een voorwaarde voor ontplooiing van talent.’ 17 (Ronald Plasterk, oud-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.)
Laten we hopen, dat – ondanks de kabinetswisseling – de aandacht voor ons cultuurgoed, voor cultuureducatie en dus ook voor de culturele waarde van het zingen niet verloren gaat!

Tot slot

En zo krijgen we tóch weer een beetje terug uit «die goeie, ouwe tijd». De tijd van vóór alle onderwijskundige vernieuwingen. De tijd, waarin het nog heel gewoon was, dat cultuur ook door middel van het zingen werd doorgegeven. En hopelijk blijft dat zo. Welk lied gaat u uw klas morgen aanleren?

Veel plezier!

Noten
1 Benny Andersson en Björn Ulvaeus, 1977.
2 Geuzenliedboek: 1940-1945.
3 Harmonie in Gedrag, Haagse Hogeschool/Karakter Uitgevers B.V., Uithoorn, 2008.
4 Constantijn Koopman, Maakt muziek slim? In: Muziek beleven, Koninklijke Van Gorcum, 2005.
5 Willem Gehrels, Algemeen vormend muziekonderwijs, tweede druk, 1942.
6 Constantijn Koopman, Maakt muziek slim? In: Muziek beleven, Koninklijke Van Gorcum, 2005.
7 Come, follow me!, Stichting Muzikale Vorming (SMV), 2003.
8 Klankkleur (liedbundel), Gehrels Vereniging, 2005.
9 Willem Gehrels, Algemeen vormend muziekonderwijs, tweede druk, 1942.
10 Kleuterwijs, Stichting Muzikale Vorming (SMV), 2004.
11 Haverkort, Van der Lei & Noordam, Muziek, Meester! (deel 1), Thieme/Meulenhoff, Utrecht/Zutphen, 2004.
12 Nico Smit, Kunst op school: mmm… In: Muziek Leren, Koninklijke Van Gorcum, 2005.
13 Willem Gehrels, Algemeen vormend muziekonderwijs, tweede druk, 1942.
14 Hans van Eerden, Lila-liedjesboek, Uitgeverij Zwijsen, Tilburg, 2006.
15 Constantijn Koopman, Maakt muziek slim? In: Muziek beleven, Koninklijke Van Gorcum, 2005.
16 Toen wij uit Rotterdam vertrokken, Bert Bakker, Amsterdam, 1994.
17 Handboek cultuureducatie in de Pabo, Cultuurnetwerk Nederland, 2009.