Aan het eind van het creatieve ontstaansproces van dit magische spektakelstuk zit het publiek klaar en het ziet op het podium stoeltjes in een halve cirkel staan. Ook aan andere dingen is duidelijk te zien, dat het hier gaat om een klaslokaal. Het schoolbord is een projectiescherm. We horen een schoolbel. Dus nu gaat er iets gebeuren!

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Muziek

De beginsfeer wordt gepresenteerd

Het licht op het podium wordt feller. De zaal wordt donker. Probeer de lampen zó te laten schijnen, dat vanaf het podium het publiek niet te zien is. Vanaf de zijkant komt een juf op, met achter haar aan een groepje kinderen. Iedereen begrijpt: hier komt een klas binnen. De kinderen zingen het op school gebruikelijke binnenloopliedje. Ook een liedje als Ayo, ayo! (uit een bundel van Gehrels) is bruikbaar.
Als alle kinderen – samen met de juf – in de kring zitten, dan is de beginsfeer bepaald: juf met klas. Het publiek begrijpt wat er aan de hand is. Maar het lukt de toeschouwers nog niet om zich te identificeren met een “held”. En er is ook nog geen “probleem”.
Dan zien we van de zijkant een of twee tovenaars opkomen. Zij stralen uit: wij zijn de tovenaars, we hebben een toverstokje (of een triangel of een oosterse gong) en wij gaan hiermee wat laten gebeuren… In een variant voor wat grotere kinderen uit het speciaal onderwijs komen twee alienachtige figuren op. Er bestaan zeer futuristische waterpistolen, fietsknipperlichten of andere bling bling, waarmee ook een tovereffect bereikt kan worden.
Een tik op de triangel: ting! Alle kinderen vallen om en slapen. De juf ook. Luid gesnurk. Het publiek gniffelt. De mensen snappen de “plot”. De tovenaars lopen er tevreden omheen en zeggen ritmisch en dreigend: “Jullie zien ons niet, jullie horen ons niet, jullie weten het niet!” Ook bruikbaar is: “Lierum, larum, lepelsteel, wie hier zo ligt, die kan niet veel!”
Dan pakken ze weer hun triangel en… ting, de toverkunst is afgelopen. De juf en de kring zitten er weer gewoon bij en doen ook of ze niets gemerkt hebben. Het is mooi als het licht wat blauwer wordt, op het moment dat er getoverd wordt.

Eerder voorbereid

Er is van tevoren veel gewerkt met reactiespelletjes: op een trommelslag een korte beweging, op een triangelgeluid een lange beweging. Bij muziek bewegen, bij stilte bevriezen. Bij het geluid van metalen muziekinstrumenten op hoge poten lopen, bij houten klanken bukkend lopen. Enzovoort.

De presentielijst

De juf gaat nu de namen oplezen. Dat gebeurt met een computer en een beamer: projectie op het scherm. Van elk kind verschijnt een foto.
Die foto’s zijn als volgt gemaakt. Iedereen heeft op een dag zijn (of haar) mooiste, leukste, beste kleding aangedaan en iets meegenomen, dat voor hem (of haar) heel belangrijk is. De steen die gevonden werd in de vakantie, de liefste knuffel, de gekke hoed, het mooiste sieraad, de mafste schoenen. Met deze attributen is ieder kind voor een wit doek gaan staan, waarna het is gefotografeerd. Op de computer is gekeken of de foto mooi genoeg was. Alle foto’s zijn daarna in een “map” geplaatst. En deze bijzondere fotogalerij wordt nu met een beamer geprojecteerd en geldt als presentielijst.
De juf is bij voorkeur ook een kind. De échte juf, die voor de zekerheid ook in de kring zit, speelt een kind. De presentielijst kan in klankentaal opgelezen worden. Dat wil zeggen, dat de “juf” zegt: “Uhumuhmmehum?” En het kind dat bedoeld wordt, zegt: “Ughum!”
Hé, de laatste twee kinderen zijn er niet. Hier is een probleem.

Het spel gaat door

De juf geeft nu twee kinderen de opdracht, om even te gaan vragen of er voor die afwezige kinderen gebeld is. De kinderen lopen af en vragen bijvoorbeeld aan iemand uit het publiek: “Weten jullie of die en die nog komen?” Ze wijzen naar het projectiescherm, waar de laatste twee kinderen telkens in beeld komen. Ook dit kan in klankentaal (of jabbertalk) gebeuren. Waarschijnlijk weet de persoon uit het publiek niet waar de kinderen zijn. Of hij (of zij) gaat mee in het spel.

Eerder gedaan

Het gebruik van klankentaal kan met behulp van een gazoo of mirliton. Bedoeld wordt: het geluid van een kammetje met een vloeitje. Met een gazoo kan in klanken worden gepraat. Geef tijdens het oefenen opdrachten als: doe een telefoongesprek, spreek in klanken alsof je boos (of verdrietig of verliefd) bent, enzovoort.
Ook een goede oefening is: zing allerlei liedjes in onzintaal, maar ook in een bepaalde stemming. Ozewiezewoze kan geheimzinnig, woedend, maar ook vrolijk klinken. Maar ook Aramsamsam kan heel anders klinken, als je het verliefd zingt…

Terug naar het toneel

De kinderen, die geïnformeerd hadden waar de afwezigen waren, lopen terug naar de klas, maar worden stiekem aangetikt door de tovenaars. Ze vertellen daardoor in onzinklanken – en dwars door elkaar heen en veel wijzend – een overtuigend verhaal, met de strekking: alles is in orde!
Als ze klaar zijn, is de juf tevreden en zegt: “Nou, dat is dan in orde!”
De klas zingt opgewekt een bekend spelliedje. Bijvoorbeeld: Okidokipokipom. Of misschien kennen ze wel een kinderdans.

Het verhaal komt op gang

Nu komen er losse scènes, die allemaal zijn gebaseerd op de rode draad, die is gepresenteerd. Die rode draad is door het publiek helemaal begrepen: er is een klas met een juf en twee tovenaars kunnen met een truc de groep helemaal betoveren, ze kunnen kinderen dingen laten doen die zij willen.
Het publiek heeft geen antwoord op de vraag of de twee afwezige kinderen nu dezelfde zijn als de twee tovenaars (wat wél zo is) en hoe die kinderen dan tovenaars zijn geworden.
Ook denkt het publiek vast en zeker: die twee tovenaars gaan nog meer toveren. En dat is leuk! Want wat is er nu leuker dan in een klas de boel te betoveren en in het honderd te laten lopen? Dat wou je als kind al! En zo gebeurt het in onze musical.

Vervolgscènes

Zeer overdreven

Als wordt overgeschakeld op gesproken taal, doe dat dan bij voorkeur zeer overdreven. U kent ze nog wel, die ouderwetse kleuterleidsters, die tegen moeders op dezelfde toon spraken als tegen de kinderen: “Oooooh! Wat heeft u een éééénige jas aahaan, ooooh!” Zoiets dus.

Sterk uitvergroot

Een van de kinderen is jarig. De juf haalt de jarige naar voren, er wordt een feesthoed opgezet, er wordt gefeliciteerd en het zingen begint. Helemaal het bekende ritueel, maar bij voorkeur sterk uitvergroot.

• Netjes
De jarige heeft natuurlijk een mand en gaat trakteren. Alles gaat geheel volgens de regels. Alle kinderen krijgen een zakje met wat lekkers en wachten overdreven braaf tot iedereen wat heeft. De jarige gaat ook zitten en de juf zegt: “Eet smakelijk!” En alle kinderen nemen tegelijk één lekkertje en stoppen dat in hun mond, zuigen of kauwen aandachtig, kijken gelukzalig en slikken tegelijk het lekkertje door.
Op het teken van de juf gaat het tweede lekkertje naar binnen. Het ritueel herhaalt zich.

• Onbeschaafd
Maar dan komen de tovenaars op. Overduidelijk sluipen ze dichterbij. De klas merkt niets. En dan: ting! De kinderen, die eerst alles heel netjes verorberden, gaan nu onbeschaafd eten, knoeien, slurpen, lachen, het snoep bij elkaar in de mond proppen, over de grond rollen, snoep in de lucht gooien. Kortom: het wordt een zooi!
Variant. In elk zakje zit een enorme spin, gemaakt van dropveter. Bij ting! halen de kinderen die spin tevoorschijn, gillen van schrik en klimmen op en achter hun stoel.
Met een overduidelijk ting! is iedereen weer in het gareel, maar de klas begrijpt niets van de rommel. Eén kind veegt heel braaf de kruimels op. Of: de spinnen worden gewoon opgegeten.

Nog meer getover

Ting!

De juf sleept een grote kist naar voren en kiept die om. De kist zit vol met knuffels en losse poppenkleertjes. De juf kijkt diep treurig van zo veel troep, troost een knuffelbeer en wijst twee kinderen aan, die de kist netjes moeten opruimen, want o, o, wat is het toch een rommel!
De andere kinderen kijken toe. De tovenaars sluipen weer op en na de ting! gaan de opruimkinderen gooien met de knuffels. (Beer wil vliegen! Popje wil voetballetje zijn. Ik ga barbies uitbroeden. Kan konijn z’n hoofd ook andersom?)
Bij de volgende ting! komt het wel weer goed, maar de klas heeft tóch weer het gevoel dat er iets mis is… Een willekeurig liedje, heel aarzelend gezongen, sluit de scène af.

Nog twee voorbeelden

Zo kunnen er nog meer dingen plaatsvinden. Ik geef een tweetal voorbeelden:

• Strakke beat
De hoofdmeester komt binnen en gaat – dankzij de ting! – ineens breakdancen op een strakke beat.

• De truc met de emmer
Mooi is ook de beroemde scène met de emmer. Een kind komt op met een emmer, waar een krukje onder vastzit. In de emmer zitten snippers. Boven op de snippers ligt een natte spons. Het publiek ziet de snippers niet. Het kind pakt de natte spons, knijpt er duidelijk water uit en gaat iets poetsen. Daardoor lijkt het voor het publiek alsof er water in de emmer zit.
Na de ting! gaat het kind echter met het krukje en de emmer balanceren als een soort acrobaat. Hij (of zij) tilt emmer en krukje hoger en hoger, houdt nog slechts één pootje vast en loopt over het podium. Tromgeroffel… Omdat iedereen denkt dat er water in de emmer zit, is het gegil niet van de lucht. De klas speelt uiteraard mee. Op het hoogste punt begint het kind te wiebelen en loopt richting publiek. Grote spanning en gegil op de voorste rij. Dan verliest het kind zijn (of haar) evenwicht, de stok gaat om en de emmer kiept leeg, boven de eerste rij… Maar in plaats van water dalen snippers neer op het publiek. Succes verzekerd!

Juf op marktplaats

• De juf kan ook een beetje streng worden en aan de kinderen allemaal vragen stellen, die ze verkeerd beantwoorden. Laat kinderen een zin afmaken, geef eenvoudige rekenopdrachten of vraag naar zeer bekende feiten. Maar je kunt in deze ronde ook roddels over de school verwerken, tot vermaak van het publiek. Door de verkeerde antwoorden wordt de juf steeds bozer. En de kinderen zijn helemaal schrikkerig.

• Dan komen de tovenaars op. En: ting! De klas is ineens een marktplaats voor nieuwe juffen. Eén kind is koopman en roept: “Juffen te koop! Ruil hier uw juf in voor een nieuwe.” Een versje kan ook:

Een juf zoals u hier heeft,
dat staat mij heus wel aan.
Ik stel u dan ook voor,
dat wij nu ruilen gaan.

“Maar wat krijg ik dan terug?” vraagt de klant.
“Deze!” roept de koopman en sleept een juf naar voren. Deze juf zegt:

Ik ben een strenge juffrouw,
dus let ik heel erg op.
Als jij niet goed je best doet,
dan krijg je op je kop.

De strenge juf wordt afgekeurd, maar de koopman heeft nog wel een andere:

Ik ben een echte moederjuf.
Wil jij een kopje thee?
Ga voor het buitenspelen
eerst even naar de wee.

Van die moeders zijn er al te veel. Deze dan?

Ik ben een mooie juffrouw,
ga heel erg chic gekleed,
sta uren voor de spiegel
en volg een streng dieet.

• Als het kind uiteindelijk wil ruilen, ontstaat er een ruzietje. Een paar kinderen zijn tegen en roepen heel hard. Per ongeluk stoot er iemand tegen de tovertriangel, waardoor de betovering verbreekt. De ruil gaat niet door.

• De klas en de juf weten nu dat er iets geheimzinnigs aan de hand is. Ze kijken rond, lopen naar alle hoeken, maar snappen er niets van.
Het zoeken kan begeleid worden door tromgeroffel, door geheimzinnige muziek. De tovenaars lopen tussen de leerlingen door, maar worden niet gezien.

Terug in de kring

De klas zit weer en besluit maar iets leuks te gaan doen. De kinderen gaan een paar liedjes zingen.
Een van de kinderen pakt de liedjeslijn. Daar hangen tekeningen aan van ieder liedje, dat de klas kent. Ook dit is natuurlijk lang van tevoren al voorbereid. Eén kind van de klas mag een liedje aanwijzen en dat wordt dan gezongen. Tussendoor kan natuurlijk ook Drie maal drie is negen worden gezongen.
Maar de tovenaars blijven wel “tingen”. En daardoor verandert de manier van zingen. Het liedje gaat sneller, slomer, swingender, valser, vrolijker, enzovoort.
Nota bene. En zo zijn er misschien nog wel andere dingen te bedenken, die de klas kan en die vervolgens door tovenaars veranderd kunnen worden.

De ontmaskering

Dan komt het moment, dat de tovenaars tóch ontdekt worden. Bijvoorbeeld omdat een tovenaar het toverstokje laat vallen en een kind dat toverstokje vervolgens opraapt.
“We worden de hele tijd betoverd!” roept het kind. “Daar! Een paar tovenaars!” Alle kinderen gillen. Dan roepen er een paar: “Grijp ze!” De tovenaars rennen weg en de kinderen gaan er achteraan.
Het toneel is leeg…

De grote achtervolging

Boeven en helden

Terwijl de kinderen backstage bijkomen, wordt met de computer en de beamer een filmpje vertoond op het projectiescherm. Dit filmpje is al eerder opgenomen met een eenvoudige camera. Het toont een achtervolging.
We zien de tovenaars de school uit rennen. Daarna rennen de kinderen de school uit. De tovenaars rennen over het plein en verdwijnen om de hoek. De klas rent óók over het plein en de hoek om. Daarna zie je hetzelfde op andere locaties. Het publiek smult van een complete achtervolging, met telkens dezelfde elementen: eerst zie je op een bepaalde locatie de “boeven” langskomen (in dit geval de tovenaars) en daarna volgen de “helden” (de juf en de kinderen).

Rennen, gillen en vallen op muziek

De opnames kunnen gewoon achter elkaar worden opgenomen. Montage is niet nodig. Het filmpje heeft veel succes, als er bekende plekken in zitten of als er door een gebouw wordt gerend. Bij één school werkte een vader, die baas was van de buurtsuper. De achtervolging vond plaats in een gangpad, tussen de schappen door. Ook het trappenhuis van een flatgebouw, de gangen in de school, een struikelpartij door een zandbak, een bruggetje dat “genomen” moet worden… Het is allemaal goed. En maar rennen! En maar gillen! Afgewisseld door gegluur om hoeken of schrikscènes.
Tien minuten film is zo gemaakt. En een cd met honky-tonkymuziek ondersteunt het beeld. Het voordeel van zo’n film – als onderdeel van de musical – is evident: scènes kunnen de mist in gaan, maar een film kan nooit mislopen!

Het slot

Op het laatst ziet het publiek de tovenaars en de kinderen weer de school in rennen. De film stopt. En op dat moment reageert de groep achter het podium (backstage): de tovenaars komen hijgend op en de “backstagegroep” overmeestert ze.
De triangel wordt afgepakt. De juf doet een bezweringsformule, ze zwaait met een wierookstaafje en… de betovering is verbroken!

Het slotlied

In de coupletten van het slotlied Rondadinella kunnen alle typetjes, die in dit spektakelstuk op het podium verschenen zijn, nog een keer terugkomen. Bijvoorbeeld:

In onze schoolklas hebben wij een heus wel toffe juf.
Ze doet haar best en wij de rest, dus zingen we niet suf: Ronda…
Enzovoort (op niet suffe toon).

Of:

Die puntmuts met z’n toverstaf, dat is een tovenaar.
Als hij iets roept: Ojé! Ojé! Dan zingen we heel raar: Ronda…
Enzovoort.

Als het slotlied is afgelopen, zitten alle kinderen weer in de kring. En het fotoalbum (de presentielijst) verschijnt weer op het projectiescherm. Maar nu wordt die lijst gebruikt voor het slotapplaus!
» Zie: liedje.

Liedje

Rondadinella

Tekst & muziek: Niek Sonneveld

1
In onze schoolklas hebben wij een heus wel toffe juf.
Ze doet haar best en wij de rest, dus zingen we niet suf:

Refrein
Ronda, ronda, ronda, rondadinella.
Ronda, ronda, ronda, rondadinella.

2
Die puntmuts met z’n toverstaf, dat is een tovenaar.
Als hij iets roept: Ojé! Ojé! Dan zingen we heel raar:

Refrein