Iedere leerkracht kent wel kinderen, die aan het begin van een opdracht zeggen: “Oh, makkie!” en die daarna groots falen. Dat zijn de kinderen, die te “goed” over zichzelf denken. Het beeld dat mensen van zichzelf hebben, speelt een rol in het verklaren van het gedrag. De meeste leerkrachten zullen in hun dagelijkse onderwijspraktijk wel ervaren, dat het zelfbeeld van invloed is op het gedrag van een kind. Als kinderen denken dat ze iets niet kunnen, terwijl ze het wél kunnen, dan kan dat de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind in de weg zitten óf juist optimaliseren.

Lastig begrip

Toch is het zelfbeeld een lastig begrip. Meestal zeggen leerkrachten, dat bepaalde kinderen een slecht zelfbeeld hebben. Een slecht zelfbeeld is echter een vaag begrip.
In dit artikel wil ik vijf zelfbeelden duidelijk beschrijven, zodat u bij uw denken over kinderen wat meer gericht het zelfbeeld kunt typeren. En dat kan er weer voor zorgen, dat u nóg gerichter kunt aansluiten bij de kenmerken van de diverse kinderen.

Vijf typen zelfbeelden

Met betrekking tot het sociaal-emotioneel functioneren maakt men wel onderscheid tussen een vijftal typen zelfbeelden:

1 Een reëel positief zelfbeeld
Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont. En dat is in werkelijkheid ook zo.

2 Een verondersteld vermogen
Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Het kind vertoont nogal wat ongewenst gedrag.

3 Een verondersteld onvermogen
Het kind denkt, dat het veelal ongewenst gedrag vertoont, terwijl dat helemaal niet het geval is. Het kind vertoont voldoende gewenst gedrag. Het kind denkt te “slecht” over zichzelf.

4 Een reëel negatief zelfbeeld
Het kind denkt, dat het te vaak ongewenst gedrag vertoont. En dat is in werkelijkheid ook zo.

5 Een diffuus zelfbeeld
Hierbij maken we onderscheid tussen twee subtypen:
– Een onecht diffuus zelfbeeld. Het kind heeft geen idee over zijn/haar eigen gedrag. Dit beeld wordt onecht genoemd, als het kind beperkte uitingsmogelijkheden heeft en dus geen middelen heeft om zich te uiten in de vorm van taal of mimiek.
– Een echt diffuus zelfbeeld. Het kind heeft geen idee over hoe het zich gedraagt, terwijl het wél uitingsmogelijkheden bezit. De verbale ontwikkeling is voldoende.

Van de hierboven genoemde typen zelfbeelden is type 1 (reëel positief zelfbeeld) het enige gewenste zelfbeeld. De andere zelfbeelden zijn ongewenst.

Type 1: een reëel positief zelfbeeld

Omschrijving
Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont. En dat is in werkelijkheid ook zo.

Ontstaan
Het kind heeft veel ontwikkelingsmogelijkheden en ontwikkelingssuccessen en krijgt positieve aandacht met betrekking tot hoe het zich gedraagt. Het kind kan met die positieve reacties positieve zelfkennis opbouwen.

Gevolgen van het zelfbeeld
Het kind ontwikkelt een positief zelfvertrouwen.

Begeleidingsaanwijzingen
Het gaat hier om het gewenste zelfbeeld. Maar het is wél de kunst, om dat zo te houden! En dat kan door de volgende begeleidingsaanwijzingen in acht te nemen:
– Stel eisen aan het kind, die het aankan.
– Wijs het kind op uitdagingen en doelstellingen, die het kind kan nastreven. Vooral het stellen van doelen in je leven én het werken aan het bereiken van die doelen zijn goed voor de zelfwaarde van het kind.
– Maak het kind bewust van wat het allemaal kan.
Dit alles betekent, dat u óók kinderen moet begeleiden, waarbij het goed gaat! De enige benadering van kinderen met dit type zelfbeeld is, om alles te doen om dit zo te houden. Dus blijf het kind positief benaderen en geef het kind eerlijke informatie over zijn/haar functioneren.

Type 2: een verondersteld vermogen

Omschrijving
Het kind denkt, dat het over het algemeen gewenst gedrag vertoont, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Het kind vertoont nogal wat ongewenst gedrag.

Ontstaan
Voor het ontstaan van zelfbeeld, type 2 kunnen de volgende zaken worden genoemd:
– Dit zelfbeeld kan ontstaan, als een kind onvoldoende geconfronteerd wordt met het eigen functioneren. Het kind wordt onvoldoende gewezen op ongewenst gedrag en onvoldoende prestaties. Er zijn ouders, die overal om lachen en alles leuk en goed vinden wat hun kind doet. De begeleiders/opvoeders van het kind zijn te weinig kritisch.
– Soms kan het beeld het gevolg zijn van een pedagogische verwaarlozing: het kind is te vaak vergeten.
– Het is ook mogelijk, dat het kind een stoornis heeft in het opnemen, verwerken en weer gebruiken van informatie. Dan heeft het kind wél vanuit zijn/haar omgeving de juiste signalen met betrekking tot zijn/haar functioneren gehoord, maar die ervaringen zijn géén ervaringskennis geworden.

Gevolgen van het zelfbeeld
Dit zelfbeeld kan diverse gevolgen hebben. Ik noem de volgende mogelijkheden:
– Het gevolg van dit zelfbeeld kan zijn, dat het kind werkhoudingsproblemen krijgt, omdat het niet goed meer oplet. Het kind denkt immers te gauw: ik weet het wel. (Of: ik kan het wel.) Het kind kan daardoor te impulsief zijn, waardoor het kind een opdracht niet geconcentreerd kan afwachten.
– Het gevolg kan zijn, dat het kind onvoldoende op de taak is voorbereid. Met als resultaat: een onjuiste taakuitvoering. Het kind zal niet optimaal nadenken bij de taakuitvoering.
– Andere gevolgen kunnen zijn: overmoedigheid en het nemen van grote risico’s.
– Met betrekking tot het sociaal-emotionele gedrag geldt, dat kinderen met dit zelfbeeld zich weinig openstellen voor opvoedingsvoorstellen. Ze vinden dat het allemaal maar overdreven is en dat ze zich wél goed gedragen. Het resultaat is, dat opvoedkundige contacten weinig effect zullen hebben.

Begeleidingsaanwijzingen
Voor dit type zelfbeeld zijn de volgende begeleidingsaanwijzingen te geven:
– Confronteer dit kind regelmatig met het eigen functioneren, zodat het zich bewust wordt van het feit, dat een heleboel dingen helemaal niet zo goed gaan. Bespreek dat in termen van: dit moet er gebeuren, dit heb je gedaan en heb je nu gedaan wat er moest gebeuren?
Om begeleidingssucces bij dit kind te bereiken, moet het eerst een meer reëel beeld van zichzelf krijgen. Dat kan in het begin even schrikken zijn voor het kind. Maar het is wél belangrijk voor de verdere ontwikkeling.
– Bij oudere kinderen kunt u de antwoorden op bovengenoemde vragen in kolommen laten opschrijven en in de laatste kolom met ja of nee laten aangeven of het kind gedaan heeft wat de bedoeling was.
– Eenvoudige lijstjes van het onderstaande type kunt u behandelen:
Heb je goed meegedaan met het kringgesprek? ja/nee
Had je met rekenen niet meer dan twee fouten? ja/nee

U laat het kind dit soort lijstjes invullen. U doet hetzelfde. En later vergelijkt u de twee lijstjes dan met elkaar.

Type 3: een verondersteld onvermogen

Omschrijving
Het kind denkt, dat het veelal ongewenst gedrag vertoont, terwijl dat helemaal niet het geval is. Het kind vertoont voldoende gewenst gedrag. Het kind denkt te “slecht” over zichzelf.

Ontstaan
Het veronderstelde onvermogen kan een of meer van de volgende ontstaansgronden hebben:
– Het kind heeft het gevoel dat het er sociaal niet (meer) bij hoort en denkt daardoor dat het “helemaal niets (meer) waard is”.
– Het kind krijgt nooit (of te weinig) te horen hoe men over de prestaties en het gedrag van het kind denkt.
– Het kind wordt steeds op onrechtvaardige wijze met anderen vergeleken. Men stelt te hoge eisen aan het kind.
– Het kind krijgt nooit (of te weinig) te horen dat het veel dingen wél goed doet, weet of kan. Ook hier kan – evenals bij andere zelfbeeldtypen – een problematisch cognitief functioneren een rol spelen. Dat betekent, dat het kind moeite heeft met het opnemen, verwerken en toepassen van informatie en ervaringen. Omdat het ontstaan van een zelfbeeld te maken heeft met het omgaan met informatie, die je verkrijgt uit het eigen functioneren én uit beoordelingen van anderen, is het aannemelijk, dat een kind met cognitieve beperkingen een zelfbeeld ontwikkelt, dat niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Een verondersteld onvermogen kan dan een gevolg zijn.

Gevolgen van het zelfbeeld
Ook dit zelfbeeld kan uiteraard weer diverse gevolgen hebben. Ik noem de volgende mogelijkheden:
– Het kan zijn dat het kind dingen gaat zoeken, waarvan het wél weet dat hij/zij er goed in is. Bijvoorbeeld: stoer doen, agressiegedrag vertonen of aandacht trekken.
– Het is ook mogelijk dat het kind faalangst ontwikkelt. Of passiviteit.
– Het grote gevaar van een verondersteld onvermogen is gelegen in het feit, dat het kan omslaan naar een reëel negatief zelfbeeld. Het is immers mogelijk, dat het kind minder gemotiveerd raakt voor de activiteiten op school, omdat het denkt dat het de meeste dingen tóch niet kan. Of omdat het denkt dat niemand van hem/haar houdt. Het kind let dan minder op en zet zich minder in. Het gevolg is, dat het kind inderdaad hiaten in de leerstof gaat vertonen en nu gaat falen, omdat het een aantal dingen inderdaad niet (meer) kan.

Begeleidingsaanwijzingen
Hier geldt – evenals bij het verondersteld vermogen – dat de kijk, die het kind op zichzelf heeft, niet juist is. Dat betekent, dat het kind zodanig begeleid dient te worden, dat het zichzelf beter leert kennen en zich bewust wordt van het feit, dat het veel dingen toch wel redelijk kan én dat anderen hem/haar wél aardig vinden. Ik noem in dit verband de volgende begeleidingsaanwijzingen:
– Het is belangrijk, dat deze kinderen zo veel mogelijk positieve aandacht ontvangen. Dat gebeurt, als u – veelvuldiger dan bij andere kinderen – naar het kind toe gaat, om het te vertellen hoe het zich (goed) gedraagt: “Wat doe je fijn mee met het kringgesprek, zeg!” Of: “Wat heb je toch goed met … samengewerkt!” Of: “Wat heb je weer fijn gespeeld!”
Als u zo het gedrag positief hebt benoemd, kunt u dit later vragenderwijs doen en het kind stimuleren om zelf aan te geven dat het gewenst gedrag vertoont. Op den duur zal het kind daar ook het meeste aan hebben, omdat het dan niet meer afhankelijk is van anderen, maar zichzelf kan beoordelen.
– Bij jonge kinderen is het aan te bevelen een Dit kan ik al-boekje op te zetten. Daar tekent/schrijft u per dag enkele dingen in, die het kind goed gedaan heeft. Geef dat boekje mee naar huis en laat de ouders die positieve/gewenste dingen met het kind bespreken.
– Bij oudere kinderen kunt u ook het Dit kan ik al-boekje samenstellen. Maar u kunt er ook voor kiezen om het kind zelf positieve en gewenste dingen te laten opschrijven. Bespreek regelmatig wat het kind heeft opgeschreven.
– Wijs de klas op dingen, die het kind goed heeft gedaan!

Type 4: een reëel negatief zelfbeeld

Omschrijving
Het kind denkt, dat het te vaak ongewenst gedrag vertoont. En dat is in werkelijkheid ook zo.

Ontstaan
Voor het ontstaan van zelfbeeld, type 4 kunnen de volgende zaken worden genoemd:
– Een reëel negatief zelfbeeld ontstaat, als een kind vaak ongewenst gedrag vertoont en dat ook vanuit zijn/haar omgeving te horen krijgt.
– Een reëel negatief zelfbeeld kan ook de leerprestaties van het kind betreffen. Dit ontstaat, als kinderen leerstof aangeboden krijgen, die te moeilijk voor ze is en de kinderen zich bewust zijn van hun falen op dit gebied.

Gevolgen van het zelfbeeld
Meestal is het gevolg een algehele demotivatie. Ten aanzien van de prestaties denkt het kind dat het tóch niets kan. En met betrekking tot het sociaal-emotioneel functioneren denkt het kind dat het een hopeloos geval is. Het kind zal zich nauwelijks nog inzetten. En als zo’n periode lang duurt, dan kan het kind onverschilligheid en passiviteit als persoonlijkheidskenmerken ontwikkelen.

Begeleidingsaanwijzingen
Voor dit type zelfbeeld zijn de volgende begeleidingsaanwijzingen te geven:
– Met betrekking tot de prestaties is het logisch, dat een kind leerstof moet krijgen, die aansluit bij de kenmerken van het kind. Een aangepast programma is nodig.
– Met betrekking tot gedragsproblemen is een reëel negatief zelfbeeld nadelig voor de toekomstige ontwikkeling van het kind, maar kan anderzijds een goed uitgangspunt zijn voor de opzet van speciale gedragsbegeleiding. In die zin is het een gunstiger zelfbeeld dan het veronderstelde vermogen, want dan denken kinderen dat er niets aan de hand is. Het enige antwoord op het reële negatieve zelfbeeld is een goed opgezette gedragsbegeleiding, door een aanpak op te zetten, waarbij het kind succeservaringen opdoet.
– Het kind moet leerstof op zijn/haar niveau krijgen. Eventueel in de vorm van een eigen leerlijn! En daarbij moet het kind bewust gemaakt worden van zijn/haar successen, door de ontwikkeling bij te houden in een Dit leer ik-boekje.

Type 5-1: een onecht diffuus zelfbeeld

Omschrijving
Het kind heeft geen idee over zijn/haar eigen gedrag. Dit beeld wordt onecht genoemd, als het kind beperkte uitingsmogelijkheden heeft en dus geen middelen heeft om zich te uiten in de vorm van taal of mimiek.

Ontstaan
Taalontwikkelingsproblemen – door verbale verwaarlozing of door een stoornis in het kind op het gebied van de taalontwikkeling – vormen meestal de belangrijkste oorzaak van dit zelfbeeld.

Gevolgen van het zelfbeeld
Het kind heeft wél gevoelens, maar kan ze niet uiten. Dat kan leiden tot kinderstress of tot agressiegedrag.

Begeleidingsaanwijzingen
De hoofdbenadering is het begeleiden van het kind bij het verwerven van sociaal-emotionele taal. Dat kunt u doen met de volgende programma’s:
– Het verwerven van de sociaal-emotionele begrippen met behulp van de begrippenlijst. Het kind moet de taal leren, die nodig is om de sociaal-emotionele ervaringen en gevoelens onder woorden te kunnen brengen.
– Het oefenen van concrete, sociale vaardigheden.
Deze begeleidingsmogelijkheden bieden kinderen de gelegenheid om taal te leren hanteren in sociaal-emotionele taalgebruikssituaties.

Type 5-2: een echt diffuus zelfbeeld

Omschrijving
Het kind heeft geen idee over hoe het zich gedraagt, terwijl het wél uitingsmogelijkheden bezit. De verbale ontwikkeling is voldoende.
Het kenmerk van het kind is, dat het echt weinig van zichzelf weet. Uit niets is op te maken hoe het kind over zichzelf denkt. Het kind weet niet wat het wil, wat het leuk vindt, waar het een hekel aan heeft, enzovoort.

Ontstaan
Er zijn diverse oorzaken te noemen voor het ontstaan van een echt diffuus zelfbeeld:
– Pedagogische verwaarlozing. De opvoeders van het kind gaven het kind weinig informatie over het handelen en het functioneren.
– Een cognitieve stoornis. Het kind heeft problemen met het opnemen, verwerken en weer gebruiken van informatie ten gevolge van een hersenfunctiestoornis.
– Ernstige emotionele problemen kunnen de ontwikkeling van het “ik” belemmeren. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door ingrijpende ervaringen en mishandeling.
– Het kind heeft een persoonlijkheidsstoornis op het gebied van de ik-ontwikkeling.

Gevolgen van het zelfbeeld
Een echt diffuus zelfbeeld is een van de ernstigste zelfbeelden, omdat het de ontwikkeling van het kind ernstig belemmert. Voor zijn/haar ontwikkeling heeft het kind een “ik” nodig, dat zich kan manifesteren en zich kan uiten. Door dat uiten communiceert het kind over zichzelf en over anderen. Als dat uiten niet mogelijk is, kan het “ik” zich niet ontwikkelen.

Begeleidingsaanwijzingen
• Het eerste half jaar
Probeer bij een echt diffuus zelfbeeld een half jaar lang het volgende te doen:
– Pas de begeleidingsaanwijzingen van een onecht diffuus zelfbeeld toe.
– Bouw het “ik” van het kind op, door eenmaal per week remedial education uit te voeren.
Nota bene. Remedial education is remedial teaching voor gedragsproblemen. Dat wil zeggen, dat de begeleider met het kind speciale begeleidingsactiviteiten uitvoert in een ruimte, buiten de ogen en oren van groepsgenoten. In die sessies wordt samen met het kind een Dit ben ik-boekje ontwikkeld, met daarin enkele foto’s van het kind én de behandeling van de thema’s: Zo zie ik eruit, Met deze mensen woon ik, Hier woon ik, Dit is mijn kamer, Dit heb ik graag aan, Dit zijn mijn hobby’s, Dit eet ik graag, Dit vind ik leuk, Dingen om te doen buiten school, Dit vind ik op school leuk, Dit vind ik niet leuk om te doen buiten school, Dit kan ik goed, Dit kan ik niet goed, Hier zie ik tegenop, Met deze kinderen speel ik graag, Dit vind ik leuk op tv, enzovoort.
Bij al deze zaken moet de begeleider van het kind vooraf weten hoe dat bij het kind zit. Het kind kan het immers zelf niet aangeven! Haal de informatie bij de ouders en de groepsleerkracht. Confronteer het kind met de gegevens, schrijf ze op en laat er een tekening bij maken. Zo ontstaat er een geschreven en getekend zelfbeeld, dat ingeoefend moet worden, door dingen te herhalen en terug te vragen, alsof het bijvoorbeeld een overhoring van de topografie van Zuid-Europa was.
Nota bene. U kunt ook samen met het kind een boek lezen over leeftijdsgenoten en steeds een toelichting geven met betrekking tot het karakter en de persoonlijkheid van de hoofdpersonen. Op die manier komt het kind in aanraking met allerlei manieren om persoonlijkheidsaspecten onder woorden te brengen.
– Praat ook over de persoonlijkheid van groepsgenoten, de leerkracht, vrienden en vriendinnen.

• Deskundigheid inschakelen
Als u na een half jaar de indruk hebt dat het kind zich onvoldoende ontwikkeld heeft, dan is het aan te bevelen om een orthopedagoog of psycholoog in te schakelen. Want dit type zelfbeeld is heel riskant voor een goede ontwikkeling van het kind!

Literatuur

Over de invloed van het zelfbeeld, het ontstaan, de gevolgen en de begeleiding ervan zijn wel veel artikelen verschenen in vaktijdschriften, maar weinig echt goede boeken. Wilt u zich na het lezen van dit artikel verder verdiepen in de materie, dan verwijs ik u naar de volgende titels:
• Luc Koning, De nieuwe gedragsorthotheek, Pravoo-instituut, Lekkerkerk.
• Marijke Bisschop, Bouwen aan zelfvertrouwen, Terra-Lannoo, 2004.