Elke maand leest u hier een ‘bespiegeling’ van een van de columnisten van Praxisbulletin. Deze maand schrijft Gallus over een doordenkertje richting de kinderen.

Had was warm weer en de ramen stonden open.
Van buiten klonk het gekwetter van pleinspelende kleuters. Soms storend, maar meestal hoorden we het niet eens meer bewust.
De kinderen waren rustig aan het werk toen er wat rumoer achter in de klas ontstond. Op mijn vragende blik wees Alex met een vies gezicht naar het raam, waar Elfie met een papiertje over de ruit aan het vegen was.
Elfie keek me aan en grinnikte onhandig.
“Een vlieg, mees, ik veeg het raam even schoon.”
“Heb je een vlieg doodgeslagen?” vroeg ik verbaasd.
Ze knikte.
“Waarom?”
Niet begrijpend keek ze me aan.
“Waarom heb je die vlieg doodgeslagen?” herhaalde ik.
Ondanks dat ik de vraag op zo neutraal mogelijke toon stelde, voelde Elfie aan dat ik het er niet mee eens was. Ze aarzelde.
“Had je er last van?” drong ik aan?
“Het was wél een bromvlieg hoor.” Ze besloot in de verdediging te gaan.
Ik zag dat de rest van de groep inmiddels ook gestopt was met werken, benieuwd naar het verdere verloop van ons gesprek.
“Misschien was het wel een moedervlieg die eten zocht voor haar kleintjes”, zei Thijs.
“Ja,” vulde Erin aan, “en die moeten nu verhongeren!”
“Ha, ha, slimmerik! Vliegen leggen eitjes en dan moeten ze het zelf maar uitzoeken” reageerde Elfie geprikkeld.
Ik besloot er nog even op door te gaan en vroeg: “Mag je een dier zomaar doodmaken als je er last van hebt?”
De reacties volgden op elkaar.
“Een vlieg wel.”
“Waarom een vlieg wel en andere dieren niet?”
“Nou gewoon… het is toch maar een vlieg.”
“Maar een vlieg heeft ook gevoel, hoor!”
“Vliegen zitten op poep.”
“Honden snuffelen óók aan drollen. Dus mag je een hond ook doodmaken als je last van z’n blaffen hebt!”

“Is het leven van het ene dier belangrijker of waardevoller dan het leven van een ander dier?” vroeg ik. Het bleef even stil. “En hoe bepaal je dat dan?”
Langzaam kwamen er griezelverhalen los over muggenbeten en wespensteken, hondenpoep en kattengejank, mierennesten en akelige spinnen. Maar ook dat elk dier een functie heeft in de natuur kwam aan bod.

Ik besloot het hier voorlopig af te kappen.
“We praten hier zeker nog een keer over door. Eerst zorgen we dat we het rekenwerk afhebben. Ik doe wél even het raam dicht, want ik begin wat last te krijgen van het gekwetter van de kleuters.”

“Oòòòòò, meester!!”

Gallus

Aanrader:
Leren doordenken / leren door denken
Filosoferen met kinderen
Themaboek Praxisbulletin, februari 2014