De lente als een nieuw begin… Veel kinderen zijn er heel erg bewust mee bezig en staan stil bij het nieuwe seizoen, terwijl volwassenen vaak nauwelijks de tijd lijken te nemen om er van te genieten. Daar gaat dit poppenkastartikel over. Een mooie introductie voor enkele vrolijke lenteprojecten.

Informatie vooraf

Voorafgaand aan het poppenkastverhaal geef ik u een overzicht van de spullen die u nodig hebt voor het poppenspel: muziek, poppen en rekwisieten.

Muziek

– De cd Buiten spelen van Kinderen voor Kinderen.
– Een stukje (vrolijke) klassieke muziek of jazzmuziek.

Poppen

– Meisje
– Moeder
– Oud vrouwtje
– Boswachter
– Politieman

Rekwisieten

– Bloemen. (Stevige, échte bloemen of bloemen van papier.)
– Een klein skateboard. (Bijvoorbeeld: een Tech Deck® fingerboard of een ander merk vingerskateboard. Er zijn vast kinderen in uw klas die er eentje hebben.)
– Een verrekijker. (Bijvoorbeeld van Playmobil® of LEGO®, met een wat langer koordje eraan, voor om de nek van de pop.)
– Een klein notitieblokje, met een potlood aan een touwtje. (Neer te leggen op de rand van de poppenkast.)
– Een kleine mat. (Bijvoorbeeld uit een poppenhuis.)

Scènes

Buiten spelen is een poppenkastspel met een eenvoudige verhaallijn en is verdeeld in zes scènes. Hier volgt de beschrijving.

Scène 1:

We horen iemand zachtjes zingen. Het blijkt een meisje te zijn, dat van de zijkant opkomt. Onder haar arm heeft ze een miniskateboard. Ze zingt eerst, maar begint dan hardop tegen zichzelf te praten.
Meisje: “De lente! Wat heb ik hier lang op gewacht! Heerlijk! Overal bloemen.”
(Het meisje ruikt aan de bloemen en kijkt om zich heen.)
Meisje: “Nu is het eindelijk weer mooi weer. Ik ga lekker skateboarden. Misschien wil er wel iemand met me meedoen.”
(Het meisje gaat op haar skateboard staan en rijdt door de poppenkast. Indien mogelijk doet ze wat skateboardtrucs. Daarna rijdt ze weer van het toneel af.)

Scène 2:

(De boswachter komt op. Hij heeft een verrekijker om zijn nek. Af en toe kijkt hij door de kijker.)
Boswachter: “Drie jonge vogels in dat nest. Mmm… Even noteren.”
(De boswachter lijkt wat op te schrijven en kijkt vervolgens weer door zijn verrekijker.)
“Vier babykonijntjes. Mmm… Even noteren.”
(De boswachter schrijft weer wat op en kijkt weer door zijn verrekijker.)
“Daar zwemmen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven kuikentjes achter de moedereend aan. Mmm… Even noteren.”
(Het meisje met haar skateboard komt op.)
Meisje: “Hallo, boswachter!”
Boswachter: “Hallo, meisje!”
Meisje: “Hebt u zin om even met mij te skateboarden? Het is lente en nu kunnen we weer lekker buiten spelen.”
Boswachter: “Het is lente, ja. En daarom heb ik helemaal geen tijd om buiten te spelen. Ik moet buiten téllen. Ik moet alle jonge dieren tellen. Dus meisje…, ik heb écht geen tijd vandaag!”
(De boswachter wandelt al turend door zijn verrekijker weg. Het meisje blijft achter. Ze kijkt nog eens om zich heen of ze misschien een ander speelmaatje ziet en rijdt daarna op haar skateboard weg.)

Scène 3:

(De politieman komt op. Hij kijkt om zich heen. Hij loopt van de ene kant naar de andere kant en kijkt dan weer om zich heen. Hij maakt een nerveuze indruk. Even later komt het meisje met haar skateboard op.)
Meisje: “Hallo, politiemeneer.”
Politieman: “Hallo, meisje.”
Meisje: “Het is lente. Tijd om buiten te spelen. Wilt u meedoen met skateboarden?”
Politieman: “Precies. Het is lente. Ik heb al drie meldingen binnengekregen. Meldingen van gestolen bloemen. Boeven plukken bloemen uit het park en uit de tuinen. Ik heb het in de lente altijd verschrikkelijk druk. Ik kan echt niet met je skateboarden, meisje. Ik moet de bloemenboeven zien te vinden. Dag, meisje!”
(De politieman stuift weg. Het meisje blijft achter, kijkt om zich heen en gaat ook weg.)

Scène 4:

(In de poppenkast verschijnt de moeder van het meisje. Ze neuriet en klopt een mat uit. Het meisje komt op.)
Meisje: “Hallo, mama!”
Moeder: “Hallo, lieverd.”
Meisje: “Het is lente. Tijd om buiten te spelen.”
Moeder: “Ja hoor, kind. Speel jij maar lekker buiten!”
Meisje: “Ik heb niemand om mee te spelen. Wil jij even met me skateboarden, mam?”
Moeder: “Nee, kind. Daar heb ik geen tijd voor in de lente. In de lente moet ik de voorjaarsschoonmaak doen. Het huis moet weer lekker fris zijn. Dus ik heb het nu echt heel erg druk. Tot straks, lief kind. Om zes uur thuis zijn, hoor!”
(Moeder loopt met de mat weg. Het meisje blijft achter, kijkt nog even om zich heen en gaat ook weg.)

Scène 5:

(In de poppenkast zien we het oude vrouwtje. Ze ruikt aan de bloemen. Het meisje met het skateboard komt op. Ze loopt langzaam en is duidelijk bedroefd. In een hoekje van de poppenkast gaat ze zitten simmen. Het oude vrouwtje kijkt naar haar.)
Oud vrouwtje: “Hallo, meisje.”
Meisje: “Hallo, mevrouw.”
Oud vrouwtje: “Het is lente. Het is lekker weer. Overal bloemen. Ik snap niet waarom jij zo verdrietig kijkt.”
Meisje: “Omdat het lente is. Ik kijk zo verdrietig, omdat het lente is.”
Oud vrouwtje: “Dat is raar!”
Meisje: “Het is lente, maar niemand wil met mij buiten spelen. Ik ben al de hele middag in m’n eentje aan het skateboarden.”
Oud vrouwtje: “Nou, nou. Dat is niet zo leuk. Ik wandel ook al de hele middag in m’n eentje buiten. Iedereen heeft het te druk in de lente.”
Meisje: “Ja. Terwijl het nu net zo leuk is om buiten te skateboarden.”
Oud vrouwtje: “Hoe gaat dat eigenlijk, skateboarden?”
Meisje: “Nou…, zó!”
(Het meisje staat op en doet voor hoe je moet skateboarden.)
Oud vrouwtje: “Mag ik het ook eens proberen?”
(Het meisje helpt het oude vrouwtje om op het skateboard te gaan staan.)
Oud vrouwtje: “Oh…! Wat spannend! Wil je me een hand geven? Dan kan ik niet vallen.”
(Het meisje geeft het oude vrouwtje een hand en samen skaten ze weg.)
Meisje: “Leuk hè, buiten spelen!”
Oud vrouwtje: “Hartstikke leuk! Daarom ben ik zo blij dat het lente is!”

Tips voor het spel

• In dit verhaal zijn er steeds twee poppen tegelijk in de poppenkast. Het is verstandig om van tevoren te oefenen hoe u snel – met één hand – van pop kunt wisselen. Het kan een uitkomst zijn, als u de beschikking hebt over een assistent achter de poppenkast, die u de juiste pop aangeeft en op uw hand zet.
• De poppen spelen met rekwisieten. Het meisje rijdt op een klein skateboard. Dat klinkt ingewikkeld. Maar u kunt met uw pink en uw duim het skateboard besturen, terwijl u de pop met uw drie middelste vingers bespeelt.
U kunt ook met uw pols leunen op het skateboard en op die manier heen en weer rijden. Natuurlijk werkt het het best als uw poppenkast een plankje heeft, waar u dat op kunt doen. Speelt u boven op een tafel? Dan kan het ook prima. Over die tafel ligt dan natuurlijk wél een laken, zodat u achter de tafel onzichtbaar blijft.
• De boswachter maakt notities en hij draagt een verrekijker om zijn nek. Het is niet mogelijk om alle handelingen met de pop tegelijk uit te voeren. De oplossing is, om het notitieblokje met het potlood neer te leggen op de rand van de poppenkast, vlak naast de boswachter.

De poppen

De poppen zijn allemaal te vinden in de betere speelgoedwinkel. Maar als u alleen een basisset hebt, dan komt u ook al een heel eind. Katrijn kan dan de moeder zijn. De heks kan (maar nu met een lieve stem) ook als aardig, oud vrouwtje worden gebruikt. De politieman hebt u waarschijnlijk al in uw basisset zitten. En als u Jan Klaassen een groene cape omdoet, dan kan hij de boswachter zijn. En het meisje zou ten slotte door de prinsessenpop kunnen worden gespeeld.

Papieren poppetjes maken

Als u het verhaal hebt voorgespeeld, kunnen de kinderen aan de slag. Geef de kinderen wit papier en strookjes (dikker, steviger) papier. Op het papier tekenen de kinderen de personages uit het verhaal, die ze vervolgens mooi inkleuren en (voorzichtig) rondom uitknippen. Gebruik de (stevige) strookjes papier om ringen te maken, die om één of twee vingers passen. Lijm de strookjes op de juiste plek dicht. Plak daarna de personages op de “ringen”. Nu hebben de kinderen vingerpoppetjes gemaakt, waarmee ze het hele verhaal kunnen naspelen.

Muziek en zingen met de klas

• Een vrolijk stukje klassieke muziek of jazz is heel geschikt om te laten horen aan het begin van het poppenkastverhaal, bij de bloemenscène.
• Aan het eind van het verhaal kunt u het nummer Buiten spelen laten horen, van de gelijknamige cd van Kinderen voor Kinderen. Naar aanleiding van dit poppenkastverhaal kunt u met de kinderen dit liedje instuderen. Op de cd staat ook een karaokeversie.Veel succes en vooral veel plezier bij de poppenkast in uw klas!

Uitbreiding

Het Praxisbulletin-artikel introduceert een poppenkastspel over de lente. De lente als een nieuw begin… Veel kinderen zijn daar heel bewust mee bezig en staan stil bij het nieuwe seizoen, terwijl volwassenen vaak nauwelijks de tijd lijken te nemen om ervan te genieten. Een mooie introductie voor enkele vrolijke lenteprojecten.
In deze internetuitbreiding vindt u de vijfde aflevering van een maandelijkse bijdrage over de poppenkast als doel en middel in het onderwijs.

Rekenen met paaseitjes

Poppen

– heks
– paashaas

Benodigdheden

– chocolade-paaseitjes
– een mand die de paashaas goed kan vasthouden
– een mand of buidel voor de heks
– een klein formaat rekenrek

Doel

De (optel)sommetjes tot 10 herhalen.

Situatie samengevat

De paashaas is bezig met het verstoppen van de paaseitjes. De heks heeft in de gaten dat het de paashaas moeite kost om bij te houden hoeveel eitjes hij nog heeft. Ze besluit hem eens goed dwars te zitten. Ze tovert er steeds paaseitjes bij, zodat de paashaas opnieuw moet gaan uitrekenen hoeveel hij er heeft en hoeveel hij er dus nog kan verstoppen. De paashaas raakt zo in de war, dat hij de hulp van de kinderen nodig heeft.

Scènes

Scène 1:

(De paashaas komt op.)
paashaas: “Hallo allemaal! Wat leuk om jullie weer te zien. Nou ja… eigenlijk is het helemaal niet leuk, want jullie mogen niet kijken naar wat ik aan het doen ben, hoor. Ik ben de paaseitjes namelijk aan het verstoppen en het is niet leuk als jullie precies weten waar ze liggen.
Kijk, ik heb in mijn mandje paaseitjes. Die ga ik in die tuin daar verstoppen. Het moet wel een beetje eerlijk allemaal. In elke tuin moeten een paar eitjes. Ik laat deze paaseitjes nog even hier liggen voor die tuin verderop.”
(Paashaas hupt weg.)

Scène 2:

(Heks steekt haar neus om het hoekje. Als ze ziet dat de paashaas weg is, komt ze op.)
heks: “Zo! Die rare paashaas is weer aan het rondspringen met zijn paaseitjes, zie ik. Ha ha! Dat is toch zó grappig, hoe hij steeds al zijn eitjes telt en ze eerlijk probeert te verdelen. Ik denk dat ik eens een goede grap ga uithalen! Eens kijken… hoeveel paaseitjes liggen er nu nog? Ah, ik zie het al. Er liggen vier paaseitjes. Even nadenken…”
(Zet een scherpe stem op en zegt een toverspreuk.)
“Vliegen, mieren, bijtjes,
geef mij wat lekkernijtjes,
ik wil drie paaseitjes!”
(Heks opent haar mandje en haalt er drie paaseitjes uit. Ze legt ze bij de andere eitjes in de poppenkast.)
“Zo! Nu eens kijken wat er gebeurt. Ik verstop me even achter deze boom…”
(Heks gaat af.)

Scène 3:

(Paashaas komt weer op.)
paashaas: “Zo. Die heb ik ook verstopt. Dat zal een leuke verrassing zijn, morgenochtend. Nu de andere eitjes nog.
Wat? Wat is hier aan de hand? Er liggen ineens veel meer eitjes!
Ik had er vier. En nu liggen er (telt hardop:) een-twee-drie bij.
Eh… dat is vier plus drie is…”
(Paashaas heeft moeite met het uitrekenen van deze som.)
“Kinderen. Help mij eens. Ik heb vier plus drie paaseitjes. Hoeveel is dat?”
(De kinderen helpen met het uitrekenen van het sommetje. Als het niet meteen lukt, haalt de paashaas een klein rekenrek tevoorschijn. Hij kan een kind naar voren roepen om te helpen met het verplaatsen van de kralen op het rekenrek.)
paashaas: “Dat is raar. Het zijn er ineens zeven! Nou ja, zeg! Dan kan ik er in die tuin hiernaast nog wel een paar bij gaan leggen. Kinderen hebben liever meer dan minder paaseitjes. Wacht… ik neem er vijf mee. Jongens… help eens even… zeven min vijf is…?”
(Kinderen helpen weer met rekenen, eventueel met behulp van het rekenrek.)
paashaas: Precies! Twee. Ik laat twee eitjes achter voor die tuin verderop. Ik ga deze weer even verdelen in de tuin hiernaast. Tot zo, allemaal!”
(Paashaas hupt weg met vijf paaseitjes.)

Scène 4:

(Heks komt lachend op.)
heks: “Dat was een goeie, zeg! Die domme paashaas is helemaal in de war. Dat doen we nog eens.”
(Heks begint met schelle stem weer met haar toverspreuk:)
“Vliegen, mieren, bijtjes,
Leg ze maar in rijtjes
Ik wil zes paaseitjes!”
(De heks opent haar buideltje en haalt er zes eitjes uit.)
“Kijk eens! Dat is weer goed gelukt. Ik leg ze er snel bij en dan ga ik me weer verstoppen. Wat een lol!”
(Heks gaat af.)

Scène 5:

(Paashaas komt vrolijk de poppenkast in huppen.)
paashaas: “Heerlijk! Wat zullen de kinderen blij zijn met die extra paaseitjes. Nu ga ik de laatste eitjes wegbrengen en dan zit mijn taak er hier in …(noemt dorp of stad waar de school staat) weer op!”
(Ziet eitjes liggen.)
“Wat krijgen we nou! Ik had er toch twee achtergelaten? Dit zijn er veel meer! Dit zijn er twee plus zes is…eh?”
(Kinderen en paashaas rekenen samen het sommetjes uit.)
“Nou ja! Dan moet ik toch weer op pad. Ik heb hierachter nog een tuin waar ik wat eitjes kwijt kan. Nou… daar ga ik dan maar weer. Ik neem er vier mee voor die tuin in de straat hiernaast. Acht min vier is… eh?
(Kinderen helpen weer met uitrekenen. De paashaas herhaalt nog eens dat hij vier eitjes achterlaat en bedankt de kinderen voor hun hulp. Hij neemt de andere vier eitjes mee en vertrekt.)

Scène 6:

(Heks komt op.)
heks: “Wat een pret! Die paashaas snapt er vast niets meer van! Mooi zo. Ik ga het nog erger maken…
Vliegen, mieren, bijtjes,
Het zijn leuke plagerijtjes.
Geef mij vijf paaseitjes!
(De heks haalt vijf eitjes uit haar buidel en legt ze neer. Achter haar verschijnt de paashaas. Ze heeft het niet meteen in de gaten.)
paashaas: “Zo! Dus jij zit hierachter! Wat vervelend! Jij tovert er steeds nieuwe paaseitjes bij! Kinderen… zit de heks hierachter?”
(Kinderen zullen bevestigen dat de heks er steeds paaseitjes bij tovert.)
heks: “Ach, paashaas. Kijk niet zo boos. Het was maar een geintje!”
paashaas: “Een geintje? Het was helemaal geen leuk geintje, heks. De kinderen en ik hebben ons te pletter gerekend, en… ik had allang ergens anders paaseitjes moeten gaan brengen. Ik loop nu achter op mijn schema, omdat ik bezig ben geweest met jouw vervelende geintjes!”
heks: (Grinnikend.) “Ja, dat heb ik gezien. Ik vond het heel erg grappig!”
paashaas: “Wij vonden het helemaal niet grappig. Misschien wordt het tijd om de politie eens te bellen. Die zal dit ook wel willen weten.”
heks: “Doe niet zo flauw, paashaas. Je weet toch dat de politie helemaal geen gevoel voor humor heeft. Dan gaat die agent weer zeuren over dat ik me koest moet houden en zo. Dan blijft hij op me letten. Getsie! Dat is zo vervelend. Dan kan ik mijn kont niet keren zonder dat die agent me achterna loopt… Wacht…. ik heb een idee. Kan ik het goedmaken?
paashaas: “Het goedmaken? Ik zou niet weten hoe dat zou moeten!”
heks: “Wat, als ik nou eens voor iedereen paaseitjes tevoorschijn tover? Niet om te verstoppen in de tuinen, maar om lekker zelf op te eten?”
paashaas: “Kinderen… wat vinden jullie daarvan? Lusten jullie een paaseitje?”
(De kinderen zullen ongetwijfeld veel zin hebben in lekkere paaseitjes.)
paashaas: “Goed zo. Nou, heks, vooruit dan maar. We willen wel een lekker paaseitje.”
heks: (Zet haar toverstem weer op.)
Vliegen, mieren, bijtjes
Geef ons wat lekkernijtjes
Een grote zak met paaseitjes!
heks: “Zo! Dat is gelukt. Voor iedereen een paaseitje. Maar eh… dan moeten jullie niet die nare agent roepen, hoor!”
paashaas: “Als je me verder maar niet meer lastig valt, heks. Ik moet nog naar zoveel andere tuinen om paaseitjes te verstoppen. Als je er steeds nieuwe bij tovert, dan ben ik met Kerstmis nog niet klaar!”
heks: “Afgesproken.”
paashaas: “Misschien kan een van de kinderen of een meester/juf (wijst naar leerkracht of assistent in het publiek) de paaseitjes even aanpakken en uitdelen?
(Geeft paaseitjes aan leerkracht, kind of assistent.)
“Dank je wel, heks!”
heks: “Graag gedaan. Dag allemaal!”
(Heks gaat af.)
paashaas: “Ik ga ook vlug weg. Ik moet nu naar Eindhoven (poppenspeler noemt hier stad naar keuze) om paaseitjes te verstoppen. Dag allemaal!”
(Paashaas gaat af.)

Tips

U kunt de grap van de heks zo vaak herhalen als u wilt. U kunt er ook voor kiezen om de heks eitjes te laten wegpakken, zodat u die sommetjes kunt oefenen met uw groep. Het verhaal is natuurlijk ook goed te gebruiken als basis voor een les over delen en halveren. (Hoe verdeel ik een bepaald aantal eitjes eerlijk over twee tuinen)
In dat geval legt de heks steeds een ander aantal paaseitjes neer, dat door de kinderen in twee groepjes moet worden verdeeld.

De kinderen zullen waarschijnlijk al vroeg in het verhaal willen vertellen aan de paashaas dat de heks zich met de paaseitjes heeft bemoeid. De poppenkastspeler moet hier niet op reageren, totdat het echt past in het verhaal. Als de kinderen echt hard gillen, kan de paashaas een opmerking maken als: “Nou jongens… even stil… ik moet nu goed nadenken. Ik heb de eitjes misschien niet goed geteld… stil, jongens… ja… ik moet even goed uitrekenen hoeveel ik er nu heb.”

Sommige kinderen mogen vanwege een allergie geen chocolade eten. Voor die kinderen zou de heks een tweede zakje met een veilige lekkernij tevoorschijn kunnen toveren.