Duurzame ontwikkeling omvat alles wat met onze aarde te maken heeft: de natuur, de mensen en de dieren. De mensheid heeft de drang om zich steeds maar verder te willen ontwikkelen. Maar we zien nu gelukkig in, dat die ontwikkelingsdrang niet ten koste van onze omgeving mag gaan.
In het onderwijs zijn we in staat om kinderen bewust te maken van de kwetsbaarheid van de aarde en haar talloze bewoners. Laten we daar als leerkrachten gebruik van maken. Juist in de onderbouw is het een goed moment, om met deze bewustwording te starten. Bedreigde diersoorten is dan een thema, passend binnen duurzame ontwikkeling, dat kinderen in deze leeftijd zal aanspreken. Het is van groot belang voor het behoud van de aarde dat diersoorten blijven voortbestaan. De kringloop is niet compleet, als er diersoorten wegvallen. Dan wordt die kringloop verstoord. Ook al wonen er in ons land geen tijgers en zwemmen er in de Noordzee (nog) geen walvissen, tóch kunnen wij onze bijdrage leveren!

Vooraf

Met het project, dat beschreven wordt in dit artikel, maken kinderen uit groep 3 en groep 4 kennis met een aantal bedreigde diersoorten. Ze leren wat de reden is dat deze dieren bedreigd zijn. En ze maken zelf plannen. En ook al redden ze misschien niet direct een dier met dit project, wellicht zal het leerproces van nu er ooit voor kunnen zorgen, dat de kinderen later tóch een mooie bijdrage kunnen leveren aan duurzame ontwikkeling van de mens, de aarde én de dieren.

Doelstellingen

Bij de uitvoering van het project kunnen de volgende doelstellingen worden geformuleerd:

– Kinderen maken kennis met vier (bijzondere) bedreigde diersoorten uit verschillende gebieden.
– Kinderen leren wat het betekent als een diersoort bedreigd is.
– Kinderen leren wie of wat bedreigingen zijn voor de diersoorten.
– Kinderen bedenken (of nemen kennis van) oplossingen of plannen, om de bedreiging voor de diersoorten op te heffen of te verminderen.
– Kinderen maken kennis met de kringloop van de aarde.
– Kinderen worden zich bewust van het belang van het voortbestaan van de diersoorten.

Projectopbouw

In dit project worden vier diersoorten behandeld:

• De orang-oetan (Indonesië)
• De blauwe vinvis (Oceanen)
• De kiwi (Nieuw-Zeeland)
• De otter (Nederland)

Lesopbouw

Ieder dier wordt apart aangeboden en behandeld. De opbouw is per diersoort steeds hetzelfde:

– De kinderen maken kennis met het dier, door middel van een kort verhaal.
– Er worden plaatjes en afbeeldingen van het dier gezocht.
– Kinderen leren met behulp van verschillende werkvormen waarom de dieren bedreigd zijn.
– En tot slot maken de kinderen zelf plannen om het dier te “redden”.

U kunt zelf bepalen hoeveel tijd dit project in beslag gaat nemen. U kunt bijvoorbeeld iedere week één dier aan bod laten komen, zodat u een maand werkt over dit onderwerp. Maar u kunt ook over ieder dier twee dagen laten werken. En u kunt uiteraard ook een dier weglaten, zodat het project wordt ingekort.
Nota bene. Geef bij de kinderen ruim van tevoren aan over welke dieren u gaat werken. Dan geeft u ze de gelegenheid om knuffels, plaatjes en andere voorbeelden mee naar school te nemen.

Introductie van het thema

Benodigdheden

Voor dit onderdeel hebt u nodig:

– een aardbol;
– plaatjes van de vier diersoorten.

Eerste kennismaking

• Projecteer (of hang) op het bord: vier plaatjes van vier dieren (orang-oetan, blauwe vinvis, kiwi en otter). Vraag de kinderen of ze de dieren herkennen. Laat de kinderen vrij reageren. Stel vragen om reacties bij de kinderen uit te lokken. Bijvoorbeeld:

– Wat is dat voor aap? Wat is zijn naam?
– Hoe weet je dat het een walvis is? Waar kun je dat aan zien?
– Wie kent deze vogel? Hoe ziet hij eruit?
– Waar woont een otter? Weet je wat hij lekker vindt?

• Laat de kinderen op de aardbol zien waar de verschillende diersoorten wonen. Vergelijk de plek iedere keer met Nederland.
Schrijf de namen van de dieren bij de bijbehorende plaatjes. Geef die plaatjes (met namen) een prominente plaats in de klas tijdens het project. De kinderen kunnen hier het dier mee visualiseren. En bovendien kunnen ze zien hoe de naam van het dier geschreven wordt.

Vervolgactiviteiten

• U vertelt: “Deze dieren zijn heel bijzonder. Niet omdat ze iets bijzonders kunnen, maar omdat er van deze dieren niet zo veel meer op de wereld zijn. Vroeger waren er een heleboel van deze dieren op de aarde. Maar er zijn dingen gebeurd, waardoor er minder dieren geboren werden. Er zijn zelfs dingen gebeurd, waardoor veel dieren van deze soorten dood zijn gegaan. De mensen willen heel graag dat deze dieren blijven bestaan. Daarom moet er goed voor ze gezorgd worden. Deze dieren noemen we: bedreigde diersoorten. En dat betekent het volgende. Als we niet heel goed voor ze zorgen, dan zullen we over een tijdje deze dieren nooit meer tegenkomen. Of misschien alleen nog maar in een hok, in de dierentuin.”

• Geef ook hierna de kinderen de tijd om vrij te reageren. Er zullen kinderen zijn, die nog veel meer voorbeelden hebben van bedreigde diersoorten. En er zullen kinderen zijn, die graag willen vertellen over welke bijzondere dieren ze in de dierentuinen hebben gezien.

• Leg in de klas een aantal boeken neer (uit het documentatiecentrum en/of de bibliotheek) over de genoemde diersoorten, zodat kinderen in hun vrije momenten hierin kunnen bladeren en kijken.

Meer informatie

Voor meer informatie over het thema Bedreigde diersoorten verwijs ik u naar de volgende stichtingen, met hun websites:
– Wereld Natuur Fonds: www.wnf.nl
– Stichting Aap: www.aap.nl
– Vrienden van de otter: www.vriendenvandeotter.nl
– Stichting Otterstation: www.otter.to
– Aviornis (over de kiwi): www.aviornis.nl
– Op www.wikipedia.nl vindt u een schat aan informatie, als u zoekt op bedreigde diersoorten, rode lijst of de namen van de dieren. Ook vindt u hier nuttige links naar andere websites.

De orang-oetan

Introductieverhaal Yandi

Yandi, de orang-oetan, rekt zijn linkerarm uit en grijpt de tak stevig vast. Zijn andere arm zoekt nu naar een nieuwe tak om zich aan vast te houden. De bladeren ritselen zachtjes, terwijl Yandi steeds een beetje verder omhoog klimt in de vijgenboom. Soms lijkt het wel of Yandi zal vallen! Want met één arm aan een tak slingert hij naar een volgende boom. Maar Yandi gaat rustig door met waar hij mee bezig was: het zoeken naar lekkere vijgen.

Heb jij wel eens een vijg geproefd? Ze zijn best lekker, hoor. Een beetje zoet en plakkerig. Yandi is er écht dol op. Hij kan ze wel de hele dag door eten! Samen met een paar lekkere blaadjes. Dat is voor hem een echte traktatie!

Heng…, heng…, heng…, klinkt het ineens door het bos. Keihard klinkt het geluid van een motorzaag. Yandi schrikt ervan. Ook al kent hij het geluid wel. Maar deze keer is het geluid wel érg dichtbij! Yandi klimt van schrik nog wat hoger in de boom. Hij vergeet zijn lekkere vijgen en tuurt naar beneden. Daar ziet hij, door de bladeren heen, mensen die met grote machines in de weer zijn. Hij kent die mensen wel. Hij is bang voor ze. Yandi hoopt dat ze vanzelf weg zullen gaan, als hij zijn ogen dichtdoet…

Dan klinkt er een krakend geluid. De boom naast Yandi begint te trillen. En tot zijn grote schrik ziet Yandi de top van de boom verdwijnen. Met een luid gekraak valt de boom om. Yandi kan de mensen en de machines ineens een stuk beter zien! Dat vindt hij helemaal niet leuk. Yandi draait zich om en gaat snel een andere boom in, weg van de machines. Hij klimt en klimt van de ene boom in de andere. Net zolang tot hij de machines niet meer hoort.

Als Yandi om zich heen kijkt, ziet hij in een andere boom Eko zitten. Eko is ook een orang-oetan en ook een mannetje. Eko en Yandi speelden vroeger veel samen, maar nu nooit meer. Ze kijken elkaar lang aan. Dan draait Eko zich om en gaat naar een andere boom.
Nu kan Yandi weer op zoek gaan naar die lekkere vijgen. En hij boft! Voor zijn neus bungelt een heerlijke vijg! Nu maar hopen dat hij niet opnieuw wordt gestoord! Eet smakelijk, Yandi!

Verwerking

• Praat na over het verhaal. Wat vinden de kinderen van het verhaal? Wat zou er precies gebeurd zijn met die boom? Weet Yandi eigenlijk wel wat er precies gebeurt in dat bos? Zou hij het snappen?

• Zoek samen met de kinderen naar plaatjes van een orang-oetan en van een regenwoud. Zoek hiervoor in boeken, in folders of op internet.

• Bekijk de plaatjes uitgebreid. Wat valt je op aan de orang-oetan? Beschrijf eens hoe het dier eruitziet.

• Koop een paar vijgen bij de groenteman en laat de kinderen de vijgen zien, ruiken en proeven.

• Bied de kinderen een aantal kleuren wol aan. Eén kleur moet de kleur van de orang-oetan zo dicht mogelijk benaderen. Laat de kinderen de kleur van de orang-oetan uit de verschillende kleuren wol kiezen. Welke kleur past het best bij Yandi?

• Laat de kinderen met sitspapier een orang-oetan scheuren en plakken op een vel groen papier.

• Vertel de kinderen een paar weetjes over orang-oetans. Bijvoorbeeld:
– Orang-oetans leven alleen in het regenwoud. Dus niet in een groep! Alleen de kinderen spelen wel eens met elkaar.
– Orang-oetans kunnen wel 45 jaar oud worden.
– Het woord orang-oetan betekent in het Indonesisch: man van het bos.
– Orang-oetans kunnen wel bijna 100 kilo wegen, als ze volwassen zijn.
– Ze lusten fruit, bladeren en noten.
– Een orang-oetan loopt liever niet. Dat komt, omdat zijn armen zó lang zijn, dat die tot zijn voeten komen, als hij staat. Daarom brengt hij het grootste deel van zijn leven in de bomen door.

De bedreiging

Oorzaken

Hoe komt het dat de orang-oetans bedreigd worden? Laat de kinderen hierover een tekening maken. Ze moeten dus bedenken hoe het komt dat er nog maar zo weinig orang-oetans zijn overgebleven. Stimuleer de kinderen om goed na te denken en hun fantasie te gebruiken. Gebruik de tekeningen om na te praten over de verdwijning van de orang-oetan uit de regenwouden.
De grootste reden voor het afnemen van de aantallen orang-oetans is het kappen van het regenwoud. De mensen in de hele wereld maken gebruik van het hout, dat van deze bomen komt. Bedenk met de kinderen voorbeelden. (Denk aan: tuinmeubels, kozijnen, deuren en zelfs papier. Soms ook papieren zakdoekjes en wc-papier!)

Gevolgen

Vertel de kinderen wat er gebeurt als er geen orang-oetans meer in Indonesië zouden wonen. De orang-oetans eten het fruit in het woud. Ze poepen daarna de zaadjes van het fruit uit. Die zaadjes komen weer op de grond terecht en zorgen ervoor, dat er nieuwe bomen kunnen groeien. Ook de stukken fruit die de orang-oetan laat vallen, kunnen de dieren die op de grond leven weer opeten. Als de orang-oetan er niet meer zou zijn, zouden veel dieren op de grond geen fruit meer hebben. En er zouden dus minder fruitbomen groeien.

Een oplossing?

Verteldraadje

Neem de kleur draad, die de kinderen gekozen hebben en knip een flink stuk af. Verdeel de kinderen in groepjes van vijf à zes kinderen. Ieder groepje krijgt een verteldraadje. Wie het draadje vast heeft, mag vertellen aan de andere kinderen wat hij/zij heeft bedacht om de orang-oetan te redden. Alles mag! Geen enkel idee is verkeerd! Laat het draadje twee of drie keer rondgaan. Of laat het rondgaan tot de ideeën op zijn.

Plan: red de orang-oetan!

Geef elk groepje een groot vel papier (A0-formaat: 1 m2). Daarop kunnen de kinderen hun plannen schrijven en tekenen. Met elkaar maken ze een poster, waar hun plannen op komen te staan. Stimuleer de kinderen om plaatjes erbij te plakken. Ook kunnen ze natuurlijk zélf mooie plaatjes tekenen en die vervolgens uitknippen en opplakken. De kinderen van ieder groepje mogen daarna vertellen wat ze hebben bedacht.
U kunt uiteraard aan de kinderen vertellen dat het Wereld Natuur Fonds (WNF) een organisatie is, die zich bezighoudt met het behoud van de regenwouden, waaronder die in Indonesië.

De blauwe vinvis

Introductieverhaal Durk

Een groot, wit ding botst tegen het hoofd van Durk, de blauwe vinvis. Het doet niet echt pijn, want Durk is een enorme walvis! En enorme walvissen kunnen wel tegen een stootje. Durk kijkt eens goed met zijn kleine oogjes naar het grote, witte ding. Wat zou het zijn? Durk zwemt er langs en duwt het ding weg met zijn staart. Kloenk…, hoort Durk. Hij denkt eerst dat het een andere vis is. Maar een vis die “kloenk” zegt, daar heeft Durk nog nooit van gehoord! Het grote, witte ding dobbert rustig verder, zonder iets te zeggen…

Durk zwemt in de oceaan. Het maakt Durk niet zo veel uit in welke oceaan hij zwemt, als er maar wat lekkers te eten is. Durk is dol op krill. Dat zijn heel kleine planktonkreeftjes. Durk eet ze met duizenden tegelijk! Ja, met duizenden, want krill is maar heel klein en Durk is ontzettend groot. Eigenlijk is krill het enige, dat Durk écht lust.

Kloenk…, hoort Durk weer. Hij zal toch eens een kijkje boven water gaan nemen. Als Durk bovenkomt, spuit hij een heel hoge straal de lucht in. Overal drijven witte dingen in het water! Durk vindt het maar raar. Hij denkt dat het mensenspul is. Hij komt namelijk wel vaker spullen tegen, die niet in het water horen. Durk krijgt ook wel eens een vieze smaak in zijn mond. Vaak zijn er dan ook mensen in de buurt. En boten.

Durk neemt een flinke hap lucht en duikt naar beneden. Hij gaat maar eens even een plekje zoeken, waar het wat schoner is. Dat duiken gaat heel langzaam. En op het laatst is alleen de staart van Durk nog boven het water te zien. Het duurt zo lang, omdat Durk wel dertig meter lang is! Weet je hoe lang dat is? Neem maar eens dertig heel grote passen op het schoolplein en kijk dan waar je uitkomt. Zó lang is Durk!

Verwerking

• Praat na met de kinderen over het verhaal. Wie heeft er wel eens een walvis gezien? Zou Durk tanden hebben? Hoe heet de baby van een walvis? (Die heet: kalf.) Wat zouden die witte dingen in het water zijn geweest? (Laat dit aan de fantasie van de kinderen over.) Waarom gaat Durk ergens anders heen? Voor wie of wat zou Durk nog meer moeten uitkijken? (Voor jagers.) Waar zou die vieze smaak in de mond van Durk vandaan komen? (Van olie en chemicaliën.)

• Zoek met de kinderen naar plaatjes van walvissen en in het bijzonder naar plaatjes van de blauwe vinvis. Bedenk samen naar aanleiding van de plaatjes waarom deze walvissoort blauwe vinvis heet.

• Doe een klein wedstrijdje adem inhouden: wie houdt dat een minuutje vol? Vertel hoe lang Durk zijn adem in kan houden. (Een half uur!)

• Laat de kinderen met witte en donkerblauwe wasco op een lichtblauw vel papier een tekening maken van Durk.

• Vertel de kinderen leuke weetjes over de blauwe vinvis. Bijvoorbeeld:
– Een blauwe vinvis kan wel 30 meter lang worden. Dat is net zo lang als vier autobussen achter elkaar. Hij weegt evenveel als dertig olifanten, als hij volwassen is. (En dat is meer dan 130.000 kilo!) Alleen al zijn tong is even zwaar als een olifant!
– Een baby van de blauwe vinvis is 7 meter lang en weegt 2000 kilo. Meestal wordt er maar één kalf geboren. Tweelingen komen bijna niet voor.
– De mensen denken dat een blauwe vinvis wel tussen de 😯 en de 110 jaar kan worden.
– Meestal zwemmen blauwe vinvissen alleen of met z’n tweeën. (Bijvoorbeeld: moeder en kalf.)
– Walvissen hebben neusgaten boven op hun kop. Deze neusgaten heten spuitgaten. Zodra de walvis bovenkomt, gaat het spuitgat meteen open. Dan ademt de walvis heel snel in en uit. Hij kan 6 tot 8 meter hoog spuiten.

De bedreiging

Oorzaken

Hoe komt het dat de walvissen bedreigd worden? Want ze zijn zo verschrikkelijk groot! Er is vast geen ander dier, dat een walvis durft aan te vallen. Sommige orka’s – dat zijn ook walvissen, maar dan met tanden – durven met z’n allen wel een walvis aan te vallen. Maar dat gebeurt niet vaak.
Vertel de kinderen dat de blauwe vinvis één grote vijand heeft: de mens. Sommige mensen jagen nog op walvissen, omdat ze het vlees van de walvis goed kunnen gebruiken. Maar de walvis heeft ook veel last van vervuiling van de oceanen.

Groepswerk

Laat de kinderen (als groepswerk) in een watertafel of in een grote, glazen bak de bedreiging voor de blauwe vinvis nabootsen. De kinderen verzamelen materialen, die onderdeel zijn van de bedreiging. Bijvoorbeeld: poppetje op een boot, stukjes plastic, papiertjes in allerlei kleuren en lege flesjes. Plak op de bodem een afbeelding van een blauwe vinvis.

Kringloop doorbroken

Vraag de kinderen of ze kunnen meedenken over de vraag: wat gebeurt er, als er geen blauwe vinvissen meer bestaan? Geef zelf een voorbeeld. U zegt dan bijvoorbeeld: “Als er geen blauwe vinvissen meer bestaan, dan gaan de orka’s op andere dieren jagen. Bijvoorbeeld op zeeotters. Maar de zeeotters aten de zee-egels. En de zee-egels zorgden ervoor dat bepaalde onderwaterplanten niet overal overheen groeiden. En als de plantjes overal kunnen groeien, dan is er weinig ruimte meer voor andere onderwaterplanten en bijvoorbeeld koraal. Enzovoort.”
Maak ter verduidelijking een tekening op het bord. Geef datgene wat u verteld hebt weer als een kringloop, die doorbroken wordt.
Laat de kinderen daarna zélf een kringloop bedenken, waar een blauwe vinvis in voorkomt. Gebruik bijvoorbeeld de enorme hoeveelheden krill (planktonkreeftjes), die een walvis verorbert. Wat gebeurt er met het krill, als dat niet meer gegeten wordt?

Een oplossing?

• Laat de kinderen vrij filosoferen over een oplossing. U kunt vertellen dat er in heel veel landen al wetten zijn, die de jacht op walvissen verbieden.

• De kinderen gaan daarna slogans bedenken om de walvis te redden. Deze slogans kunnen ze op een stuk behangselpapier of op een langwerpig stuk laken zetten. Hang de slogans op in de klas of in de school. Geef de kinderen natuurlijk eerst een paar voorbeelden van een slogan:

– Walvis Peter en walvis Mies zeggen: de zee moet minder vies!
– Mie ma moetsie! Alle viezigheid uit de zee is foetsie!
– Mensen, mensen, wij staan paf. Blijf van de blauwe vinvis af!
Enzovoort.

De kiwi

Introductieverhaal Omaka

Het is donker in het bos. Omaka, de kiwi, scharrelt tussen de blaadjes. Ze is op zoek naar lekkere wormen. Samen met haar mannetje Hare woont ze hier al een hele tijd.
Toen ze klein was en nog in een ei zat, hebben de mensen haar naar een hok gebracht. Daar kwam Omaka uit het ei. Ze maakte meteen vrienden met Hare, die daar ook al uit een ei gekomen was. Samen groeiden ze op tot flinke vogels. Totdat de mensen hen weer naar het bos brachten…

Omaka merkt, dat Hare een beetje achterblijft. Dat gebeurt wel vaker. Dan heeft hij meestal iets lekkers gevonden, zoals een stukje fruit.
Omaka draait zich om en kijkt waar Hare is gebleven. Ze ziet hem niet. Maar ze ruikt hem wél! Ze ruikt ook iets anders…En dat ruikt niet lekker! Dat ruikt gevaarlijk! Omaka spitst haar oren. In de verte hoort ze een dier lopen tussen de struiken. Het dier is razendsnel en op zoek naar eten! Het is een buidelrat! Daar moeten de kiwi’s voor uitkijken! Omaka rent zo snel als ze kan naar Hare en waarschuwt hem. Samen rennen ze naar hun holletje. Daar kan de buidelrat hen niet vinden.
Als de kiwi’s weer naar buiten durven, is het al ochtend. Omaka knippert met haar ogen. Ze kan niet goed zien als het licht wordt. Ze duwt Hare terug in het hol. Ze gaan eerst maar eens even lekker slapen. Als het straks avond is, gaan ze wel weer opnieuw op zoek naar lekkere hapjes!

Verwerking

• Praat na met de kinderen over het verhaal. Wie heeft er wel eens een kiwi gezien? Wat is een kiwi eigenlijk? Kan een kiwi vliegen, denk je? Wanneer vindt een kiwi het fijn om buiten te zijn? Zouden er nog veel kiwi’s zijn? Heeft een kiwi tanden? Wat eet een kiwi?

• Zoek met de kinderen naar plaatjes van een kiwi. Zoek ook plaatjes van de buidelrat (opossum). Bekijk ook een plaatje van een kiwi (fruit) aan een boom. Wie zou het eerst kiwi zijn genoemd: het fruit of de vogel? (Antwoord: de vogel.)

• Bekijk de kiwi eens goed van dichtbij. Waarom heeft een kiwi snorharen?

• Laat de kinderen een kiwi namaken. Ze kunnen de kiwi maken van klei of van constructiemateriaal.

• Vertel leuke weetjes over de kiwi aan de kinderen. Bijvoorbeeld:

– Een kiwi is een loopvogel. Hij kan niet vliegen.
– De veren van een kiwi lijken op heel zachte haren.
– Een kiwi heeft geen staart.
– Hij heeft bijna nooit dorst. Hij drinkt bijna nooit iets.
– Een kiwi lust wormen, insecten en slakjes. Maar ook kleine krabbetjes en rivierkreeftjes.
– Hij kan heel slecht zien, vooral overdag. ’s Nachts gaat het beter.
– Een kiwi heeft neusgaten aan het eind van zijn snavel. Daar zoekt hij zijn eten mee.
– Hij kan ongeveer 20 jaar oud worden.
– Kiwi’s wonen alleen maar in Nieuw-Zeeland in het wild.

De bedreiging

Oorzaken

Vertel aan de kinderen hoe de kiwi’s bedreigd worden: “Kiwi’s worden nu niet meer bedreigd door de mens. Maar wel heel vaak opgepeuzeld door roofdieren, zoals katten en buidelratten. Vroeger waren er heel veel kiwi’s in Nieuw-Zeeland. Maar toen kwamen er mensen wonen. En die mensen aten de kiwi’s op, net zoals mensen kippen eten. Later gingen mensen uit andere landen de kiwi’s meenemen voor in hun dierentuinen. Zo verdwenen er steeds meer kiwi’s. Nu zijn er nog maar een paar over. Gelukkig zijn er mensen, die ervoor zorgen dat de eieren van de kiwi’s uitkomen, door ze mee te nemen naar een speciaal kiwihuis. Als de kiwi’s dan groot genoeg zijn, mogen ze weer terug naar het bos.”

Kiwihuis

Laat de kinderen in schoenendozen of in de deksels van schoenendozen een kiwihuis nabouwen. Ze kunnen er hokken maken met eieren en hokken waar kiwi’s zijn. De materialen waar de kinderen mee kunnen werken, kunnen variëren, waardoor er uiteenlopende eindresultaten zullen ontstaan. Stiften, potloden, papier, klei, karton, ijsstokjes, wol, lapjes, enzovoort kunnen worden gebruikt. Maak een kiestafel met verschillende materialen. De kinderen kunnen dan zelf kiezen welke materialen geschikt zijn voor hun eigen kiwihuis.

Als de kiwihuizen klaar zijn, kunnen de kinderen elkaars werk bekijken. Spreek met de kinderen over de gevolgen van het uitsterven van de kiwi. Een kiwi woont alleen in Nieuw-Zeeland. Dus de rest van de wereld zal er geen last van hebben, als er geen kiwi’s meer zijn. Maar kiwi’s ruimen wél het bos op, door alle wormen en insecten op te eten. Bovendien zijn de mensen die in Nieuw-Zeeland wonen heel trots op de kiwi. Wat zouden ze verdrietig zijn als de kiwi niet meer bestond!

Een oplossing?

Laat de kinderen oplossingen bedenken voor de mensen in Nieuw-Zeeland. Schrijf alles wat ze zeggen op het bord of op een groot vel papier, zodat de kinderen ook kunnen zien wat ze allemaal al bedacht hebben. Laat daarna bij iedere oplossing een kleine tekening maken en hang al die tekeningetjes op in de klas.

De otter

Introductieverhaal Jan

Otter Jan kijkt goed om zich heen. Waar is hij nu toch beland? Net zat hij nog in een veilig hok. Maar nu ineens ziet hij water, gras, struiken en een lucht met wolken. Otter Jan loopt heel voorzichtig een stapje verder. Hij steekt zijn neus in de lucht. Hij ruikt allemaal nieuwe geurtjes!

Otter Jan is samen met zijn vrienden door de mensen losgelaten in de natuur. Er is een speciaal stuk bij de rivier vrijgemaakt voor de otters. Daar gaan de otters wonen. Maar ze moeten nog wel even wennen!

Otter Jan ziet dat zijn vrienden er ook zijn. En zo te zien vinden ze het allemaal erg spannend. Ze zijn nog een beetje bang. Behalve otter Miep. Zij is in het water gedoken. Het water van de rivier. Dat wil otter Jan ook wel, want hij houdt heel erg van water. Maar misschien nog wel meer van de vissen die er zwemmen.
Otter Jan loopt naar de rivier. Hij kijkt nog eens om zich heen. Het ziet er veilig uit! Otter Miep heeft al drie keer een koprol gemaakt in het water. Ze roept hem: “Jan, kom je ook in het water?” Dan durft otter Jan het ook. Hij glijdt het water in. Dat voelt lekker! Hij wordt er helemaal blij van!
Als alle otters in het water zijn, wordt het een dolle boel. Ze spetteren en springen en duikelen over elkaar heen! Dit is een mooie plek om te wonen!
Otter Jan is nu niet bang meer. Hij is heel blij met zijn nieuwe huis!

Verwerking

• Praat na met de kinderen over het verhaal. Wie heeft er wel eens een otter gezien? Wat is een otter eigenlijk voor beest? Wat kan een otter allemaal? Beschrijf eens hoe hij eruitziet.

• Vraag aan de kinderen of ze weten waarom de otters eerst in een hokje zaten. (Ze zijn door de mensen uitgezet.) Otter Jan is blij met zijn nieuwe huis. Hoe ziet het huis van de otter eruit? Moet hij nog een huis bouwen? (Otters slapen in het water of bijvoorbeeld op een steen, dicht bij hun leefgebied.)

• Laat de kinderen een tekening maken naar aanleiding van het verhaal. Kunnen de kinderen in hun tekening het verhaal uitbeelden?

• Vertel leuke weetjes over de otter aan de kinderen. Bijvoorbeeld:

– Een zeeotter kan goed watertrappelen: rechtop, met zijn hoofd ver boven het water uit.
– Een otter heeft zwemvliezen. Daarmee kan hij heel goed zwemmen.
– Een otter woont altijd in de buurt van water.
– Een otter kan wel 4 minuten zijn adem inhouden.
– Een otter eet vis, kikkers en waterinsecten.
– De otter pakt zijn prooi niet met zijn bek, maar met zijn poten.
– De otter slaapt op zijn rug in het water en houdt zijn poten voor zijn ogen.
– Mensen zeggen wel eens: “Ik zweet als een otter.” Maar een otter zweet niet! Stinken doet hij overigens soms wel!

De bedreiging

Terug in de natuur

Vertel aan de kinderen dat de otters in Nederland eigenlijk niet meer bestonden. Dat vonden de mensen zó jammer, dat ze toen “nieuwe” otters naar Nederland hebben gebracht en die weer in de natuur hebben uitgezet.
Otters vinden het heel fijn om ergens te wonen waar het schoon is. Ze kunnen niet goed tegen “vervuiling”. Bijvoorbeeld afval in het water of gif. Soms zijn de vissen ziek door het afval in het water en worden de otters daarom ook ziek.

Groepswerk

• Natuur
Geef de kinderen een groot vel papier (A3-formaat als ze alleen werken en A0-formaat als het groepswerk betreft). Op dat grote vel papier gaan ze met wasco een rivier en een “groene” omgeving tekenen.
In de rivier zwemmen vissen. En ook wonen er kikkers in de rivier. Ook deze dieren kunnen worden getekend. Geef de kinderen plaatjes van een otter. Die plaatjes kunt u zelf printen voor uw groep. Deze plaatjes plakken de kinderen ook bij de rivier.

• Afval
Laat de kinderen plaatjes maken (bijvoorbeeld met sitspapier of gekleurd karton), die verschillende soorten afval moeten voorstellen. Bespreek welk afval er langs de rivier kan liggen. Noem voorbeelden als: verfpotten, plastic bekers, plastic zakken, petflessen, oude kranten, blikken benzine, enzovoort.
De kinderen laten in hun werk zien dat ze zich bewust zijn van het gevaar van afval voor de otters in de rivier.

Een oplossing?

Vragen

Bespreek met de kinderen de mogelijkheden voor een oplossing van de vervuiling van de rivieren. Stel de volgende vragen:

– Wie maken de rivieren vies?
– Heeft iemand een goed idee om de mensen te laten weten dat ze hun afval niet in de natuur moeten gooien?
– Welke regels zouden er in de natuur moeten gelden?

Maak samen met de kinderen een bord voor bij de rivier. Dat kunnen ze maken van een groot vel zwart papier of van donkergroen karton. Op het bordje staan de regels en afspraken, die bij de rivier gelden. Bovendien staat erop vermeld wie hier allemaal wonen. (Denk in dit verband aan de borden van Staatsbosbeheer in de bossen, met daarop de spelregels voor een wandeling in het bos.) Geef het bord daarna een prominente plaats in de klas.

Signaalfunctie

Tot slot vertelt u de kinderen, dat wij aan de otters kunnen zien hoe het met de rest van de natuur gaat. Want als de otter het naar zijn zin heeft, dan is het water schoon, dan zijn de vissen gezond en dan zijn alle andere dieren in de buurt dat ook! Daarom is het belangrijk dat we goed voor de otter in Nederland zorgen!

Afronding van het project

• De kinderen hebben zich beziggehouden met vier verschillende bedreigde diersoorten. In de meeste gevallen komt het erop neer, dat de leefomgeving van de dieren niet voldoende schoon is en dat daardoor de diersoorten met uitsterven bedreigd worden. Begrijpen de kinderen hoe belangrijk een schone leefomgeving is? Niet alleen voor de dieren, maar ook voor de mensen!

• Geef de kinderen een vel papier op A4-formaat en geef ze daarna de volgende opdracht: “Schrijf jouw naam in het midden van het vel papier. Teken dan vijf dingen om je naam heen, die jij nodig hebt om een fijn leven te kunnen hebben. Weet iemand alvast een voorbeeld?” (Bijvoorbeeld: een huis, een koelkast, een tuin, een slaapkamer…)

• “Draai het vel papier om. Teken nu vijf dingen, die dieren nodig hebben om fijn te kunnen leven. Weet iemand alvast een voorbeeld?” (Bijvoorbeeld: bomen, bloemen, water, eten…)

• Bespreek met de kinderen wat ze hebben getekend. “Wat hebben dieren nog meer nodig? En nu bedoel ik dingen, die je niet zo goed kunt tekenen.” (Bijvoorbeeld:ruimte om te leven, vrijheid, schone lucht…)
Hang de vellen papier, met daarop de tekeningen, om en om in de klas of op het raam.