Een kenmerk van een leerling met angst is, dat hij/zij in staat is zich aan te passen aan wat de leerkracht vraagt en om in een sociale situatie niet op te vallen. Een uitspraak van een leerkracht over een dergelijke leerling zou dan ook kunnen zijn: “Zo wil ik er wel tien in mijn klas.”
Dit idee kan echter een “verrassende” wending hebben. Het is dan ook belangrijk dat een school weet hoe te handelen bij leerlingen met angstproblemen. Deze leerlingen hebben extra zorg nodig. Daarom is het van belang te weten wanneer een leerling (bovenmatig) angstig is.

Bestanden

Klik op de naam van het bestand om het te openen.

Uitbreidingen

Victor twijfelt of hij de sommen wel kan maken, die zojuist zijn uitgelegd. Hij vindt het moeilijk om de juf nóg een keer om uitleg te vragen. Er is afgesproken, dat hij een blokje met een vraagteken op zijn tafeltje moet neerleggen, als hij iets wil vragen. Maar Victor ziet de juf aan de instructietafel werken met een groepje kinderen. En hij laat het maar zo.
Als de juf hem bij het nakijken van de sommen hierop aanspreekt, dan weet Victor dat hij het de volgende keer anders moet doen. Maar of dat gaat lukken?

Opzet van het artikel

In dit artikel wordt ingegaan op verschillende vragen rondom angstgevoelens bij leerlingen:
– Wanneer is angst leeftijdsadequaat? En wanneer moet ik me als leerkracht zorgen maken?
– Welke rol speelt het zelfbeeld in de ontwikkeling van angst?
– Welke relatie is er tussen een zelfbeeld en het ontstaan van faalangst?
– Welke onderwijsbehoeften heeft een leerling met angst?
Aan de hand van casuïstiek wordt ingegaan op de achtergronden van angst en worden handelingsadviezen gegeven hoe hiermee om te gaan in de praktijk.

Wat is angst?

Angst zorgt ervoor dat iemand zich beschermt of verdedigt in gevaarlijke situaties. Maar angst is niet altijd nuttig. Wanneer iemand bang is voor situaties die geen gevaar opleveren, dan kan angst die persoon belemmeren in zijn/haar functioneren. Angst kan dan een probleem worden. Het is daarom belangrijk te weten wanneer angst nuttig is en wanneer angst belemmerend werkt. In het geval van Victor (zie het kader hierboven) is de mogelijke oorzaak: het niet kunnen inschatten van de reactie van de juf.

“Normale” angsten

Stadia van angst

Bij een normale ontwikkeling van kinderen hoort angst. Zo zijn kinderen rond één jaar vaak bang voor vreemden. En vanaf vier jaar zijn veel kinderen bang voor het donker.
In de tabel hiernaast ziet u een overzicht van de verschillende stadia van angst, die bij een normale ontwikkeling horen.

Risicofactoren

Als leerlingen voor nieuwe situaties komen te staan – bijvoorbeeld als ze nieuwe leerstof krijgen – is het normaal, dat ze wat gespannen zijn. Ze vragen zich dan af of ze wel kunnen voldoen aan de (nieuw) gestelde eisen. Een beetje angst voor nieuwe situaties is nuttig, omdat leerlingen daardoor beter hun best doen. Als de leerlingen vervolgens de nieuwe taak goed volbrengen (of als ze goed kunnen omgaan met de nieuwe eisen), dan is de basis gelegd voor de ontwikkeling van een gevoel van zelfvertrouwen. Maar wat gebeurt er als een leerling ervaart dat bepaalde taken hem/haar minder goed afgaan? Gevoelens van machteloosheid en hulpeloosheid liggen dan op de loer. Deze gevoelens zijn risicofactoren voor het ontstaan van angstklachten.

Leeftijd Soort reactie
3 maanden Schrikreacties, bijvoorbeeld bij plotselinge geluiden.
3-6 maanden Schrikreacties, bijvoorbeeld bij objecten of mensen, waarmee het kind een onplezierige ervaring heeft opgedaan.
6 maanden-2 jaar Angst voor:
– het weg zijn bij de ouder;
– vreemden;
– natuurverschijnselen (zoals water en wind).
2-4 jaar Angst voor:
– straf;
– dieren;
– bloed.
4-6 jaar Angst voor:
– beschadiging van het eigen lichaam;
– het donker;
– gefantaseerde figuren.
6 jaar Gewetensangst.
6-12 jaar Angst voor:
– beoordeling door leeftijdgenoten;
– falen (met betrekking tot schoolwerk, sportwedstrijden en presentaties);
– nare gebeurtenissen (dichtbij), zoals echtscheiding van de ouders, het eigen sterven en oorlog (in eigen land).
12-18 jaar Angst voor:
– nare gebeurtenissen (verder weg, grootser), zoals kernrampen en wereldoorlogen;
– beoordeling door leeftijdgenoten van het andere geslacht;
– ziektes bij zichzelf (zoals aids en kanker).

Stadia van angst bij een normale ontwikkeling (Sanders-Woudstra et al., 1996; Rigter, 2002). Patrick mag aan de instructietafel komen en krijgt individueel uitleg over de vandaag nieuw aangeboden sommen. De meester merkt dat het nog niet vlot gaat en bespreekt met Patrick verschillende oplossingen. Er worden wat extra sommen samen geoefend, maar Patrick blijft zich onzeker voelen. De meester ziet dit en zegt dat hij het toch maar moet proberen. Op zijn eigen plaats voelt Patrick zich niet zeker en weet eigenlijk helemaal niet meer hoe hij moet beginnen. Wat nu?

Uitingen van angst

Hoe ouder kinderen worden, des te beter zijn ze in staat om hun angst te verbergen. Het is dan van belang om te letten op signalen, die op angst kunnen duiden. Angst gaat vaak gepaard met allerlei lichamelijke reacties, zoals buikpijn, hoofdpijn, zweten, hartkloppingen en een trillerig gevoel. Ook kan angst zich uiten in opstandig gedrag.
Vaak zijn leerlingen zélf moeilijk in staat te (h)erkennen en te benoemen wat hen dwarszit. Om duidelijk te krijgen waarom een leerling zich niet goed voelt of zich opstandig gedraagt, is het nodig hem/haar te observeren. En door zijn/haar gedrag vervolgens te analyseren, kan een leerkracht een oorzaak voor de angst boven tafel krijgen.
Nota bene. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een ABC-formulier. Zo’n formulier is integraal opgenomen in de internetuitbreiding bij dit artikel, zodat u het eenvoudig kunt downloaden. Maar uiteraard is ook een ander observatieformulier geschikt.

Angststoornissen

Bij veel angsten is de leerling bang om de controle over een situatie te verliezen. De angst kan zich op vele manieren uiten. Bijvoorbeeld door: zweten, trillen, teruggetrokken gedrag, piekeren, slecht slapen en opstandig gedrag.
Het is lastig te bepalen wanneer we spreken over een stoornis. Alleen een kinderarts of een psychiater kan na onderzoek een stoornis vaststellen. Een leerkracht kan wel signaleren dat een kind bepaalde angsten vertoont. Maar het is niet de taak van de leerkracht om vast te stellen of een leerling wel of niet een angststoornis heeft.
Er is pas sprake van een angststoornis, als de angst:
– langere tijd aanhoudt;
– niet bij de leeftijd van de leerling past;
– het functioneren van de leerling op school, thuis en in sociale contacten belemmert.
De angst moet minimaal zes maanden aanhouden, om van een angststoornis te mogen spreken.

Zelfbeeld

Positief

Het gedrag van een leerling wordt sterk bepaald door de wijze waarop hij/zij over zichzelf denkt. Dus: door zijn/haar zelfbeeld.
Een leerling die positief over zichzelf denkt, zal zich anders voelen en zich anders gedragen dan een leerling die negatief over zichzelf denkt. Een leerling met een positief zelfbeeld durft eerder verantwoordelijkheid te nemen dan een kind met een negatief zelfbeeld. Hij/zij is vrijer in de omgang met anderen en durft nieuwe dingen aan te pakken.
Wat is een positief zelfbeeld eigenlijk? Een positief zelfbeeld is de optelsom van goede en minder goede eigenschappen en vaardigheden, waarvan de uitkomst is: ik ben de moeite waard. Bij de optelsom weegt de ene eigenschap zwaarder dan de andere. Het idee van de leerling, dat hij/zij “de moeite waard is”, is een concretisering van het begrip positief zelfbeeld. Een leerling met een positief zelfbeeld kan over het algemeen wel tegen een stootje.

Negatief

Er is sprake van een negatief zelfbeeld, als iets het zelfbeeld van iemand zó negatief beïnvloedt, dat het zijn/haar totale zelfbeeld bepaalt.

Frans is blij dat het buiten spelen weer voorbij is. Jammer dat hij niet mee mocht doen met voetballen. Maar vervelender vond hij de twee jongens, die hem liepen uit te dagen.
Opeens merkt Frans op dat er spelling op het programma staat. Dat is niet iets wat hem blij maakt. Met moeite kan hij zijn hoofd erbij houden. En om dit nu zelfstandig te gaan verwerken, blijkt te veel van het goede. Zijn gedachten vliegen alle kanten uit…

Als leerlingen te vaak bang zijn, dan kan dat hun gevoels- en gedachteleven verstoren. En dat kan weer een risicofactor zijn voor het ontwikkelen van bijvoorbeeld faalangst.

Faalangst

Uit een negatief zelfbeeld kan faalangst ontstaan. Faalangst is in feite een effect van een uit de hand gelopen levensvraag. En die levensvraag is: doe ik ertoe?
Deze basisvraag is de werkelijke bron van faalangst. De leerling vraagt zich af: ziet de leerkracht mij zoals ik werkelijk ben? En: tel ik bij mijn klasgenoten mee om wie ik ben en wat ik doe?
Wanneer een leerling een taak opgelegd krijgt die moeilijk is, is enige spanning terecht. Maar stel dat een leerling opdrachten op zijn/haar niveau krijgt, die goed zijn uit te voeren. Als die leerling dan tóch bang is om fouten te maken, dan is dit een aanwijzing voor faalangst.
Door de faalangst presteert de leerling minder goed dan hij/zij zou kunnen. Een leerling met faalangst wordt angstig, als er reële eisen aan hem worden gesteld, door hemzelf of door anderen. Verder is een faalangstige leerling vaak gevoelig voor reacties uit de omgeving. En dat geldt dan zowel voor positieve reacties (complimenten) als voor negatieve reacties (beoordelingen)!

Schoolfobie

Schoolweigering

Een andere angst – naast faalangst – die direct met school te maken heeft, is een schoolfobie. Hierbij is de leerling bang om naar school te gaan. In plaats van schoolfobie wordt ook vaak van schoolweigering gesproken. Het niet naar school (willen) gaan is vaak het gevolg van een andere angst.

Ontstaan van een schoolfobie

– Een leerling kan bang zijn om van zijn/haar ouders gescheiden te worden. In 75 procent van de gevallen komt schoolweigering voort uit een separatieangststoornis.
– Schoolfobie kan ook uit een sociale angst ontstaan. Op school moet een leerling samen spelen of samenwerken met andere leerlingen. Wanneer dit angst oproept, wordt de leerling bang voor school in het algemeen.
– Een schoolfobie kan ook het gevolg zijn van een slechte relatie met de leerkracht, een leerstoornis of een onjuiste schoolkeuze.

Faalangst en een schoolfobie kunnen een leerling behoorlijk belemmeren in zijn/haar dagelijkse functioneren, maar zijn géén formele stoornissen.
Nota bene. In deze jaargang van het Praxisbulletin zullen veelvoorkomende angsten bij kinderen maandelijks worden besproken op de website. Dat zal gebeuren in de vorm van columns in de rubriek Artikeluitbreidingen. Zie de opgave van onderwerpen achteraan in dit artikel.

Denken vanuit onderwijsbehoeften

Formuleren en beschrijven

Leerkrachten komen in de klas steeds vaker leerlingen met extra behoeften tegen. Leerlingen met een stoornis. Maar ook leerlingen zonder een stoornis! Dit vraagt om handvatten, die het mogelijk maken om met de diverse onderwijsbehoeften van de leerlingen te kunnen omgaan. Dit betekent, dat bij leerlingen met angst specifiek ingezet moet worden op hun orthopedagogische en/of orthodidactische hulpvraag. En dat via een aanpak, die de leerkracht zo veel mogelijk in de groep kan toepassen!
Praten, denken en werken vanuit onderwijsbehoeften betekent, dat de leerkracht op een andere, meer handelingsgerichte en meer dynamische manier moet gaan kijken, overleggen en handelen. De onderwijsbehoeften worden geformuleerd door aan te geven wat een kind nodig heeft om de volgende stap in zijn/haar ontwikkeling te kunnen zetten. Dit betekent:
– het formuleren van het doel/de doelen;
– beschrijven wat een kind nodig heeft om deze doelen te bereiken.

Samenhang

Observatie en onderzoek richten zich op die manier vooral op het zien van concrete ontwikkelingskansen van kinderen en de condities waaronder die ontwikkeling het best kan plaatsvinden. Méér kijken naar kinderen en denken over kinderen vanuit kansen en mogelijkheden! En niet vanuit belemmeringen!
Het is van groot belang de onderwijsbehoeften zó te beschrijven, dat ze concrete aanknopingspunten voor het handelen van de leerkrachten bieden ten aanzien van het (vervolg)aanbod, het leerkrachtgedrag en de inrichting van de onderwijsleeromgeving. Deze aanknopingspunten zijn zowel gericht op het realiseren van specifieke leerdoelen als op het ontwikkelen van specifieke vaardigheden op het gebied van werkhouding en sociaal-emotionele ontwikkeling. De pedagogische en didactische onderwijsbehoeften kunnen daarom niet los van elkaar worden gezien, maar altijd in samenhang met elkaar!

Meester Aart merkt, dat – zodra er nieuwe sommen aan bod komen – de resultaten van Erica direct terugvallen. Verlengde instructie blijkt enigszins te helpen, maar onvoldoende. Erica blijkt meer baat te hebben bij een individuele instructie, omdat na observatie door de Interne Begeleider (IB’er) en een gesprekje met Erica gebleken is, dat zij onvoldoende profiteert van een groepsinstructie. Besloten wordt om tijdens het zelfstandig werken Erica pre-teaching te geven, als er nieuwe sommen in aantocht zijn. Door het voorbereiden van de nieuwe leerstof (in dit geval sommen) wordt Erica de mogelijkheid geboden om succeservaringen op te doen.

Aanpak van angst
Om de leerlingen met angstgevoelens te kunnen helpen, is het belangrijk voor de leerkracht hoe te handelen als er gesignaleerd wordt dat er sprake is van meer dan gemiddelde angst. In het volgende overzicht staan aandachtspunten voor de basishouding van de leerkracht ten opzichte van angstige leerlingen.

Aandachtspunt Uitleg
Erken en accepteer de angst bij de leerling. Respecteer als leerkracht de aanleg van de leerling om angst te ontwikkelen. Daarna kan pas aan de angst gewerkt worden.
Erken ook eventueel de angst van de ouders. De angst van de ouders speelt mogelijk een rol bij het ontstaan en het in stand houden van de angst(en) bij de leerling. Houd als leerkracht oog voor de mogelijke vicieuze cirkel, waarin het gezin gevangen kan zitten.
Zorg voor een veilige sfeer in de groep. Dit kan onder andere door duidelijke regels te stellen en structuur te bieden. De leerkracht beschermt kwetsbare leerlingen.
Neem de leerling serieus in zijn/haar angst. De leerkracht gaat na of er een reële oorzaak is voor de angst.
Geef positieve bevestiging en creëer succeservaringen. De leerkracht beloont de pogingen van de leerling om de angst te veranderen en legt minder nadruk op de resultaten. Hij/zij verhoogt het competentiegevoel van de leerling en probeert zijn/haar zelfbeeld positiever te maken.
Help de leerling zijn/haar weerbaarheid te vergroten. Naast het beschermen van de leerling is het van groot belang dat de leerling leert om beter met zijn/haar angst om te gaan. De leerkracht kan de leerling eventueel een sociale vaardigheidstraining aanbieden.
Help de leerling een andere kijk op problemen te ontwikkelen. De leerkracht leert de leerling helpende gedachten aan. Dit is een cognitieve aanpak, die goede resultaten oplevert bij angstklachten.

Aandachtspunten voor de basishouding van de leerkracht ten opzichte van angstige leerlingen (Van Lieshout, 2002).

Tot slot

Tot slot nog een gouden tip! In hoeverre is er angst voor angst? Wees niet bang als leerkracht om een leerling met angst te benaderen. Een leerling met angst heeft het meeste baat bij beschikbaarheid.

Veel succes!

Literatuur

• H. Hoogenboezem & H. Kelderman, Wijzer over Angst, CED-Groep Uitgeverij, Rotterdam, 2008.
• T. van Lieshout, Pedagogische adviezen voor speciale kinderen, Bohn, Stafleu, Van Loghum, Houten/Diegem, 2002.
• J. Rigter, Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 2002.
• J. A. R. Sanders-Woudstra, F. C. Verhulst & H. F. J. Witte, Leerlingen- en jeugdpsychiatrie I, Psychopathologie en behandeling, Van Gorcum, Assen, 1996.
• J. van Sonderen, Omgaan met faalangst, een praktijkbijdrage, in: Jeugd in School en Wereld, maart 1998 (pag. 27-31).

Meer informatie
Meer informatie over het onderwerp van dit artikel vindt u op de websites www.cedgroep.nl en www.wijzeronderwijs.nl.