“Voor jezelf opkomen” duiden we aan met de term assertiviteit. Assertiviteit betekent dan: voor jezelf opkomen, zonder anderen te kwetsen. Je komt voor jezelf op, maar je houdt ook rekening met anderen. Kinderen die te weinig assertief zijn, noemen we subassertief. En kinderen die overdreven assertief zijn, noemen we agressief.
Agressieve kinderen komen zó heftig voor zichzelf op, dat ze anderen kwetsen. Met veel van de huidige kinderen hebben we de ervaring dat ze minder zelfstandig, maar wél veel mondiger zijn dan vroeger. Veel leerkrachten en groepsgenoten ervaren dat teveel aan assertiviteit als onplezierig, net zoals veel mensen ook agressiviteit als onplezierig ervaren.

Begripsomschrijving

Bij kinderen die overdreven assertief zijn, gaat het meestal om vormen van agressiegedrag. Dit artikel gaat met name over de algemene instelling van deze kinderen, dat ze zich gauw door anderen aangevallen voelen en daar heftig defensief en agressief op reageren. Dat “korte lontje” is het centrale kenmerk.

Gedragingen

Kinderen die overdreven assertief zijn, kunnen een of meer van de volgende gedragingen vertonen:
– Ze kunnen er moeite mee hebben als anderen in hun directe leefruimte komen. Dat accepteren ze dan niet. (Bijvoorbeeld: een kind komt – met een hand of met materialen – per ongeluk binnen de tafelruimte van het overdreven assertieve kind.)
– Ze kunnen moeite hebben met het geven van een gunst aan anderen. (Bijvoorbeeld: het uitlenen van iets of het geven van iets.)
– Ze kunnen moeite hebben met het accepteren van hulp.
– Ze kunnen steeds haantje de voorste willen zijn.
– Ze kunnen brutaal zijn tegen anderen.
– Ze kunnen anderen gauw uitlachen, om daarmee hun eigen positie te verstevigen.
– Ze kunnen zich steeds willen meten met anderen en aangeven beter te zijn dan de anderen.
– Ze kunnen anderen afsnauwen, in de vorm van ruw taalgebruik. (“Hou je bek!” “Wat moet je?”)
– Ze kunnen moeite hebben met de blik van anderen. (“Wat kijk je?” “Kijk me niet zo aan!”)
– Ze kunnen een defensieve, explosieve lichaamshouding aannemen. Bedoeld wordt dan: het maken van dreigende gebaren, gebaren met de middelvinger, hak- en onthoofdgebaren, vuist- en slabewegingen.
– Ze kunnen anderen beledigend, minachtend aankijken.
– Ze kunnen anderen beledigen of uitlachen.
– Ze kunnen pestgedrag vertonen.
– Ze kunnen een heel kort lontje hebben.
– Ze kunnen stoer gedrag vertonen.
– Ze kunnen waaghalzerij vertonen.
– Ze kunnen machogedrag vertonen.
– Ze kunnen schreeuwerig gedrag vertonen.
– Ze kunnen zich op een botte manier uiten.
– Ze kunnen snel kritiek leveren op anderen, maar ze kunnen er niet tegen als anderen op hen kritiek leveren.
– Ze kunnen zelfoverschattend gedrag vertonen.
– Ze kunnen voorkruipen, voordringen.
– Ze kunnen opdringerig zijn.
– Ze kunnen uitdagend gedrag vertonen.

Verklaringen

Voor de genoemde gedragingen kunnen de achtergronden gezocht worden in de volgende verklaringen:

• Aangeboren karaktertrek
Sommige kinderen zijn van nature altijd haantjes. Al vanaf de moederborst willen ze (letterlijk) aan hun trekken komen. Er is geen duidelijke oorzaak vanuit de opvoeding, maar het is een aangeboren karaktertrek van het kind.

• Compensatiegedrag
Het kind hanteert dit gedrag als compensatie voor tekortkomingen, zoals beperkte leervorderingen of dominante huisgenoten. Veel kinderen die dit gedrag vertonen, hebben ook weer iemand boven zich, die overdreven assertief is naar hen toe.

• Onjuist zelfbeeld
Extreme assertiviteit kan ook te maken hebben met een reactie op een verondersteld onvermogen. Dat kan zich uiten in twee vormen:
– Het kind denkt te slecht over zichzelf.
– Of er is sprake van een reëel negatief zelfbeeld, dat zich kenmerkt door de wetenschap bij het kind, dat het inderdaad veel tekortkomingen heeft.

• Machocultuur
Bij allochtone kinderen komt dit nogal eens voor bij jongens, die een bepaalde positie hebben in het gezin. Ze overdrijven die positie dan in de vorm van extreme assertiviteit. Meestal hebben die kinderen geleerd dat zo’n houding je macht geeft en dat je dus je zin door kunt drijven door die houding aan te nemen.
Extreme assertiviteit levert een status op, die past bij het streven naar een positie, waar tegenop wordt gekeken en waardoor je gerespecteerd wordt. Sommige basisschoolkinderen groeien al voor een groot deel op straat op. En daar heerst die cultuur van hiërarchie en afgedwongen respect.

• Overdreven respectcultus
Sommige kinderen groeien op in een cultuur, waar het niet van respect getuigt als je iemand aankijkt. Nederigheid en terneergeslagen ogen zijn dan blijken van respect. Als anderen dat niet doen, ziet men dat als een belediging, waar tegen opgetreden moet worden, om de eigen eer te redden.

Begeleiding: een stappenplan

Als kinderen overdreven assertief gedrag vertonen, dan kunt u bij de begeleiding gebruikmaken van de technieken en de programma’s uit de Nieuwe Gedragsorthotheek (Pravoo, Lekkerkerk, 2006). U kunt echter ook gebruikmaken van het nu volgende stappenplan.

Stap 1: Bewustmaking

• Hierbij gaat het erom, dat u de kinderen (of een bepaald kind) laat zien wat er gebeurt. Doe dat aan het begin van de middag. U hebt dan tussen de middag tijd om gedragingen met betrekking tot extreme assertiviteit op het bord te zetten.
U vertelt de kinderen wat u regelmatig ziet. Als het om groep 3 gaat, dan moet u de kenmerken gewoon voorlezen. Daarna laat u de kinderen vrij reageren op die concrete gedragingen. Herkennen ze een bepaald gedrag? En wat vinden ze ervan? Bekijk ook of de kinderen kunnen aangeven wat het nadeel van dat gedrag is. Praat over zaken als: sfeer in de klas en leuk met elkaar omgaan.

• Maak een kaart, met daarop de volgende afbeeldingen:
26-09-04-0126-09-04-02
Leg de kinderen uit dat de situatie nu zo is, dat er allemaal losse ikfiguren in de klas zijn. Leg de kinderen ook uit wat de nadelen daarvan zijn:
– Er ontstaan onnodige ruzies.
– Er hangt een vervelende sfeer.
– Sommige kinderen voelen zich niet op hun gemak. En als je je niet op je gemak voelt, dan kun je ook minder goed leren.
Leg de kinderen uit: iedereen is een “ik”, maar het is ook belangrijk om een “wij” te zijn.

• Bespreek met de kinderen vooral de invloed van bepaalde gedragsvormen op anderen. Neem een concrete gedragsvorm uit de groep en probeer inzichtelijk te maken wat een kind met zijn/haar gedrag anderen aandoet. Bij dat inzichtelijk maken speelt u als leerkracht ook een rol: u mag ook invullen hoe u het zelf beleeft.
Nota bene. Als kinderen kunnen lezen, kunt u dit alles ook gewoon op het bord zetten. De impact is dan groter dan wanneer het inzichtelijk maken alleen mondeling gebeurt.

Stap 2: Inzicht in de voordelen van het alternatief

Bespreek met de kinderen wat de voordelen kunnen zijn van het “wij” zijn:
– Iedereen kan leuk met elkaar omgaan.
– Iedereen voelt zich lekker.
– Je moet gewoon respect voor anderen hebben. Dat moet bij ons op school.
– Later moet je ook leren om samen met anderen te werken.

Stap 3: Mentaliteitsbegeleiding: van “ik” naar ” wij”

Voor het ombuigen van een “ik”-situatie naar meer een “wij”-situatie zijn er twee benaderingen. De eerste aanpak is een mentaliteitsbegeleiding. Daarbij gaat het om een voorzichtige aanpak. (Zie stap 1-5.) In stap 4 (De directe begeleiding) gaat het om een no-nonsensebenadering, die wat strenger van aard is. (Zie verderop in dit artikel.)

1 Individueel medewerking vragen
Bij stap 3 is het belangrijk, dat u investeert in gesprekken met individuele kinderen. Vooral met de kinderen die te assertief zijn, moet u individuele gesprekken voeren. Vraag aan die kinderen om hun medewerking. Doe dat in een individueel gesprek, waarbij u niet te streng, niet veroordelend bent, maar een appèl doet op het verantwoordelijkheidsbesef van de kinderen. Bij dat gesprek zijn geen andere personen aanwezig. En dat betekent, dat kinderen dan ook vaak minder haantjesgedrag vertonen.

2 Leren elkaar te respecteren
Om van een ik-situatie een wij-situatie te maken, is het belangrijk kinderen te leren elkaar te respecten en te accepteren. Daarbij is het belangrijk, dat kinderen werkzaamheden in tweetallen uitvoeren, om elkaar beter te leren kennen en van daaruit te leren om elkaar beter te accepteren. Mogelijkheden zijn:
– Samen klusjes uitvoeren.
– Elkaar helpen.
– Samen elkaars werk nakijken.
– Vanaf groep 4 kunt u kinderen interviews bij elkaar laten afnemen. Ze hebben dan een vragenlijst en nemen die af bij een klasgenoot. Ze rapporteren daarover door die ondervraagde klasgenoot te spelen en te zeggen: “Ik ben… en ik…”
– Leer kinderen om iets positiefs over een klasgenoot te vertellen. Stel regelmatig de vraag: “Wie kan er iets leuks over een ander kind in deze groep vertellen?”

3 Aanleren van alternatief gedrag
Tegenover de gedragsvormen, die voor de overdreven assertieve kinderen zo kenmerkend zijn, kunt u gewenst gedrag zetten. Neem concrete situaties in de klas en bespreek hoe je dan het best kunt reageren. Stel: iemand doet iets, dat je niet leuk vindt. Hoe zeg je dat dan op een normale manier, zonder daar meteen boos over te worden? Oefen die gewenste gedragingen ook door kinderen voor de klas een bepaalde situatie te laten uitspelen.

4 Omgaan met spullen
Veel problemen hebben ook te maken met overdreven eigendomsdenken. (“Dit is van mij. En daar mag niemand aan zitten!”) Leg de kinderen uit dat de spullen op school van iedereen zijn. Bedenk situaties, waarbij kinderen bewust moeten delen. Doe dat door de werkzaamheden zó te organiseren, dat er een minimum aan materialen is: dus maar één schaar of maar één kwast. Bespreek met de kinderen hoe je daarover kunt overleggen.

5 Geven
Bespreek met de kinderen situaties, waarin je iets aan iemand geeft of iets voor iemand doet. Neem dan concrete situaties, die u in de klas ziet. Bespreek wat er zo leuk is om iets voor iemand te doen. Betrek het ook op de klas: wat kun je in de klas voor elkaar doen?

Stap 4: De directe begeleiding

In stap 3 staat de “zachte begeleiding” centraal, die uitgaat van een mentaliteitsverandering. Voor een aantal kinderen is dat te soft. Hun machogedrag is zo’n ik-trek, dat ze dat gedrag niet zomaar kunnen veranderen. Toch is het belangrijk dat u die kinderen direct begeleidt, omdat zij ervoor kunnen zorgen dat uw mentaliteitsgerichte begeleiding ook op andere kinderen weinig effect heeft. Ik noem de volgende mogelijkheden voor directe begeleiding:

1 Herinneren
Ieder dagdeel herinnert u een kind eraan hoe u wilt dat het kind zich gedraagt. U neemt dan een bepaalde concrete, ongewenste gedragsvorm. U praat even met het kind, zonder de aanwezigheid van de andere kinderen. En u herinnert het kind eraan welk gewenst gedrag u vraagt. Bij deze aanpak zegt u niet: “Ik wil dit niet meer zien.” Maar u zegt: “Als dat gebeurt (en dan noemt u een concrete situatie), dan wil ik dat je je zo en zo gedraagt.”

2 Prijs het kind
Prijs het kind als het gewenst gedrag vertoont. Doe dat tussentijds. Ga naar het kind toe en zeg dat u het prima vindt hoe het kind in die bepaalde situatie reageerde.

3 Grijp consequent in
Grijp consequent in als het kind ongewenst gedrag vertoont. Daarbij is de regel, dat u maar eenmaal waarschuwt. Zeg tegen het kind: “Ik wil dat je je in dit soort situaties zo gedraagt…” Als het kind daarna wéér het ongewenste gedrag vertoont, dan moet u een sanctie of straf toepassen. Deze consequente benadering is heel belangrijk, omdat die benadering duidelijkheid schept. Als u daar te soepel mee omgaat, blijft u te lang bezig om het ongewenste gedrag te veranderen.

4 Ouderhulp
Als het kind de regels blijft overtreden, is het aan te bevelen om de ouders in te schakelen. Ook bij allochtone ouders die geen Nederlands spreken, moet u proberen om een gesprek te arrangeren, waarbij een tolk of een huisgenoot aanwezig is, die de ouders kan uitleggen wat er aan de hand is. Bij dat gesprek moet het kind ook aanwezig zijn. U moet iedereen dan duidelijk maken, dat u niet meer accepteert dat de sfeer in de klas verpest wordt. En ook moet duidelijk worden, dat de ouders een andere school voor hun kind moeten zoeken als het gedrag niet verbetert.
Spreek met de ouders af dat u de ontwikkelingen over vier weken opnieuw met hen wilt bespreken.
Veel succes!

Andere vormen van hulpverlening

Voor andere vormen van hulpverlening kunt u raadplegen: de Nieuwe Gedragsorthotheek (Pravoo, Lekkerkerk, 2006).

Literatuur

Linda Kavelin Popov, Het deugdenboek voor het onderwijs, Uitgeverij de Zaak, Groningen, 2005 (Nederlandse uitgave), ISBN 978 90 77770 07 8.